Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ENKELE OPMERKINGEN OVER DE ACHTERGROND VAN HERMAN BAVINCKS PEDAGOGIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ENKELE OPMERKINGEN OVER DE ACHTERGROND VAN HERMAN BAVINCKS PEDAGOGIEK

BEZINNING/ACHTERGROND

22 minuten leestijd

Twee vragen

"Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, maar lijdt schade zijner ziel? " (Matth. 16 : 26) Verlamt bovenstaande tekst het onderwijs niet? Wat moet er nog geleerd en onderwezen worden, als we het gewicht van het eeuwig wel of eeuwig wee op ons voelen drukken? Wie zo consequent verder denkt, kan alleen de religieuze

opvoeding een plaats geven in de school, of op z'n minst hangen alle andere vakken erbij. De vraag is of het inderdaad zo moet; en zo niet, welke gedachtengangen dan gevolgd kunnen worden en wat de argumenten zijn. Mijns inziens is deze problematiek nog aktueel en weten we er niet goed raad mee. Men kan natuurlijk wel aan komen dragen met de noodzakelijkheid van het maatschappelijke leven, maar dat raakt de kern van de zaak toch niet helemaal. Deze wereld moet leefbaar blijven, maar is dat niet een wat magere motivatie voor opvoeding en onderwijs? Hoe moeten we Gods eer bedoelen in het onderwijs? "Kan een onbekeerd mens dat? "

Om deze vragen met een voorbeeld te illustreren, wijs ik op het interessante artikel van D. Vogelaar in D.R.S., 9ejrg. no. 6 (juni 1981). Aan het einde van dit stuk zegt de schrijver dat cultuurpessimisme zonder meer geen basis geeft waarop je een opvoeding kunt bouwen en gestalte kunt geven aan het onderwijs. De Heilige Schrift - zo lezen we verder - opent het perspectief van een toekomende heerlijkheid, van het rijk Gods dat in zijn volkomenheid nog komen moet. Geen cultuurpessimisme dus, maar wat dan wel? Hoe heeft dat geopende perspectief zijn invloed op onze visie op onderwijs en opvoeding? De visie van Kuyper delen we niet en een doperse wereldmijding willen we niet, dus we zitten er ergens tussen. In de praktijk betekent dat voor velen een dualisme, een heen en weer tussen twee polen, en dat kan best eens gevaarlijk worden. Er kan een gespletenheid komen in het leven van leraar en leerling. Eerst gaat het om het eeuwig zieleheil en daarna zijn we de hele dag verder bezig met de vakken van onze cultuur. Vooral in het voortgezet onderwijs ervaren veel leerlingen die tweespaU en al heel snel staat niet alleen het vak godsdienst, maar ook de persoonlijke verhouding tot God los van de te bestuderen stof. Hier wreekt zich de onduidelijkheid, die er onder ons is. Het resultaat daarvan kan wereldsgezindheid zijn; leer en leven komen los van elkaar te staan.

Herman Bavinck De vragen die we stelden zijn oud en oplossingen zijn er in soorten en maten. In dit artikel proberen we beknopt weer te geven hoe de theoloog en theoretisch pedagoog Prof. Dr. Herman Bavinck een antwoord trachtte te geven. De geschriften van hem worden in onze kring meer bekend omdat we naar steun zoeken op het terrein van de pedagogiek en m.i. kunnen we ook veel van hem leren; aan de andere kant heb ik wel eens de indruk dat hij klakkeloos geciteerd wordt en te weinig kritisch bekeken. Omdat het onmogelijk is zijn hele theologie, filosofie en pedagogiek te berde te brengen, probeer ik enkele vragen aan hem te stellen vanuit de bovenstaande problematiek om daarna wat kritiek uit te oefenen.

Prof. Dr. H. Bavinck Op 14 dec. 1854 werd te Hoogeveen Herman Bavinck geboren als zoon van de christelijk-afgescheiden predikant Jan Bavinck en zijn vrouw Gesina Magdalena Holland, een vrouw van hervormde huize uit Vriezenveen.') Het zou te ver voeren om bijzonderheden te geven, maar twee dingen trekken onze aandacht. Het geslacht Bavinck was zeer intelligent en daarnaast zijn het mensen uit afgescheiden kring. Het eerste, maar ook het laatste is merkbaar in de geschriften van Herman Bavinck. Hij was niet alleen een groot geleerde maar ook een man met bevindelijke accenten en misschien zelfs enigszins gefrustreerd door uitwassen. Hij was te energiek en te levenslustig om in een geïsoleerde wereld zijn bestaan te vinden. Hij moest de vleugels kunnen uitslaan en de ruimte hebben. Met betrekking tot het onderwijs laakt hij dan ook de wereldmijding die in christelijke kring - naar zijn zeggen - niet geheel onbekend is. "Er zijn ouders, die hard en liefdeloos in hun oordeel over kinderen zijn, hun niets gunnen, geen spel en geen scherts, of die ze ook aan hun eigen lot overlaten omdat ze toch onbekeerd zijn." 2) Zijn geschriften en niet in het minst die over de opvoeding zijn een verdediging van zijn optimisme t.a.v. de cultuur en aan de andere kant tracht hij zich af te schermen tegen een optimisme dat in de mens zijn grond heeft. De theologie en filosofie die hij daarvoor gebruikt, zal ik proberen weer te geven.

1. De algemene genade

Wij zijn geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed. Toch is er in deze wereld nog sprake van recht, geweten, orde en harmonie en dat hebben we dus niet aan onszelf te danken. Het is de Heere, Die deze bedorven wereld nog in stand houdt en een dam heeft opgeworpen tegen de zonde door de algemene

genade. Deze genade wordt algemeen genoemd omdat die zich over iedereen en de gehele wereld uitstrekt. De algemene genade heeft dan ook geen betrekking op de zaligheid, maar gaat slechts over het leven op aarde. Zoals we dat tot nu toe schetsten, is dat genade in negatieve zin. De zonde wordt zo in zijn loop belemmerd dat leven op aarde nog mogelijk is. Voor Herman Bavinck betekent de algemene genade echter meer, evenals bij Kuyper. De algemene genade heeft ook een positieve werking. Bavinck ziet de genade in deze wereld steeds rijker worden. Gaven en krachten, die latent in de schepping aanwezig waren, gaan zich manifesteren door de genadige werking van Gods Geest. De geschiedenis van de mensheid wordt uitgebreider en rijker, rijker in raadselen voorzeker, maar rijker ook in wonderbare, verrassende leidingen Gods. God regeert ook in deze eeuw; natuur, cultuur en geschiedenis zijn middelen, waardoor Hij thans nog luider (cursief P.v.R.) dan in het verleden, tot ons spreekt^). De ontwikke-

hngen op het gebied van de wetenschap fascineerden Bavinck zelfs zo, dat hij verrukt kon spreken over de veraangenaming des levens, welke in deze tijd door geniale uitvindingen en verrassende ontdekkingen verkregen zijn.'*) Misschien zou zijn optimisme wat getemperd zijn na de atoombom en de milieuvervuiling van nu, maar hij schreef nu eenmaal deze zinnen in 1904.

U zult begrijpen dat deze visie op wereld en cultuur gevolgen heeft voor de kijk op onderwijs en opvoeding. Mensen vormen een schakel in Gods Openbaring. In en door de menselijke activiteit wordt het Koninkrijk Gods op aarde gesticht'). Vooruitgrijpend op punt 5 (de zonde), merken we op dat de zonde voor Bavinck niet erg ver doordringt in de cultuur en structuur van onze samenleving. Het begrip "wereld", zoals we dat tegenkomen in 1 Joh. 2 : 15, 16 (Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen

in de wereld is), wordt door Bavinck begrepen als de door de zonde verwoeste en bedorven wereld, wel te onderscheiden van de wereld als schepping*); alsof het niet om één wereld gaat, die ook als schepping verwoest en bedorven is.

Bavinck ziet de algemene genade zelfs als een voorbereiding op de herschepping'); een gedachte die later verder is uitgewerkt door A. A. van Ruler. De zin van onze aardse werkzaamheden wordt hierdoor natuurlijk wel versterkt, maar het is de vraag of het bijbels is om zo te spreken. De nadruk ligt in de Schrift meer op de totale herschepping van de aarde in één keer, dan op een geleidelijke ontwikkeling^).

2. De idee van het organische

De drijfveer van Bavincks denken is de idee van "het organische'^). Overal in zijn werken komen we dit begrip tegen; hij spreekt over de organische inspiratie van de Schrift, maar ook zijn wereld- en mensbeschouwing is organisch. Bavinck was niet de eerste die deze gedachte lanceerde. Hij ontleende haar aan de filosofie van Schelling. Ons interesseert echter vooral zijn bijbelse argumentatie van deze wereldbeschouwing en van daar uit kunnen wij hem aan het woord laten.

In de schepping kunnen we de grote Schepper herkennen, zegt Bavinck. Zelfs zo sterk dat we mogen aannemen dat de wereld aan God verwant is en een organisch geheel vormt met orde en harmonie. Mens en wereld zijn door één en dezelfde Logos geschapen (Joh. 1 : 3) en dus elkander verwant""). Door Zijn Geest is God dus in alle schepselen immanent"), omdat in alles dezelfde rede woont, dezelfde geest, dezelfde orde. De idee van het organische is dus dat God, mens en wereld een hechte eenheid vormen en het één is niet te verstaan zonder het ander'2). De wereld is niet te doorgronden zonder God, Die deze aarde nog steeds onderhoudt en bestuurt en hetzelfde geldt voor de mens. Zelfs de geschiedenis in de wereld is dan ook Openbaring van God Zelf. Vandaar dat Bavinck over organische inspiratie kan spreken, want dwars door alle omstandigheden heen hebben de bijbelschrijvers, met hun eigen achtergrond en cultuur, hun geschriften opgesteld en zijn ze opgenomen in het proces van de Openbaring'3). Naar de opvatting van Bavinck is er ook geen terrein in dit leven te bedenken waarin God Zich niet openbaart. Alles is denkbaar en kenbaar, omdat alles eerst gedacht en gesproken is, voordat het uit het niet tevoorschijn kwam, en omdat het, nadat het tot het aanzijn geroepen is, van ogenblik tot ogenblik gedragen wordt door het woord van Zijn kracht'").

Wie dit leest, wordt ongetwijfeld geboeid door Bavincks fantastisch betoog - zo verging het mij tenminste - maar uiteindelijk moeten we m.i. toch toegeven dat het meer filosofie is dan bijbelse theologie. Uit de Schrift is geen wereld- en mensbeschouwing te halen in de zin van de organische filosofie. Zelfs Joh. 1 laat zich daarvoor niet gebruiken. Daarnaast vragen we ons opnieuw af welke gevolgen de zonde heeft gehad op de aarde en de geschiedenis en cultuur van deze wereld.

3. Het beeld Gods

De exegese van Gen. 1 : 26 en 27 is te problematisch om er een bijbels mensbeeld uit op te maken en op zich zegt het dan ook niets als we zeggen dat Bavinck de mens als beeld Gods ziet. Het is de vraag hoe hij dat "inkleurt" met andere bijbelse gegevens. Het zou echter wel eens kunnen zijn dat de organische filosofie meer mag invullen bij Bavinck dan de Heilige Schrift zelf. Ieder mens, zegt Bavinck, is beeld Gods, bijzondere expressie van het beeld Gods, dat in het menselijk geslacht tot ontvouwing komt; elk mens is een eigen gedachte Gods, en dus in het geheel opgenomen met een eigen roeping, plaats en taak.''). Hij zet zich af tegen de rooms-katholieke en lutherse benadering van het beeld Gods, omdat die niet genoeg oog hebben voor de hele mens. De hele mens wil Bavinck als beeld Gods zien, omdat anders een groot deel van het menselijk bestaan en

leven rondom het beeld Gods liggen, zonder er ooit in opgenomen te worden. De mens is niet maar drager van het beeld Gods, maar zelf Gods beeld. Zijn geslacht, Zijn zoon'^); anders komt het nooit tot een algehele doordringing van mens en beeld Gods'').

De wereld én de mens zijn dus aan God verwant en Gods beeld zelf. Dat is de grote vooronderstelUng van Herman Bavincks pedagogiek. Uiteraard werkt hij dat verder uit, want de mens is in zonde gevallen en die zonde dringt helemaal in de mens door, maar we blijven mens en dus aan God verwant en Hem gelijkvormig'^).

Als ik het goed zie is Bavinck ook hier niet origineel en grijpt hij terug op Comenius of misschien nog verder weg, nl. op Giordano Bruno of Tomasso Campanella; want ook dezen zagen de mens en het zichtbare universum als een tweevoudige manifestatie van de godheid en dientengevolge nauw met elkaar verbonden. De mens omvat, volgens hen, in zich de gehele wereld; hij is de microcosmos van het universum").

4. De wetenschap

Wat betekent het bovenstaande voor het onderwijs en de wetenschap? Allereerst mag alles bestudeerd worden, want de wereld en de cultuur zijn aan God verwant. Sterker nog; de wereld moet bestudeerd worden. Wij hebben de plicht om onbevooroordeeld en onbevangen alle goede gaven en volmaakte giften te waarderen, die er ook in het natuurlijke leven nederdalen van de Vader der lichten^"). Vervolgens kan alles bestudeerd worden, want de mens en de wereld zijn aan elkaar verwant. De realiteit en objectiviteit van de wereld buiten ons kan pas aangenomen worden als we op de waarachtigheid Gods vertrouwen. Door ons zo de waarheid te doen kennen als een objectieve, van ons onafhankelijke realiteit, heeft de christelijke religie de wetenschap niet aan banden gelegd, maar in echte zin vrij gemaakt. De wetenschap moet de waarheid zoeken met inspanning aller krachten, ze onbevangen aanvaarden, ook waar zij met onze wensen en begeerten, met onze inzichten en meningen in strijd is, vervolgens trouw bewaren en aan het nageslacht overleveren en eindelijk ook ze uitbreiden en vermeerderen in altijd voortgaande ontwikkeling^')- Aan deze gedachten heeft de Vrije Universiteit haar bestaan te danken.

Terugkomend op de vragen aan het begin van dit artikel, komen we tot de konklusie dat Bavinck geen enkele belemmering ziet voor het onderwijs en de vraag naar de bekering doet er voor hem op dit moment niet toe. Ook in het onderwijs zijn we bezig met Gods wereld. Voor hem is er op dit moment geen enkele tegenstelling tussen de wereld gewinnen of de ziel. Of de praktijk hem in het gelijk heeft gesteld? Ik dacht het niet. Wie zo de deuren openzet naar de wereld en de cultuur, graaft zijn eigen graf en heeft m.i. niet genoeg oog gehad voor de vernielende macht van de zonde.

5. De zonde

Heeft Bavinck de zonde dan niet ernstig genomen? Zeker wel! Scherper dan menig gereformeerd theoloog, heeft hij de zonde beschreven als een kwaad dat zich nog steeds voortvreet en niet weg te denken is uit de mens en de wereld. Juist omdat het beeld Gods niet mechanisch, maar organisch met de mens verbonden is en in zijn natuur wordt opgenomen, moet de zonde de mens, centraal en totaal, schuldig en onrein maken22). Zover als het menselijke in de mens zich uitbreidt, zover reikte in hem eenmaal ook het beeld en de gelijkenis Gods, en zover strekt zich dus ook de schuld en de onreinheid der zonde uit23) De zonde heeft zelfs de meest verborgen roerselen des harten aangetast en bedorven. De zonde zit niet aan maar in de mens^"*).

En hoe zit het met de zonde in de wereld? Is de algemene genade zo rijk dat we daar geen rekening mee te houden hebben? Het antwoord van Bavinck is, dat de geschiedenis der mensheid noch uitsluitend als decadentie, noch uitsluitend als evolutie in de zin van vooruitgang te beschrijven is. De ganse wereld staat gedurende deze bedeling in het teken van de humor, van een lach en een traan. Zij is niet te begrijpen, noch louter als een openbaring van Gods toorn, noch ook uitsluitend als een openbaring van Zijn goedertierenheid. De aarde ligt tussen de hemel en hel in^').

Hoe is het mogelijk, zo sterk met twee woorden te spreken? Aan de ene kant is de algemene genade zo rijk, dat we in de wetenschap alles onbevangen en onbevooroordeeld tegemoet kunnen treden, en de mens is het beeld Gods zelf. Aan de andere kant wordt gezegd dat zonde en genade in de geschiedenis der mensheid met elkaar groeien en steeds sterker met elkaar de strijd aanbinden.

De oplossing van dit probleem vinden we binnen het denken van Bavinck op twee punten. In de eerste plaats heb ik de indruk dat Bavinck denkt de lach wel van de traan te kunnen onderscheiden. Zonde en genade gaan wel samen op in de geschiedenis, maar toch niet als een eenheid, niet zo in elkaar verstrengeld dat er niet meer te onderscheiden valt. En in zoverre ze wel in elkaar overvloeien, want

de zonde is steeds paraat, vertrouwt Bavinck erop dat de genade de overhand heeft. In de tweede plaats ziet Bavinck de zonde in de mens beteugeld door de wedergeboorte, die de mens vernieuwt.

6. Verbond en wedergeboorte

Volgens Bavinck is het ideaal van de opvoeding alleen dan bereikbaar, als mensen gevormd worden tot mens Gods, die Gode toebehoren, die Zijn kinderen zijn^*). De Christelijke religie houdt ons niet alleen het ideaal voor ogen, maar ontsluit ons ook de weg tot verwezenlijking ervan, om nl. mensen weer te vormen tot mensen Gods, die tot alle werk volmaaktelijk toegerust zijn^''). Laten we hem niet verkeerd begrijpen. Hij zegt dat we in de opvoeding moeten vormen tot mens Gods. De veelgehoorde kritiek is, dat wij daartoe niet in staat zijn; dat heeft Bavinck echter niet over het hoofd gezien, zoals uit het volgende citaat blijkt. "Daarom alleen kan de Christelijke paedagogiek aan haar hooge doel beantwoorden, n.l. het vormen van menschen Gods, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust, omdat God Zelf in Christus menschen weer naar Zijn beeld en gelijkenis herschept. Menschen Gods scheppen kunnen wij niet, kan ook de beste christelijke opvoeding niet. Maar menschen Gods vormen, volmaken, tot alle goed werk toerusten, door middel van de onderwijzing des Woords, dat is mogelijk, indien er en omdat er menschen Gods zijn. En dat er zulke menschen zijn en zijn zullen ook van kindsbeen af, dat staat vast op grond van Gods belofte, naar de trouw van Zijn genadeverbond"^s) (cursief P.v.R.).

Uiterst subtiel formuleert Bavinck zijn redenering. Hij zegt niet dat alle gedoopte kinderen mens Gods zijn, noch dat wij die kunnen maken. Hij zegt alleen dat er mensen Gods moeten zijn, wil het onderwijs nuttig zijn, en dat er ook zullen zijn op grond van het verbond. Met onbekeerde mensen kan en mag er geen cultuur gebouwd worden en daarom moet Bavinck wel naar de veronderstelde wedergeboorte toe. Zonder de leer van de veronderstelde wedergeboorte zou Bavinck geen oplossing hebben gehad voor de realiteit van de zonde, die hij ernstig wil nemen^'). Helaas komt m.i. in het cultuuroptimisme van Bavinck de ernst van de zonde daardoor toch te weinig naar voren. Door de veronderstelde wedergeboorte verandert de werkelijkheid niet van het in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.

Laten we geen karikatuur van Bavinck maken! De uitwassen t.a.v. de veronderstelde wedergeboorte heeft hij onderkend. In "De Bazuin" schreef hij een artikel, getiteld "Gedoopt? dus behouden? " waarin hij fel de gedachte bestrijdt dat alle gedoopten wel zalig zullen worden. Hij dringt zelfs aan op ernstig zelfonderzoek en zelfbeproeving. Hij eindigt zijn artikel met: "Er is een richting, die me gevaarlijk voorkomt...., wijl ze de vraag: hoe staat het met ons voor de eeuwigheid? allengs meer terzijde stelt. Welnu, als dat gevaar bestaat, dan moet het onder oogen gezien en met ernst ertegen gewaarschuwd worden" ^o). Ondanks deze waarschuwingen is echter gebleken, dat de gevaren van zijn filosofie te groot waren, zelfs al in zijn eigen tijd.

7. Hoe dan onderwijs?

Als we Bavincks visie niet kunnen delen, hoe lossen we dan de vragen op die we eerder stelden? Bavinck gaf duidelijke antwoorden. De wereld kan en mag bestudeerd worden omdat het Gods wereld is en de bekering moeten we veronderstellen. Daardoor is de onderwijsfilosofie van Bavinck ook zo stimulerend en motiverend; alle remmende vragen zijn uit de weg geruimd. Maar hoe is onze visie dan? Het wordt tijd dat er in onze kring meer duidelijkheid over deze zaken komt voor we verzeild raken in te grote tegenstellingen binnen de school, waarbij sommigen kiezen voor een optimistischer cultuurvisie en neigen naar een veronderstelde wedergeboorte of in ieder geval de verbondsgedachte overaccentueren, terwijl anderen zich daar tegen afzetten. Misschien dat de discussie rond het schoolwerkplan een polarisatie kan voorkomen. In die discussie zou de filosofie van Bavinck geen slecht uitgangspunt zijn; vandaar enige persoonlijke opmerkingen:

a. Bavinck wilde geen gespletenheid in zijn denken en zijn kijk op de cultuur is zeker niet neutraal te noemen. Geloof en wetenschap probeert hij te verbinden. Hij besefte dan ook dat zonder de veronderstelde wedergeboorte, zijn onderwijs verlamd zou worden. Bavinck wilde die rem duidelijk niet. Omgekeerd, als wij de veronderstelde wedergeboorte niet willen leren geeft dat een rem op ons (onderwijskundig) handelen. Ons past daarom schroom t.a.v. de dingen van deze wereld, alleen al omdat de redding van het eeuwig verderf in belang voorop gaat. Wie de matigheid niet in acht neemt handelt dubbelzinnig.

b. Als we de zonde niet willen verdoezelen, en tegelijk beseffen dat het alle structuren van de samenleving doorwoekerd heeft, zodat de zonde soms onherkenbaar verpakt is, hebben we nog een rem ingetrapt. Immers, wie zich met de cultuur inlaat, maakt altijd vuile vingers. Wie durft er dan nog onderwijs te geven in deze bedorven wereld? Het kan alleen met grote voorzichtigheid, eigenlijk alleen in de vreze Gods en in diepe afhankelijkheid van de Heere, Die ons deze woestijnreis laat maken om, als de Heere het geeft, het hemelse Kanaan te doen bereiken (Hebr. 3 : 17-19).

c. We kunnen niet om de cultuur en de wereld heen, want we leven erin en totale isolering is onmogelijk. Op z'n minst zullen we er kennis van moeten nemen om ons ertegen te wapenen en om erin te leven. En dan is er bovendien nog veel dat de Heere ons in Zijn goedheid heeft overgelaten. Maar als we ons er dan mee inlaten, dan wel onder de voortdurende kritiek van de christelijke leer. In houding en woorden zal moeten blijken door welke bril wij de werkelijkheid bekijken. Op de scholen zal de leerlingen deze levenshouding t.a.v. kunsten en wetenschappen, arbeid en spel kunnen worden aangeleerd en dat vereist een zelfde levensinstelling van hen die het onderwijs geven.

d. Praktisch zouden we van Bavinck kunnen leren dat we het onderwijs meer "organisch" kunnen inrichten. We behoeven zijn filosofie niet totaal te aanvaarden om er wijzer van te worden. Een organische inrichting van het onderwijs betekent dat er niet alleen overeenstemming moet zijn tussen huis, kerk en schooP')> maar ook dat de vakken in een organische verbondenheid gebracht moeten worden^^) en het vak zelf in organische samenhang

onderwezen dient te zijn"). Bavinck heeft het zelfs over een organische visie op het kind, met al zijn vermogens en krachten en concludeert daaruit de noodzaak van aanschouwelijk onderwijs en de zelfwerkzaamheid van het kind. De neutrale school, zo zegt Bavinck, heeft geen eenheid, geen centrum, geen organische gedachte in haar onderwijs. Ze biedt een aggregaat van kundigheden, maar mist als neutrale school een organische beschouwing van wereld en leven^"). Hij gaat echter wel heel ver als hij zegt dat het licht van het christendom over de werkelijkheid van het leven een glans verspreidt van Goddelijke heerlijkheid^'). M.i. kunnen we van het bovenstaande leren dat onze vakken op school meer met elkaar in verband gebracht moeten worden. Vooral de leerlingen in het voortgezet onderwijs worden ieder uur weer in een ander vakje geduwd en zien geen lijnen lopen tussen de vakken onderling. Ik zou willen pleiten voor een meer thematisch, vakken doorbrekend programma en dat niet zozeer vanwege een of andere organische filosofie, als wel om didactische redenen. Wie meer wil weten over Bavincks praktische uitwerking, leze het boeiende hoofdstuk IV uit Paedagogische Beginselen.

Wat baat het een mens zo hij de gehele wereld gewint, maar lijdt schade zijner ziel? Het moet de achtergrond zijn van onze opvoeding. Het bewaart voor loos optimisme en het hoeft het onderwijs toch niet te verlammen. De man en de vrouw voor de klas staat voor de moeilijke taak het één niet ten koste te laten gaan van het ander. De wereld moet onderhouden worden tot de laatste dag en bekering tot God is onmisbaar; een spanning die ons als reizigers op weg naarde eeuwigheid eigen moet zijn en die in beginsel om een oplossing in dit leven vraagt. Wij moeten wedergeboren worden.

Drs. P. van Ruitenburg

NOTEN:

1) Zie voor Bavinck als pedagoog: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten Kampen 1966, hoofdstuk 12. 2) H. Bavinck, Bijbelse en Religieuse Psychologie, Kampen 1920, blz. 215. 3) Idem blz. 202 (afgekort als BRPs). 4) H. Bavinck, Christelijke Wetenschap, Kampen 1904, blz. 31. 5) Idem blz. 95. 6) BRPs. blz. 110. 7) BRPs. blz. 186.

8) Over het Koninkrijk Gods bestaan de meest vreemde opvattingen. Velen spreken tegenwoordig over het "reeds" en "nog niet", alsof het Koninkrijk gedeeltelijk al op aarde gesticht zou zijn. H. Ridderbos e.a. ontleenden deze gedachte aan O. Cullmann. We doen er beter aan het hele N.T. in ogenschouw te nemen en dan blijkt dat het Koninkrijk Gods nu nog in de hemel is (Openb. 21), als vertegenwoordiger op aarde de Heere Jezus heeft gehad (Luk. 17 : 21) en op de aarde onderdanen heeft, die het eens beërven zullen (Luk. 23 : 42, 43).

9) Zie voor het begrip "organisch" J. Veenhof Revelatie en Inspiratie, Amsterdam 1968. Ds. G.H. Kersten nam het begrip overt.a.v. de inspiratie. De grote moeilijkheid is dat de theorie niet aangeeft in hoeverre de menselijke geschiedenis opgenomen kan zijn in het proces van de openbaring. Het schriftrapport van de Gereformeerde kerken kan dan ook gemakkelijK op Bavinck terugvallen.

10) H. Bavinck, Paedagogische Beginselen, Kampen 1904, blz. 138 (afgek. PB). 11) BRPs 43.

12) H. Bavincks, Van Schoonheid en Schoonheidsleer, in: Verzamelde Opstellen, Kampen 1921, blz. 280. 13) J. Veenhof a.w. blz. 438 e.v.

14) BRPs 199/200. 15) PB. 86. 16) PB. 86. 17) PB. 86. 18) BRPs. 87. 19) W. Boyd, Geschiedenis van Onderwijs en Opvoeding, Londen 1964 (Ned. vert.), biz. 283 20) BRPs 187. 21) PB. 109. 22) PB. 89. 23) PB. 90. 24) BRPs. 120. 25) BRPs. 188. 26) PB. 50. 27) PB. 49. 28) PB. 91, 92. 29) Zie voor verdere studie BRPs. 217 e.v. 30) De Bazuin, jrg, 1900 no. 50. 31) PB. 168. 32) PB. 170. 33) PB. 171. 34) PB. 170. 35) PB. 171.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 mei 1982

De Reformatorische School | 52 Pagina's

ENKELE OPMERKINGEN OVER DE ACHTERGROND VAN HERMAN BAVINCKS PEDAGOGIEK

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 mei 1982

De Reformatorische School | 52 Pagina's

PDF Bekijken