Bekijk het origineel

Een monument van christelijke plichtsbetrachting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een monument van christelijke plichtsbetrachting

Boekbespreking

12 minuten leestijd

a. "Wat Hercules zal den stroom leiden om deze stallen van Augias te zuiveren en de besmette lucht haar verpestende adem te ontnemen? "

b. "Waar 't dogma contrabande is - we herhalen 't al wederdaar valt ook de moraal, die er in ligt weg, daar gaat de paedagogische kracht, die ervan uitgaat verloren."

Twee opmerkelijke uitspraken uit de negentiende-eeuwse discussie rond de zogenaamde schoolstrijd.

De eerstgenoemde aanhaling is uit 1801 en wel van de agent van nationale opvoeding J.H. van der Palm, voorheen de met patriottische sympathieën toegeruste dominee uit Maartensdijk, later tevens hoogleraar en gevierd kanselredenaar. Hij is tevens de geestelijke vader van de schoolwetten van 1801 en 1803. Voor een gehoor van zo'n vijfendertig schoolopzieners, voornamelijk bestaande uit theologen,

zette hij in een vlammend betoog uiteen wat er zoal schortte aan het toenmalig lager onderwijs en dat was bepaald niet weinig. Want, zei de spreker, "waar ik mijn oogen wende, ik ontdek niet dan zwarigheden." De methodiek was te slaafs en de leerboeken die op de scholen gebruikt werden, waren voor de jeugd vervelend. Vandaar zijn hierboven geplaatste ontboezeming. Ter oplossing van dit probleem wilde Van der Palm de schoolopziener een sleutelpositie laten innemen. Maar dan wel met de bedoeling om conform de tijdgeest de verlichte en optimistisch getinte onderwijsidealen uit te dragen en hiermee de school te bezielen. Was het onderwijs niet een voortreffelijk middel tot zedelijke verheffing van het volk, tot bevordering van volkseenheid en verdraagzaamheid? Binnen het kader van dit algemene, verlichte christendom was gereformeerd confessioneel onderwijs natuurlijk contrabande.

Deze constatering brengt ons bij het tweede hierboven geplaatste citaat, ontleend aan het C.N.S.-orgaan. De Hoop des Vaderlands, uit 1870. Hier wordt ons duidelijk gemaakt dat het christendom nimmer kan worden opgevat als een zedenleer tot verbetering en vervolmaking van het mensdom. Er zijn heel wat van die gedreven hervormers in verleden en heden aan te wijzen als Van der Palm, tot Gorbatsjov toe, die bijvoorbeeld in zijn recente boek Perestrojka heeft gesteld dat HERVORMING (met kapitale letters!) in de ruimste zin van het woord de wereld moet verbeteren en vernieuwen. Niettemin kan de geschiedenis ons leren dat zeden en geloofsleer, ethiek en dogmatiek, nimmer kunnen worden gescheiden.

Met deze probleemstelling zitten we dan meteen midden in de rond de schoolwet-Van der Brugghen (1857) gevoerde parlementaire discussie over het christelijk karakter van de volksschool, resp. over de strijd voor de christelijke school.

Historisch-pedagogisch perspectief

Over het ontstaan en het voortbestaan van het protestants-christelijk lager onderwijs in Nederland is dezer dagen een belangwekkend oriënterend proefschrift verschenen van de hand van dr. LC. Stilma, getiteld "De School met den Bijbel in historisch-pedagogisch perspectief". De ondertitel hiervan luidt: "Ontstaan en voortbestaan van het protestants-

christelijk lager onderwijs in Nederland." In dit boek kunt u ook de hierboven geplaatste citaten vinden (pag. 34, 99). De stof is belangrijk genoeg om er een wat uitgebreider bespreking aan te wijden.

Na in het eerste hoofdstuk een beknopte maar duidelijk-geformuleerde uiteenzetting te hebben gegeven over de historische pedagogiek - een discipline met een vijfvoudige doelstelling genoemd - behandelt de auteur de geschiedenis van het openbaar en het ontstaan van het protestants-christelijk lager onderwijs in de eerste helft van de negentiende eeuw.

Volgens Stilma kan met een beetje goede wil gezegd worden dat tot ± 1795 kerk en overheid op basis van gelijkwaardigheid zich met het onderwijs en de opvoeding hebben bezig gehouden. "Men respecteerde eikaars bemoeienissen en als er problemen waren trachtte men die in der minne te schikken. Kerk en overheid leefden niet op gespannen voet." (pag. 23) Na de Franse revolutie trad er in dit opzicht een ingrijpende verandering op. Groen van Prinsterer moest in 1857 bij de behandeling van de ondenwijswet in de Tweede Kamer teleurgesteld constateren dat "het Christendom thans op staatsregtelijk terrein eene secte, een kerkelijk begrip zonder meer" was geworden.

Deze ontwikkeling vond uiteraard haar neerslag op het terrein van de school. Opvoeding en ondenwijs werden in de eerste plaats gezien als zaken van algemeen maatschappelijk belang, "eene kracht tot verstandelijke en zedelijke ontwikkeling en vorming van degelijke burgers voor den Staat." Met enig voorbehoud zouden ook de latere fascisten, socialisten en communisten een dergelijke doelstelling kunnen onderschrijven.

Stilma schenkt in dit verband niet alleen aandacht aan de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, welke reeds in de achttiende eeuw particuliere initiatieven ontwikkelde om de kwaliteit van het onderwijs en het zedelijk volkspeil te verbeteren, maar ook aan de Vrijmetselaarsbeweging. Het ideeëngoed van dit Westeuropees cultuurverschijnsel, waaraan ministers en soms zelfs leden van het koninklijk huis deelnamen, is sterk verwant aan het idealistisch mensbeeld ingevolge het oude adagium: "Ken uzelf, beheers uzelf en veredel uzelf." De auteur vindt het opmerkelijk dat de rol van de vrijmetselarij in de opkomende strijd tussen openbaar en bijzonder onderwijs niet eerder is gesignaleerd (191). Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat de hier geschetste ontwikkeling leidde tot een "botsing van twee mensbeelden" (aldus luidt de titel van het vierde hoofdstuk).

Botsing van twee mensbeelden

Het is jammer dat Stilma bij het conflict met de tijdgeest de figuur van Bilderdijk zo summier bespreekt en deze slechts uit de tweede hand citeert. Volgens dr R.B. Evenhuis zijn ook zij, die Bilderdijks beginselen niet delen, het er over eens dat hij vrijwel de enige is geweest die de hoogmoed, het rationalisme en het optimisme van de Verlichting principieel heeft bestreden.

Bilderdijks discipel Da Costa komt uitgebreider aan de orde, hetgeen begrijpelijk is omdat deze zich in zijn geruchtmakende brochure "Bezwaren tegen den geest der eeuw" expliciet over het toenmalige onderwijs heeft uitgelaten. Hij is van mening dat "de invloed van den boozen Tijdgeest zich zeker meer bijzonder heeft zamengedrongen op het zoogenaamde lager onderwijs." Deze invloed bleek volgens Da Costa uit het onredelijk prikkelen van de eerzucht en het aanleren van abstracte kennis. Uiteraard prikkelde Da Costa ook de uitspraak van Van der Palm, gedaan bij de Koster-herdenking in 1823, over "de Rede, het goddelijkste dat in ons is", tot een vurig protest. Hij betitelde dit als "verfoeilijke afgoderij". Kennis leidt immers niet tot macht of waarachtig geluk.

Het streven om opvoeding en onderwijs aan de optimistische maatschappijvisie dienstbaar te maken, leidde eerlang tot de stichting van afzonderlijke christelijke scholen. De eerste schermutselingen op dit gebied vonden plaats na en werden gestimuleerd door de Afscheiding van 1834. Bekend is het gevleugelde woord van de bekende ouderling en

voorganger Hoksbergen; "De schoeien bint net so bedurven as de karken. En zollen wie er uut blieven, maar sturen onse kinders der henne? " Volgens drs. T.M. Gilhuis begint de eigenlijke schoolstrijd met Groen van Prinsterers pleidooi voor de Afgescheidenen. Stilma gaat in het derde hoofdstuk de historie na van de eerste vier erkende prot. chr lagere scholen, waarvan de stichting van de school op de Klokkenberg te Nijmegen in 1844 (met een voorgeschiedenis vanaf 1838) het beginpunt vormt. De overige drie betrof schoolstichtingen in 's-Hertogenbosch, Nijkerkerveen en Amsterdam.

De benodigde autorisatie van de overheid verliep meestal niet zonder strubbelingen. Een belangrijke drijfveer is geweest het verzet tegen het Koninklijk Besluit van 1842, waarbij werd bepaald dat alle leerkrachten bij het lager onderwijs opgave moesten verstrekken van alle op school gebruikte "boeken, gezangen en geschriften". Ingevolge dit besluit dreigde de Bijbel steeds meer naar de achtergrond te worden geschoven, omdat bepaalde klachten van andersdenkenden, o.a. rooms-katholieken, in toenemende mate werden gehonoreerd. Deze ontwikkeling leidde in overwegend protestantse streken van ons land, waar de volksschool nog een dienovereenkomstige identiteit vertoonde, tot interne conflicten en zelfs tot schorsingen en ontslagen van dienstdoende leerkrachten.

De affaire-Gangel: een incident?

Uitvoerig gaat de schrijver de problematiek na rond de schorsing van schoolmeester Bernardus Gangel te Appeltern. Deze schorsing geschiedde wegens het geven van leerstellig godsdienstig onderwijs en het vertellen uit de Bijbel. Tegen de vraag: "Welke is het beste boek? " met als antwoord: "De Bijbel", tekende de plaatselijke pastoor terwille van zijn parochianen protest aan. Dit was volstrekt geen schoolvraag, althans niet voor een "gemengde school". Bij de diverse plagerijen van de zijde van de bevolking werden ook de ruiten van de schoolmeesterswoning niet gespaard.

De verwikkelingen rond meester Gangel tonen onomstotelijk aan dat men in die tijd tot verschillende interpretaties van de schoolwet van 1806 en van het K.B. van 1842 kwam. De vraag van de auteur: "Schoolmeester Gangel: zomaar een incident? " wordt door hem dan ook ontkennend beantwoord. De affaire-Appeltern heeft als een katalysator gewerkt en dient niet als een op zichzelf staand incident te worden beschouwd. Zij kan zelfs als een klassiek

model voor deze fase van de schoolstrijd worden aangemerkt.

Opmerkelijk is dat de schrijver wel uitvoerig de kwestie-Gangel bespreekt, maar aan een ander soortgelijk geval, namelijk dat van J. van Noort te Honswijk voorbijgaat. Deze zielevriend van ds. Ledeboer werd wegens het gebruik van de Bijbel op de school als "openbaar onderwijzer" te Honswijk ontslagen. Het verslag hiervan heeft hij zelf in 1860 in een aantal "Brieven" gepubliceerd. Deze persoonlijke verantwoording vormt onzes inziens een zeer belangrijk document van de schoolstrijd. Zijn gelijknamige zoon, die van 1849 tot 1895 als hoofdonderwijzer aan een van de eerste christelijke schooltjes, dat van Nijkerkerveen, was verbonden, wordt door Stilma wel vermeld.

Van de doorslaggevende, soms zelfs fatale rol welke schoolopzieners van het genre-Van der Palm in deze en dergelijke verwikkelingen speelden, is bijvoorbeeld de zaak van R.T. Beerda te Suawoude (Fr) een bewijs. Dit "dweepachtig" schoolhoofd raakte in conflict met de invloedrijke schoolopziener Ds. Nieubuur Ferf, hetgeen na een vijf jaar durende strijd resulteerde in zijn afzetting als schoolmeester. Beerda's onderwijzersakte werd zelfs ingetrokken! Er waren dus wel meer incidenten als dat van Gangel.

De ontkerstening van de volksschool

In een slothoofdstuk plaatst Stilma het prot. christelijk lager onderwijs in historischpedagogisch perspectief. Inzonderheid de aanvaarding van de schoolwet-Van der Brugghen in 1857 markeerde het eindpunt van een bepaalde ontwikkeling. Deze wet verzegelde immers de definitieve ontkerstening van de volksschool, terwijl er toch nog "een christelijk uithangbord aan werd gespijkerd". Het woord "christelijk" in de bekende basisformule "de opleiding tot christelijke deugden" droeg immers een misleidend karakter, omdat de boom werd losgemaakt van de wortel.

Het door de liberale staatsman Thorbecke bepleite "christendom boven geloofsverdeeldheid" sloot in feite de Bijbel buiten de school. Was het worider dat latere vrijmetselaars beweerden dat deze minister "zo zuiver magonniek" sprak? (134). De strijd over de inhoud van het woord "christelijk" bepaalt eigenlijk de volgende fase van de schoolstrijd. In dit licht staat de controverse tussen de ethische Beets en de (neo)gereformeerde Kuyper, representanten van resp. de gemengde staatsschool en de vrije school, een school die uitging van de belijdende ouders.

De achtergrond van dit verschil in opvatting wordt feitelijk bepaald door het verschil in visie op taak en roeping van de overheid. Hierbij huldigde de confessionele Groen van Prinsterer een andere visie dan de geestverwante Van der Brugghen, zodat men wel gesproken heeft van tweeërlei staatsbeschouwing binnen het Réveil. Had de overheid nu een roeping inzake kerk en school als "dienaresse Gods" of moest zij als "neutraal" worden beschouwd? De ethische richting, vertegenwoordigd door mannen als Van der Brugghen en Beets, wilde liever een christelijke staatsschool met een minimum aan christendom dan een maximum aan christendom op een school die niet het gehele volk omvatte (Gilhuis).

Het tragische van dit conflict is dat de christelijke volksschool ook het ideaal van Groen was en eigenlijk altijd is gebleven. Moest een groot deel van de kinderen van ons volk dan aan de invloed van on- en bijgeloof worden prijsgegeven? Het is en blijft een onoplosbaar dilemma!

In de periode tussen de invoering van de leerplichtwet (1900) en de lager ondenwijswetminister De Visser (1920) domineerde het politieke element in de schoolstrijd. Laatstgenoemde wet bracht de pacificatie tengevolge van de financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Deze ontwikkeling heeft ertoe geleid dat de christelijke school werd een "Monument van Christelijke plichtsbetrachting" (pag. 170).

Het pedagogisch aspect

Het verwijt dat de eminente strijder voor de christelijke school, Groen van Prinsterer, de pedagogische aspecten van het bijzonder onderwijs niet voldoende had behartigd, werd door Kuyper wel juist, maar niet billijk geacht. Had het anders gekund? Ging het lijfsbehoud, the struggle for life, niet aan de pedagogische ontwikkeling vooraf? (145, 155). Welnu, ook aan de pedagogische zijde van de schoolontwikkeling heeft de schrijver, in overeenstemming met de titel van zijn boek, ruimschoots aandacht besteed. Het zou ons te ver voeren om hierop gedetailleerd in te gaan, maar belangwekkend is de materie zeker.

In weerwil van Van der Palms sombere situatieschets van het toenmalige onderwijs komen buitenlandse deskundigen, die in verband met het ondenwijs ons land bezochten, tot een wat genuanceerder beeld. De organisatorische opzet van het Nederlands ondenwijsstelsel dwong zowel in het binnenland als in het buitenland respect af. Het lager onderwijs evolueerde geleidelijk doch resoluut van hoofdelijk naar meer klassikaal onderwijs, terwijl de godsdien­

stige vorming bij herhaling een geschilpunt bleef. De studie van Stilma bevat een schat aan pedagogisch en historisch materiaal dat helder en overzichtelijk is gerangschikt. Diverse zaken worden geplaatst in de sociale en cultuur-historische context. De beantwoording van de vraag of ethische implicaties van het christendom (de maatschappelijke en christelijke deugden) al of niet ontkoppeld kunnen worden van het christendom heeft volgens de schrijver veel hoofdbrekens gekost (182). Hijzelf is er kennelijk ook (nog) niet mee klaar gekomen.

Als, om maar iets te noemen, de godsdienstlessen geen enkel aanknopingspunt opleveren voor andere vakken, worden de Bijbelse geschiedenislessen dan niet van het overige schoolgebeuren geïsoleerd? is de "pluralisering" van het christendom geen gevaar voor het geschiedenisonderwijs? Dient bijvoorbeeld Willem van Oranje als een instrument Gods te worden beschouwd of is dit het geval met Balthasar Gerards?

Comenius' heilsverwachting

De schrijver is zich een bepaalde identiteitscrisis binnen het huidige prot. christelijk onderwijs kennelijk bewust, al schrijft hij deze aan andere factoren toe dan principiële inflatie of nivellerende tendensen. Aan de identiteitsbepalende factoren, welke noodgedwongen hebben geleid tot de stichting van afzonderlijke reformatorische, resp. gereformeerde scholen schenkt de auteur geen aandacht en aan de binnen deze "subdominatie" verschenen onderwijskundige werken wordt ook in de bibliografie voorbijgegaan.

Oriënterende publicaties binnen deze kring als bijv Belijden en Opvoeden. Gedachten over de christelijke school vanuit een reformatorische visie (Houten 1985), kunnen dienen om in deze te betreuren omissie te voorzien. Overigens zijn wij van mening dat wij hier te doen hebben met een standaardwerk, dat vele pedagogisch-historische werken kan vervangen, al maakt het publicaties als bijv Gilhuis' Memorietafel niet overbodig.

De door Stilma beleden "heilsverwachting van het Christendom" voor het hier-en-nu, waarbij hij Johan Amos Comenius (1592-1670) als gids prefereert, moeten wij afwijzen. Deze uitgeweken Tsjechische theoloog en pedagoog, die van 1656-1670 te Amsterdam verbleef, verwachtte het heil der mensheid alleen van een door het christendom gelouterd pacifisme.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1988

De Reformatorische School | 76 Pagina's

Een monument van christelijke plichtsbetrachting

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1988

De Reformatorische School | 76 Pagina's

PDF Bekijken