Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geseculariseerd onderwijs?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geseculariseerd onderwijs?

Bezinning-Achtergrond

23 minuten leestijd

Inleiding

De opmerking is juist, dat in mijn vorige artil< el over Bavincl< (10e jrg. no. 5 - mei 1982) meer werd bel< ritiseerd en afgebrol< en, dan dat er iets positiefs tegenover stond. Ik wil een voorzichtige poging wagen, dat goed te maken. Het blijft wel bij een voorzichtige poging want het is veel gemakkelijker zwakke punten aan te geven in het betoog van een ander, dan zelf oplossingen te geven. Toch wil ik ook nu kritisch starten, hoewel ik besef het gevaar te lopen in dezelfde fout te vervallen. Hoe exacter echter wordt aangegeven, wat o.i. in het denken van Bavinck over de schreef gaat, hoe gemakkelijker het is duidelijk te maken, wat onze uitgangspunten zijn. Naonze positie bepaald te hebben, willen we een begin maken met het doordenken van enkele vragen, die dan op ons af komen.

Bavinck en 1 Joh. 2:15

"Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem." Bovenstaande tekst heeft Dr. H. Bavinck enig denkwerk bezorgd. Wil je onderwijs kunnen geven voor het leven, dan kun je immers niet om de wereld heen en de wereld bepaalt toch grotendeels de inhoud van de te doceren vakken. Als je bovenstaande tekst leest, zou je de indruk krijgen dat je amper liefde voor je ("wereldse") vak mag hebben. Hoe legt Bavinck deze tekst uit en hoe rijmt hij dat met zijn onderwijsfilosofie? Hoe is het voor hem mogelijk volop in de onderwijswereld te staan zonder de wereld lief te hebben?

In zijn boek Bijbelse en Religieuze Psychologie geeft hij antwoord. Hij zegt datje onder "wereld" hier de "zondige wereld" moet verstaan; niet de wereld op zich, maar de wereldzoalszedoordezonde verwoest en bedorven is^). Het gaat niet om de wereld in de fysische, maar in de ethische betekenis. Hij wijst dan op het volgende vers, waar het woord "wereld" weer terugkomt en verbonden wordt met "begeerlijkheid des vleses", "begeerlijkheid der ogen" en "grootsheid des levens". Deze drie categorieën identificeert hij met de "wereld" van vers 15. Volgens Bavinck wil de apostel dus zeggen dat je de begeerlijkheid etc. niet mag liefhebben.

Ziet Bavinck dat juist? Niemand zal denk ik durven beweren dat de wereld inzoverre het de materie betreft, in zichzelf zondig is. We zouden dan in de buurt komen van Marcion en andere dualisten. Niemand hoeft een afkeer te hebben van het stoffelijke, want eenmaal zal er ook een stoffelijke nieuwe wereld worden geschapen. Te zeggen dat met "wereld" h Ier de wereld wordt bedoeld inzoverre ze door de zonde is verwoest, is echter het andere uiterste. De apostel zou dan in feite niet meer zeggen dan dat we de zonde moeten haten. Moeten we geen andere parallel trekken dan Bavinck? Hij zegt dat "wereld" en "begeerlijkheid" aan elkaar gelijk zijn. Moet dat niet zijn: "het liefhebben van de wereld" en "de begeerlijkheid"? De wereld op zich kan best goed zijn, maar het liefhebben van de wereld is verkeerd! Als je het zo leest - en ik dacht dat het moeilijk

anders kan - gaat het misschien toch ook om de fysische wereld en zeker niet alleen om de wereld inzoverre die bedorven is. Ook op andere plaatsen is "begeerlijkheid" juist het haken naar de dingen van de wereld en de lust naar alles wat je naar je toe kunt trekken. Je hele menselijke bestaan jaagt naar de wereld. Het is te gemakkelijk om hier "wereld" te reduceren tot een ethisch begrip.

Je zou kunnen tegenwerpen dat de apostel Johannes het woord "wereld" altijd gebruikt in een negatieve zin. Dat is inderdaad juist, maar dat betekent nog niet dat het woord slechts een ethische inhoud heeft. Het gaat in vers 17 toch ook om de wereld zoals we die voor ogen zien en in Joh. 3:16 is de inhoud toch fysisch? Of zou er in vers 17 staan dat de zonde voorbij gaat en niet deze wereld? Wil Johannes niet juist zeggen dat we deze wereld niet moeten liefhebben en verabsoluteren omdat ze toch voorbij gaat? Spreekt Matth. 10 : 37 ook niet

over het liefhebben? "Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is IVlijns niet waardig". En staat het niet nog sterker in Luk. 14 : 26: "Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders en zusters, ja ook zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn". Of zou je hier soms moeten lezen: "je vader en moeder haten inzoverre zij doordezonde verwoest en bedorven zijn"? Ik geloof dat we moeten concluderen dat Bavinck met zijn uitleg een uitvlucht heeft gezocht. Hij maakt het woord wereld zo zondig, dat je met de uitspraak dat je de wereld niet lief mag hebben, in feite niets meer gezegd hebt.

Intussen hebben we gesuggereerd dat Bavinck niet zo graag van de wereld los wil en dat zien we ook op andere plaatsen in zijn werk. Voor Bavinck is er ook geen enkele reden om los te komen van de wereld, want de wereld is, evenals de mens, aan God verwant. Hij heeft Zichzelf erin gelegd en is immanent. Het ontbreekt er nog net aan dat hij de aarde niet goddelijk noemt, maar hij komt er wel erg dicht bij2). Voortbordurend op wat ik de vorige keer over Bavinck schreef, wil ik vanuit twee invalshoeken nog wat verder uitdiepen hoe Bavinck tegen de wereld aankijkt. Die vraag is immers een van de wezenlijke grondvragen voor zijn pedagogiek.

De wereld en het zondige

In het voorgaande zagen we dat Bavinck de wereld wel lief wil hebben. Als schepping is deze aarde immers Gods wereld en hoewel de zonde een grote verstoring heeft gebracht is er toch nog de beteugelende algemene genade. Lyrisch kan hij spreken over Gods voortdurende openbaring, die steeds rijker wordt. Geschiedenis en cultuur zijn instrumenten in Zijn hand om Zich steeds heerlijker aan ons te tonen. Daarom kan hij er echt geen kwaad in zien als je de wereld als zodanig bemint. Het is zelfs je dure plicht daaraan mee te werken.

Zondeen wereld drijft H. Bavinck een beetje uit elkaar. "De zonde ligt op het terrein van het zedelijke leven, niet op dat van de physische natuur, en ook niet op dat van het intellectuele en aesthetische leven. Ze kan daar wel op inwerken, maar is in oorsprong van ethischen, zedelijken aard^). Daar heeft hij natuurlijk ook gelijk in. Maar wat hebben we daaraan? Zodra de mens erbij komt is het gedaan met alles waar hij zich maar mee bezig kan houden. Of het nu op zich goed is of niet, de mens bezoedelt het

wel. Daarom kunnen wij wel tegenovereen zondeloze wereld staan, maarwe kunnen er ons niet zondeloos mee in laten. De reserve waar de apostel liet over heeft komt voort uit een realistisch denken over de mens en is geen pessimisme ten opzichte van de wereld op zich. Door al maar te benadrukken dat de fysische wereld niet de zetel van de zonde is, wekt Bavinck de indruk dat je er dan ook wel vrij mee om kunt gaan. Hoe ernstig hij soms over de zonde spreekt in de mens, die hem aangetast heeft in de verborgenste roerselen des harten en uit het innerlijkste en binnenste van zijn natuur voortkomt"), toch lijkt hij dat te vergeten als de mens tegenover de wereld staat.

Waarom riep de apostel der liefde op de wereld te haten? Het is omdat wij het tiende gebod alleen nog maar overtreden, omdat wij allen eerrovers Gods zijn. Tussen ons en de fysisch "neutrale" wereld moet een afstand blijven, omdat de praktijk is dat we een beestachtige liefde hebben voor die wereld^). Het mag weliswaar ook geen ondankbaarheid worden jegens God, maar - zo zegt Calvijn - de gelovigen moeten zich wel gewennen aan een verachting van dit leven^). Dan vaart Bavinck toch een andere koers dan de reformator, als hij zegt dat we alle gaven onbevooroordeeld en or\hevangen moeten waarderen'). Dr. W.H. Velema heeft weliswaar voorzichtige kritiek op Calvijn, maar geeft hem toch voortreffelijk weer als hij zegt: "Misschien moeten we de oorzaak meer zoeken in de gelovige dan in de wereld. Het leven is in zich niet zondig. Maar de gelovige kan niet leven zonder zondig te zijn.... de gelovigen zelf kunnen vrijwel niet anders dan leven in de zonde, zolang zij in dat aardse bestaan verkeren. Dat is naar onze mening de oorzaak van de negatieve benadering van dit leven. Daarom wordt de gelovige opgeroepen tot verachting van dit leven"»)

Het verschil tussen Calvijn en Bavinck is voornamelijk te wijten aan hun verschil in inzicht over de verhouding zonde en genade. Bij Bavinck is hier op aarde de zonde reeds verdrongen door de genade. De algemene en bijzondere genade stellen de geestelijke mens in staat onbevangen tegenover de wereld te staan. En de bijzondere genade staat dan misschien nog wel voorop. Hij zegt dat mensen gevormd moeten worden tot mensen Gods, die Gode toebehoren, die Zijn kinderen zijn, en die daarom vrij en onafhankelijk staan tegenover de ganse wereld^). En ook de algemene genade is van belang. Je krijgt het gevoel dat die genade in deze bedeling al zo overweldigend op ons af komt, dat het ontkennen ervan in de buurt van heiligschennis komt. Wie de wereld niet wil omhelzen en aan het hart drukken, wil - naar het gevoel van Bavinck - Gods algemene genade, waarin Hij Zich steeds rijker openbaart, niet erkennen. Zo is zijn visie op de zonde totaal in de schaduw gekomen van wat hij algemene genade noemt.

Het is niet helemaal duidelijk hoe Bavinck over de zonde denkt. Enerzijds noemt hij het een "gemis", dat mens en wereld doortrekt. Anderzijds is het kwaad een grootheid die nog weg te denken is. Bavinck komt daarmee in de buurt van A.A. van Ruler, die de zonde bewust niet wil zien als iets wat de mens is kwijtgeraakt, maar als iets wat hij erbij gekregen heeft. "Verlossing" is dan van die last verlost te worden. Het lijkt misschien subtiel, maar hij formuleert het juist zo, omdat je met die "verlossing" dan weer gewoon overhoudt wat het eerst was, in de staat der rechtheid. Per definitie wordt de mens dan door de verlossing in de schepping teruggezet, zelfs in haar gevallen staafo). Een consequentie van dat denken was voor Van Ruler, dat hij het kijken naar

een voetbalwedstrijd "heiliging" l< an noemenii). In diezelfde richting tendeert ook Bavinck. Hij zou het laatste van Van Ruler zeker niet voor zijn rekening hebben genomen, maar hij ziet in deze wereld ook iets van de pure schepping terug, zonder de bezoedeling van de mens. Omdat zonde en wereld "los" van elkaar staan, mag de wereld worden bemind. En om nog even op Van Ruler terug te komen; het is alsof hij zijn hand op de vlek der zonde kan leggen, om zo alleen oog te hebben voor het pure. Dat kan hij omdat de zonde iets is, dat erbij is gekomen. Dit kon hem zo'n grote vreugde geven in het bestaan als zodanig, met zo weinig onlustgevoelens t.o.v. wat er te genieten valt in het heden en met zo weinig pelgrimagespirit, dat hij daarin kon wedijveren met de meest fervente horizontalisteni^). Zelfs iemand als de kritische A.H.J. Gunneweg moet hiervan zeggen: "Het ontkent de diepte van de schuld en de zondeen blijft, nog afgezien van hetnieuwtestamentischegetuigenis, ver achter bij het radicale zondebegrip van de bijbelse "oergeschiedenis" in de eerste elf hoofdstukken van Genesis" 13)

De wereld en het Koninkrijk

Op dezelfde manier als bij het vorige, zien we dat de lijnen die Bavinck trok t.a.v. het Koninkrijk, door Van Ruler zijn doorgetrokken en duidelijker uitgesproken. Met nadruk zeggen we van te voren dat de visie van Van Ruler niet helemaal op de rekening van H. Bavinck is te zetten, maar wel heeft hij zelf al in die richting gedacht.

Vanwege de algemene openbaring kan Bavinck spreken overeen steeds voortdurende ontwikkeling van de verrijking des levens^") en het is dan ook geen wonder dat hij die ontwikkeling aan het einddoel van de wereld koppelt. "Eens zal alles in alle harmonie hersteld worden, wat hier op aarde aanwezig was, zonder dat we het zagen", schrijft hiji5). En: "Alle schoonheid die nog door het chaotische in de wereld heenschijnt, is profetie en onderpand, dat deze wereld niet voor het verderf, maar voorde heerlijkheid is bestemd" ^s). Daarmee wil hij niet zeggen dat wij mensen zelf mee kunnen helpen om het koninkrijk tot stand te brengen, maar wel dat God het steeds meer gestalte geeft en de geschiedenis naar haar einde laat evalueren. Nu is de geschiedenis niet uitsluitend als evolutie te verstaan, maar gaan de lach en de traan samen^^). Straks zal de traan ook verleden tijd zijn als God de laatste hand legt aan deze wereld. Bavinck zegt dat deze wereld in wezen bewaard wordt op de oordeelsdag en net als de mens herschapen en niet vernietigd'^).

Bavinck denkt liever in termen van vernieuwing dan van nieuwe schepping en legt de nadruk op de continuïteit. Waar het ons op dit moment om gaat is echter iets anders, hoewel het daar veel mee te maken heeft. Belangrijk is of deze wereld daar nü al naartoe groeit; of het werk Gods op aarde al een gedeeltelijke realisatie is van het komende Koninkrijk. Is dat inderdaad het geval, dan betekent dat immers dat wij deze aarde veel positiever kunnen bekijken dan wanneer dat niet het geval zou zijn. Voor Bavinck is het antwoord bevestigend. Nu reeds ziet hij de contouren van de nieuwe wereld doorschemeren. Het goede wat ons is overgelaten en steeds wordt toegevoegd, is profetie en onderpand van het feit dat deze wereld voor de heerlijkheid is bestemd'^). Logisch dat Bavinck 1 Joh. 2 : 17 ook een ander woord "wereld" wil opdringen dan helemaal verantwoord is. Als er staat dat deze wereld voorbij gaat met haar begeerlijkheid, wil hij lezen dat het "wereldse" voorbij gaat. Weer geeft hij een zogenaamde ethische lading aan het woord, net zoals twee verzen eerder. Maar ook hier zou de apostel dan weer een vreemde woordovertolligheid hanteren. Het "wereldse" zou dan voorbij gaan en haar begeerlijkheid^o). Van Ruler zegt het nog iets krasser en ziet in een vloeiende lijn de wereld naar haar voleinding lopen. Dat maakt hem zelfs zo optimistisch dat hij deze wereld al als een verloste wereld ziet. Juist omdat het de goede kant opgaat kan hij desnoods op zondag intens genieten van het voetbalspel. Een optimisme, waar we ook bij Bavinck iets van zien.

Bavincks denken over de algemene genade heeft een vervolg in zijn denken over de toekomst. Deze wereld is en blijft Gods wereld en wordt niet alleen onderhouden maar ook verrijkt met het oog op de toekomst. Geen wonder dat Bavinck tot de conclusie komt dat we ons met de wereld moeten bezig houden en van enige reserve geen sprake mag zijn. Naar onze mening is voor dit laatste in de Schrift onvoldoende grond en komt dit alles meer voort uit de organische filosofie en het menselijk optimisme.

Samenvatting en uitgangspunt

De wijze waarop Bavinck spreekt over algemene genade, zonde en toekomst, noopt de handen uit de mouwen te steken om ingeschakeld te worden in Gods plan van verrijking en voltooiing van geschiedenis en cultuur. Voor het onderwijs en de wetenschap is dat uiteraard van grote betekenis. Mensen moeten gevormd worden tot mensen Gods, tot alle goed werk volmaakt toegerust, want het gaat om de wereld^^). Het gaat te ver als we zeggen dat Bavinck het onderwijs seculariseert. Theoretisch is zelfs het tegenovergestelde het geval. De mens Gods moet aan het werk in Gods wereld en mag dat doen dankzij algemene en bijzondere genade. Toch is de praktijk anders. Omdat iedereen - zoals Calvijn zei - een beestachtige liefde heeft voor de wereld, ook na ontvangen genade, ontspoort de praktijk in het allereerste begin. Bovendien zit het kwaad zo diep in de mens dat hij maar beter kan beginnen met de wereld te "verachten". Misschien dat hij dan nog een beetje zijn plaats weet. Ook zien we nergens aanwijzingen in de Schrift dat het steeds beter gaat met de wereld, integendeel. De wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die de wil van God doet blijft In der eeuwigheid.

Het uitgangspunt voor opvoeding en onderwijs, dat we moeten innemen is niet zo gemakkelijk te bepalen. De vorige keer heb ik Iets proberen te zeggen over de plaats van de wedergeboorte. Ons standpunt t.o.v. de wereld is echter wel zo belangrijk. Naar onze mening Is de mens met de wereld zo diep van God afgevallen, dat er geen redden meer aan Is. Het doet de schepping zuchten en steunen naar de wederkomst en Gods kinderen verlangen naar de verlossing van hun lichaam (Rom. 8 : 22, 23). Dat moet ons de wereld doen "verachten". Gelukkig Is deze wereld een voorlopige wereld en hoewel we de aarde nog moeten onderhouden, zal ertoch een einde aan komen. Dan zal er een nieuwe wereld worden geschapen en of daarin nog iets herkend kan worden van onze wereld is niet te beantwoorden. Er over te speculeren en de hoop uit te spreken dat wij ook ons steentje mogen bijdragen. Is zinloos. De Schrift zwijgt erover. Het is pompen, met alle macht pompen, om een zinkend schip nog even uit de golven te redden, zodat de overlevenden bijtijds kunnen overstappen. Zolang deze wereld bestaat, hebben we daarom onze taak. Techniek, arbeid, wetenschap, opvoeding, ontspanning en noem maar op, is noodzakelijk om dat doel te bereiken. De opdracht deze wereld te bewaren en te bebouwen is ons geboden en met verdriet zien we de schepping haar ondergang tegemoet gaan. De elementen zullen branden en vergaan en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden (2 Petr. 3 : 10). Het gehavende schip predikt onze schuld en genade leert onze taak te verstaan om te redden wat er te redden valt van de levende bemanning. Niet voor niets zijn zending en evangelisatie zo belangrijk In de kerk.

Duaiisme en tweespait?

Het verachten van de wereld en het verstaan van onze taak naast elkaar geplaatst, doet een spanning ontstaan. Van Ruler heeft dat genoemd "de verscheurdheid van Calvijn"22). In zijn artikel "Ultra gereformeerd en vrijzinnig" laat hij zien vreselijk beducht te zijn voor die tweespalt. Hij vindt het gevaar erg groot te verzanden in ultragereformeerde eenzijdigheid. De neiging alleen al naar een niet voldoende respecteren van de schepping noemt hij ketterij23). Het is dan ook niet overbodig ons af te schermen

naar de andere kant, hoewel de benaming "ketterij" wat overdreven is. Het blijft onze taak de schepping te respecteren. Met alle macht moeten we de wereld bewaren. Al is deze aarde met haar inwoners ongeneeslijk ziek, daarom hebben we nog niet het recht haar leven te bekorten. Tot het einde toe hebben we haar levend te houden. Maar het is inderdaad een tweespalt of zo u wilt een dualisme. Maar dan wel een bijbels dualisme, dat o.a. ook door Calvijn is verwoord. Als je hoofdstuk IX en X van boek III uit de Institutie leest, voel je die "verscheurdheid". En ook de reformator zag dat uitglijden naar de ene of de andere kant erg gevaarlijk is. Daarom geeft hij een raad: "Maar geen weg is zekerder of meer gebaand, dan die zich voor ons opent door de verachting van het tegenwoordige leven en de overdenking van de hemelse onsterfelijkheid. Want daaruit volgen twee regels, namelijk datzij, die deze wereld gebruiken, zo gezind zijn, alsof ze haar niet gebruiken, die

vrouwen huwden, alsof ze haar niet huwden, die kopen, alsof ze niet kochten, gelijk Pau lus leert (1 Cor. 7 : 30 e.v.). Vervolgens dat ze het gebrek evenzeer kalm en lijdzaam als de overvloed matig weet te dragen" 2"). Zo'n dualisme hebben we ook nodig voor het onderwijs en de opvoeding. Het gaat niet om deze wereld, maar we moeten er wel ons werk doen. De wetenschap en de cultuur mag ons niet mateloos boeien, maar we kunnen en mogen niet zonder. Geen onbevangenheid en vrijheid t.a.v. de wereld, maar reserve en matigheid omdat de dingen van de eeuwigheid ons zwaar wegen.

Zinvoile arbeid?

Waar doe je het voor? Op het eerste gezicht een goddeloze vraag, maar ik kom hem toch nog wel eens tegen. Als ons werk niet meetelt voor de eeuwigheid en deze wereld toch vergaat, waarom doen we het dan? Om met H. Bavinck te beginnen; voor hem is deze vraag al beantwoord. Het telt wel mee, ook al weten we niet precies hoe en we werken dus mee aan de herschepping. Maarwelk antwoord geven wij? Calvijn gebruikt in boek lil, hoofdstuk X, paragraaf 1, twee belangrijke woorden. Het gaat in de eerste plaats om de "noodzaak" en in de tweede om "genieten". Wat het eerste betreft; het leven is noodzakelijk. Wil de wereld in stand blijven tot de laatste is toegebracht, dan moet er wat gebeuren. We kunnen niet alles op zijn beloop laten. Maar hoe dat noodzakelijk is, weten wij dikwijls niet. Wij kunnen moeilijk uitmaken wat wel of niet perse nodig is. Waarom zouden we ook overal een antwoord op moeten hebben? Zijn er niet zoveel vragen in het leven, waarop we de antwoorden schuldig moeten blijven? Waarom sterven er zulke jonge mensen; waarom zijn er oorlogen en aardbevingen? Waarom is er voorspoed bij de goddelozen? Wij weten het niet. Misschien dat in de eeuwigheid nog eens vragen opgelost worden. En daarom vraagt de Heere ons te leven, deze aarde te bebouwen, ons te vermenigvuldigen en ons te ontspannen. Kritisch en gereserveerd mogen we onze gaven ontplooien en deze aarde gebruiken. En dat er een

flinke domper op komt te staan, omdat deze aarde zal vergaan, is alleen maar realiteit. Een realiteit die je niet wegwerkt, door er maar optimistischer over te gaan denken.

Zinvol genieten?

En mag je dan soms ook niet meer genieten? Zijn sport en spel, kunsten en wetenschappen, arbeid en rust dan niet de moeite waard? Gods Woord is daar niet karig in. Met reserve en matigheidmagallesgenoten worden, wat God in Zijn goedheid op deze aarde heeft overgelaten. Het Is een gave die we weliswaar erg snel annexeren en exploiteren, maar toch als gave bedoeld is om in deze chaotische wereld als rustpunt te dienen. Misschien heeft het genieten zelfs meerwaarde dan we dachten. Calvijn zegt dat alles in dit leven of de noodzaak of het genot moet dienen. De maat daarvan wordt bepaald door de wetenschap dat we slechts op reis zijn in de woestijn naar het hemelse Koninkrijk25). ln Gods goede gaven zien we ook Wie Hij is en wij mogen Hem erom eren. Misschien heeft het genieten zelfs een symbolische betekenis. Zoals het land Kanaan heenwees naar het land van de rust (Hebr. 4) en de Israëliet mocht genieten van zijn wijnstok en vijgeboom om daarmee hogerop te zien, zo kan het goede dat ons is overgebleven ook heenwijzen. Maar Kanaan is niet het hemelse Kanaan zelf. Het is er maar een pover voorbeeld van en alle goede gaven zijn onvergelijkbaar met wat er komen zal. Bavinck en Van Ruler zien meer continuïteit. Naar onze mening is het als bij het sacrament van het Heilig Avondmaal. Brood en wijn wijzen heen naar Christus, maar zijn niet de Christus zelf. Zo is ook het aardse genieten niet het hemelse. Wie de aardse gaven ziet als werkelijke voorboden van het Koninkrijk, denkt om zo te zeggen rooms. Hij doet alsof het brood het Lichaam Zelf al is.

Geloof nodig?

Hoe gevaarlijk om zonder geloof tot het Heilig Avondmaal te gaan. Even gevaarlijk is het te genieten van het aardse leven, zonder hogerop te zien. Dan eet en drink je jezelf een oordeel aan deze wereld en verzelfstandig je de gaven zo, dat de Gever uit het oog wordt verloren. Zonder geloof is het immers onmogelijk Gode te behagen.

Je hoort daar nog wel eens bezwaar tegen aantekenen. Sommigen vinden het gevaarlijk zo op de noodzakelijkheid van het geloof te wijzen. De spanning kan dan zo hoog oplopen en de noodzaak om geloof te bezitten kan dan zo zwaar worden, dat het komt tot een ongeoorloofd "grijpen" van het geloof. Ik voel daarin mee. De geschiedenis van Nederland heeft het geleerd. Voor dat gevaar moeten we inderdaad beducht blijven. Toch mag je om die reden geen stap terug doen. Het aanbod van genade kan ook zijn slachtoffers maken en de eis om met een waarachtig hart belijdenis des geloofs af te leggen kan ook ontsporen, maar dat is geen reden om de waarheid en het bevel Gods tekort te doen. Ontsporing van die opgewekte spanning kan slechts voorkomen worden door een bijbelse en dus

bevindelijke prediking van Gods genade, w/aarmee duidelijk wordt wat geloven is in het leven van Gods kinderen. Maar de eis moet helemaal overeind blijven. Anders komen we toch weer terecht in een ongeoorloofd dualisme. Dan mag je met bijna alles bezig zijn zonder geloof en is geloof toch ook nodig. Dan kun je toch weer onbelemmerd met alles bezig zijn en is de vroomheid voor de zondag. Nee, ons arbeiden, studeren en ontspannen is walgelijk voor God als het niet is in de kinderlijke vreze des Heeren en het is de daaruit ontstane spanning, die Gods kinderen wel eens moe doet zijn van de zonde en van zichzelf: te moeten en zelf niet te kunnen.

Geseculariseerd onderwijs?

Bavinck heeft geen onderwijs voor ogen gehad, dat gericht is op de wereld en het eeuwig zieleheil op de achtergrond schuift^s), net zo min als Kuyper met zijn veronderstelde wedergeboorte bedoeld zal hebben wat er later van gemaakt is. Het is beide wel oergevaarlijk. Alle beletselen worden weggenomen om bezit te nemen van de wereld. Bijzondere en algemene genade moeten de onmogelijkheid van de zonde wegnemen en zo wordt in de praktijk de secularisatie in de hand gewerkt. De Vrije Universiteit laat ons zien wat ervan komt: een geweldig optimisme t.o.v. de wereld, secularisatie met een godsdienstige saus. Die kant moeten wij niet op. Ons pedagogisch denken en handelen moet gekenmerkt worden door de "gespletenheid" van Calvijn. Ten diepste willen we daar geen van allen aan, maar de Heere kan ons leren daarmee te leven.

Drs. P. van Ruitenburg.

NOTEN:

1. H. Bavinck, Bijbelsche en Religieuze Psyctioiogie, Kampen 1920, (BRPs) biz. 110. 2. Zie aanhalingen in DRS mei 1982, bIz. 232/233. 3. BRPs. 115. 4. BRPs. 120 en H. Bavinck, Paedagogische Beginseien, Kampen 1904, (PB) bIz. 89, 90. 5. J. Calvijn, institutie, boek III, h. IX, pag. 1. 6. idem par. 3. 7. BRPs 187. 8. W.H. Velema, Ethiel( en Pelgrimage, Amsterdam 1974, bIz. 34. 9. PB 49, 50. 10. A.A. van Ruler, Ttieologiscti werl< , Nijkerk 1971, deel lil, biz. 142. 11. idem 140. 12. C. Graafland, lezing in Solanaal 74/75 bIz. 49. (gehouden voor C.S.F.R. Utrecht) 13. A.H.J. Gunneweg, Vom Verstellen des Alten Testaments Göttingen 1977, bIz. 98 (vertaling) 14. Bv. H. Bavinck, Christeliil< e Wetenschap, Kampen 1904, biz. 31. 15. H. Bavinck, Beginselen der Psychologie, Kampen 1897, bIz. 115. 16. H. Bavinck, Van Schoonheid en Schoonheidsleer, in Verzamelde Opstellen (SeS) Kampen 1921, bIz. 280. 17. BRPs 188. 18. H. Bavinck, l-landleiding bij het onderwijs in den christelijken godsdienst bIz. 241. 19. SeS 280. 20. H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiel(, Kampen 1906, bIz. 699 van deel IV. 21. A.A. van Ruler bIz. 140. Van Ruler durft het aan om te zeggen dat het om de wereld gaat en niet om Christus. Christus is alleen een middel, de noodmaatregel voor de wereld. 22. idem 143. 23. idem 138. 24. Institutie III, X, 4. '' 25. idem III, X, 1. 26. PB 47.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Reformatorische School

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983

De Reformatorische School | 68 Pagina's

Geseculariseerd onderwijs?

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983

De Reformatorische School | 68 Pagina's

PDF Bekijken