Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Anti-discriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht en Algemene wet gelijke behandeling

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Anti-discriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht en Algemene wet gelijke behandeling

Parlementair

12 minuten leestijd

Tijdens de kabinets(in)formatie na de Tweede Kamerverkiezingen van 21 mei 1986 was het onderwerp "gelijke behandeling" een belangrijk geschilpunt tussen het CDA en de VVD. In het regeerakkoord 1986 van het kabinet-Lubbers wordt onder de rubriek "Gelijke be­

handeling" o.m. gesteld, dat voorstellen zullen worden ingediend tot uitbreiding van de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot discriminatie ten aanzien van groepen en individuen, waarbij met name gedacht wordt aan de artikelen 137c, 137d en 137e, zomede de artikelen 429ter en 429quater

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht

De Tweede Kamer is op 24 september 1987 een voorstel van wet houdende aanvulling van het Wetboek van Strafrecht aangeboden. Verschillende bepalingen in het Wetboek van Strafrecht worden in het wetsvoorstel aangescherpt teneinde discriminatie wegens ras, geslacht of seksuele gerichtheid beter te kunnen bestrijden. In de bepaling waarin het openlijk beledigen van mensen wegens hun godsdienst, levensovertuiging en ras strafbaar gesteld is (art. 137c) wordt ook het begrip seksuele gerichtheid opgenomen. Dit begrip en ook geslacht wordt toegevoegd aan artikel 137d, waarin het openlijk aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen strafbaar gesteld is. Geslacht en seksuele gerichtheid zullen ook worden opgenomen in het artikel waarin het open­ baar maken dan wel verspreiden van beledigende of discriminerende uitlatingen strafbaar is gesteld. Door deze aanvullingen worden de mogelijkheden om discriminatie van vrouwen en seksuelen te bestrijden vergroot. Ook zal naar het oordeel van de Minister van Justitie agressie tegen deze groepen beter kunnen worden tegengegaan.

Voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras is vooral ook van belang, dat in artikel 137e, behalve het verspreiden van voorwerpen die beledigende of discriminerende uitlatingen bevatten, nu ook het ongevraagd toezenden van dergelijke voorwerpen strafbaar wordt gesteld.

Voorgesteld wordt voorts om na deze als misdrijf strafbaar gestelde feiten, een bepaling op te nemen, inhoudende dat uitlatingen die er toe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op gericht zijn ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit de strekking voortvloeit, niet onder de strafbaarstelling van de genoemde artikelen vallen. Uit een persbericht van het Ministerie van Justitie blijkt, dat deze rechtvaardigheidsgrond ingegeven is door het grote belang van de vrijheid van meningsuiting.

Aan de overtredingen waarin discriminatie op grond van ras strafbaar gesteld is (art. 429ter en 429quater) zal eveneens geslacht en seksuele gerichtheid worden toegevoegd. Artikel 429ter betreft het deelnemen of geldelijke of andere stoffelijke steun verlenen aan activiteiten gericht op discriminatie. Artikel 429quater heeft betrekking op het in beroep of bedrijf onderscheid maken tussen personen. Deze bepaling is niet van toepassing op handelingen die vrouwen of personen behorende tot een bepaalde etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toekennen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen en in gevallen waarin het geslacht bepalend is.

Door deze wijziging zal nu zowel discrimi-

natie op grond van ras, als discriminatie van \jrou\Nen en homoseksuelen in de hier bedoelde sociaal-economische sector kunnen worden tegengegaan.

Hieronder volgen de huidige tekst van de artikelen 137c, 137d, 137e, 429ter en 429quater van het Wetboek van Strafrecht

Huidige tekst

Art. 137c. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Art. 137d. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Art. 137e. -1. Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

1. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of godsdienst of hun levensovertuiging;

2. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is vervat, verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft;

-2. Indien de schuldige één van de strafbare feiten, omschreven in dit artikel, in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het feit, nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroeo worden ontzet.

(linker kolom) en de tekst van die artikelen zoals deze zouden komen te luiden na de voorgestelde wijzigingen (rechter kolom). In meerdere artikelen wordt de strafmaat gesteld op een geldboete van de derde categorie. De omvang daarvan bedraagt maximaal f. 10.000, -.

Voorgestelde tekst

Art. 137c. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun seksuele gerichtheid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Art. 137d. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun seksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Art. 137e. -1. Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

1. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun seksuele gerichtheid beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun seksuele gerichtheid;

2. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, iemand, anders dan op diens verzoek, toezendt, dan wel verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft; wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

-2. Indien de schuldige één van de strafbare feiten, omschreven in dit artikel, in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het feit, nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere ver-

oordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 137f. Niet strafbaar uit hoofde van de artikelen 137c tot en met 137e zijn uitlatingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.

Art. 429ter. Hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

Art. 429quater. 1. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf onderscheid maakt tussen personen wegens ras, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.

2. Deze bepaling is niet van toepassing op handelingen die personen behorende tot een bepaalde etnische of culturele

Algemene wet gelijke behandeling

Het regeerakkoord 1986 van het kabinet- Lubbers vermeldt voorts dat op civielrechtelijk terrein vóór 1 juli 1987 een Wet gelijke behandeling zal worden ingediend. Deze afspraak heeft het kabinet niet kunnen nakomen.

Blijkens de Memorie van Toelichting op de op Prinsjesdag 1987 aangeboden Rijksbegroting van Justitie voor 1988 zal een voorstel voor een Algemene wet gelijke behandeling, dat onder primaire verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt opgesteld, binnenkort voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State.

Inmiddels heeft Minister Van Dijk van Binnenlandse Zaken de Tweede Kamer schriftelijk bericht, dat de ministerraad hem op 18 september 1987 heeft gemachtigd te bevorderen dat door H.M. de Koningin bij de Raad van State een voorstel voor een Algemene wet gelijke behandeling ter overweging aanhangig zal worden gemaakt. De ministerraad heeft na ampele overwe-

minderheidsgroep een bevoorrechte positie toekennen, teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

Art. 429ter. Hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, hun geslacht of hun seksuele gerichtheid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

Art. 429quater. 1. Hij die, in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf, onderscheid maakt tussen personen wegens hun ras, hun geslacht of hun seksuele gerichtheid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: a. op handelingen die vrouwen of personen behorende tot een bepaalde etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toekennen, ten einde feitelijke ongelijkheden op te heffen;

b. in gevallen waarin geslacht bepalend is.

ging besloten bedoeld voorstel direct ter advisering aan de Raad van State voor te leggen. Voor deze procedure is gekozen gelet op de uitvoerige discussie die in de samenleving is gevoerd n.a.v het voorontwerp van een Wet gelijke behandeling uit 1981, de reacties, commentaren en adviezen die daarover verschenen zijn, alsmede op de omstandigheid dat de PvdA-fractie in de Tweede Kamer een initiatiefvoorstel van wet tegen seksediscriminatie heeft ingediend.

Het feit dat het regeringsvoorstel ter advisering aan de Raad van State wordt gezonden heeft de Minister van Binnenlandse Zaken genoopt slechts een korte uiteenzetting van de hoofdpunten van het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te geven.

Allereerst verwijst genoemde bewindsman naar het regeerakkoord 1986, waarin is bepaald dat een voorstel van wet wordt ingediend, dat het maken van direct dan wel indirect onderscheid tussen personen verbiedt wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat en seksuele geaardheid,

tenzij - met respect voor de persoonlijke levenssfeer - het maken van het onderscheid in redelijkheid kan worden geoordeeld als een rechtmatig uitvloeisel van: a. de aard van de te vervullen functie; b. de eisen die gelet op de betekenis van grondslag en doel van een instelling aan een w/erkverhouding kunnen worden gesteld;

c. het privé-karakter van de werkverhouding;

d. (tijdelijke) maatregelen, die beogen bestaande maatschappelijke achterstanden weg te werken;

e. vigerende wettelijke bepalingen. Het onderhavige wetsvoorstel ter uitvoering daarvan verbiedt direct en indirect onderscheid - met uitzondering van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is - op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, homo- of heteroseksuele gerichtheid en burgerlijke staat op de volgende terreinen van het maatschappelijk leven:

- arbeid in enig dienstverband en binnen het vrije beroep;

- het aanbieden van goederen of diensten en het sluiten van overeenkomsten ter zake, indien dit beroeps- of bedrijfsmatig geschiedt, of door de openbare dienst, dan wel door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, volkshuisvesting, onderwijs of bejaardenzorg. Dit verbod geldt ook voor andere dan de genoemden, wanneer zij het aanbod van hun goederen of diensten in het openbaar doen;

- het geven van voorlichting over schoolof beroepskeuze.

Voorts is in het wetsvoorstel een afweging van de in het geding zijnde grondrechten opgenomen, die recht doen aan eisen die een instelling op godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke grondslag, gelet op de betekenis van grondslag en doel van die instelling en op de aard van de functie, en met eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, in redelijkheid aan een werkverhouding kan stellen. Het wetsvoorstel opent de mogelijkheid groepsacties in te stellen tegen overtreding van het wettelijk verbod van onderscheid. Voor de handhaving van de wet staat de gebruikelijke gang naar de rechter open. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het advies van de Raad van State door het kabinet, zal het nader rapport aan de Koningin worden opgesteld. Daarna zal het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer kunnen worden aangeboden.

Reacties

In onderscheiden toonaarden is gereageerd op de aangekondigde overheidsmaatregelen. In het bijzonder t.a.w het voorstel voor de Algemene wet gelijke behandeling geldt dat daarvan thans slechts een aantal hoofdpunten bekend is. Dit heeft tot gevolg dat het geven van commentaar hierop tot grote voorzichtigheid noopt. De regeringspartijen CDA en VVD hebben zich tevreden uitgelaten over het ontwerp-wet gelijke behandeling, dat zich kenmerkt door een politiek compromis.

Dit heeft tot gevolg dat verwacht moet worden, dat het onlangs door de PvdAfractie in de Tweede Kamer ingediende initiatief-wetsontwerp tegen seksdiscriminatie kansloos zal zijn. De oppositiepanijen PvdA en D'66 hebben een negatief oordeel uitgesproken over het regeringsvoorstel.

Prof. mr. A.K. Koekkoek, hoogleraar Staatsen Administratiefrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg stelde in zijn lezing tijdens het congres op 30 september 1987 dat georganiseerd was door de Stichting Bijzondere Leerstoelen Onderwijsrecht, dat de ruime opzet van de Algemene wet gelijke behandeling om ruime uitzonderingen vraagt wil de wet in overeenstemming met de Grondwet blijven. Overeenkomstig het regeerakkoord 1986 zal het regeringsvoorstel dergelijke uitzonderingen bevatten, ook t.a.v het toelaten van leerlingen. Door de afweging van grondrechten die het regeringsvoorstel maakt, lijkt het naar het oordeel van deze hoogleraar in beginsel een aanvaardbare weg te wijzen om discriminatie tegen te gaan zonder nieuwe discriminatie op te roepen.

Opvallend is het dat tot nu toe vanuit de samenleving nauwelijks gereageerd is op het gepubliceerde wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, waarmee beoogd wordt verschillende antidiscriminatiebepalingen aan te scherpen met "seksuele gerichtheid en geslacht". Mijns inziens dient men niet alleen voor de Algemene wet gelijke behandeling - met of zonder uitzonderingsbepalingen - beducht te zijn, doch evenzeer voor de voorgestelde

aanvulling van het Wetboek van Strafrecht.

Volgens eerder genoemde prof. mr. Koekkoek zou één mogelijkheid van bescherming tegen discriminatie zijn uitbreiding van de desbetreffende strafbepalingen met de gronden "sekse" en "seksuele geaardheid", welke bepalingen uitwassen betreffen. Z.i. behoeft een aanvulling van de anti-discriminatiebepalingen niet in strijd te zijn met artikel 23 van de Grondwet, waarin de vrijheid van onderwijs is gewaarborgd (de vrijheid van richting, oprichting en inrichting).

Het S.G.R-kamerlid mr dr J.T. van den Berg vraagt zich in het Reformatorisch Dagblad van 26 september j.l. af of de uitzonderingsbepalingen in de Algemene wet gelijke behandeling niet krachteloos gemaakt worden door bedoelde aangescherpte bepalingen in het Wetboek van Strafrecht.

Hoe het ook zij, zeer terecht concludeert Van den Berg, dat de voorgestelde maatregelen in een wijder perspectief dienen te worden gezien, namelijk "de afbraak van de laatste christelijke normen en waarden. De veel geroemde tolerantie verkeert hier in het tegendeel". En dit is intolerantie!

J.J. Verhage

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 1 November 1987

De Reformatorische School | 80 Pagina's

Anti-discriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht en Algemene wet gelijke behandeling

Bekijk de hele uitgave van Sunday 1 November 1987

De Reformatorische School | 80 Pagina's

PDF Bekijken