Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Blijf zitten, waar je zit

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Blijf zitten, waar je zit

Voortgezet onderwijs

22 minuten leestijd

V(ö)(ü)irLtg](ES(iü ©mdlcgïïxy^ö

Een pleidooi voor meer en beter zitter^blijven . .

"Eens, lang geleden, besloten de dieren dat zij iets moesten doen aan de problemen van de 'nieuwe wereld'. Dus richtten zij een school op. Op het leerprogramma stond: hardlopen, klimmen, zwemmen en vliegen. En omwille van de sfeer namen alle dieren deel aan de vakken.

De eend was buitengewoon goed in zwemmen, beter dan zijn instructeur, maar maakte weinig vorderingen in vliegen en was ronduit slecht in hardlopen. Hij hield het vol tot zijn zwemvliezen helemaal kapot waren en hij nauwelijks in staat was te zwemmen. Niemand maakte zich daar zorgen over behalve de eend zelf. De haas startte als nummer één van de klas in hardlopen, maar kreeg al snel ruzie met de badmeester, omdat hij er niet tegen kon dat hij bij

het zwemmen achterbleef. De eekhoorn was uitmuntend in klimmen en springen, maar bleef na een tijdje weg uit de vliegklas, omdat de leraar wilde dat hij vanaf de grond startte. Hij kreeg een vijf voor klimmen en een vier voor hardlopen."

De moraal van deze fabel ligt voor de hand: Elk dier (en verder in het dierenverhaal dus ook elke mens) heeft zijn eigen gaven.') Niet elke leerling kan alle soorten leerstof aan. Een wat triviale gedachte, zult u wellicht opmerken; dat feit is al geruime tijd bekend. Hebben we niet in de vorige eeuw en in het begin van deze eeuw juist verschillende schoolsoorten zien ontstaan, waardoor kinderen met een grote verscheidenheid aan gaven, in een aantal schoolsoorten tot hun recht kwamen. Gymnasium, HBS, ULO en ambachtsschool boden die diversiteit. Maar, zo werd in de jaren zeventig gesteld, tegelijkertijd reproduceerde dit schoolsysteem de maatschappelijke ongelijkheid. Want het was niet primair een differentiatie naar intellectuele begaafdheid, die de keuze tot één van de schoolsoorten bepaalde; het was veel meer 'de stand' of welstand van de ouders die van dominante invloed was bij de schoolkeuze. De genoemde scholen waren standenscholen, nog geheel passend in de 19e eeuw, hopeloos in strijd met de 'democratie wave' die over de na-oorlogse samenleving is gekomen.

Een nadeel

Zolang dit categoriale stelsel intact bleef, - en het bleek een redelijk grote veerkracht te bezitten - was er een schaduwzijde: het zittenblijven. Daarbij ging het om behoorlijke aantallen. Niet dat men daar moeilijk over deed; het zittenblijven was een onaantrekkelijk, maar wel algemeen aanvaard fenomeen. Ter illustratie: Op de lagere school kwamen relatief hoge percentages niet-bevorderden voor En gegeven de geringe uitstroom naar het speciaal onderwijs, gaat het dus om zittenblijvers. In 1930 werd 15% van de eerste klassers van het glo niet bevorderd, voor de 2e klasse stond 11 %, voor de 5e klasse nog 13%.

In de jaren vijftig daalden deze perentages niet onaanzienlijk, maar bleven voor de klassen 1 en 2 toch rond de 10 % schommelen.^) De laatste jaren schommelt het percentage zittenblijvers op de basisschool rond 2, 8.^) Deze

cijfers spreken een duidelijke taal: het verleden van ons schoolsysteem kenmerkt zich door veel zittenblijvers. Doornbos heeft echter berekend dat "sinds 1970 alleen al in de leerplichtige leeftijdsfase zeker 1, 8 miljoen kinderen zijn blijven zitten, "") En daarmee zijn we zonder nadere overgang in een moeilijke positie terechtgekomen. Immers, met de Mammoet vond een herverkaveling van het voortgezet onderwijs plaats, waarbij de oude standenscholen grotendeels werden opgeruimd, in ieder geval aantrekkelijk werden opgeschilderd. Voortgestuwd door formele en ideologische vernieuwingen zou er een nieuw onderwijs ontstaan, waarin elk kind minstens gelijke kansen zou krijgen.

Solidariteit

In Nederland trad toen de fase in die, door een overdosis aan solidariteit gedragen, gelijke kansen wilde, eiste, voor alle leerlingen. En dan ontstaat de 'dierenschool'. De ongelijkheid tussen leerlingen laat brute uniformering van het ondenwijs niet toe. Dat beoogde men ook niet. Maar, waarom dan zo veel nadruk op 'de gelijke-kansen-ideologie'? Misschien is het antwoord van Marrieta Jansen daarin duidelijk. Zij zegt: "Any school system in which one child may fail, while another succeeds, is unjust, un-democratic, un-educational."^)

De democratisering van het onderwijs staat haaks op het categoriale, tamelijk gesloten onderwijsstelsel met z'n hoog percentage doublanten. Maar de vernieuwing, geconcretiseerd in lessentabellen, verbrede instroom, scholengemeenschappen, non-selectiviteit, differentiatie binnen en buiten het klasse-verband, heeft kennelijk niet tot gevolg gehad dat het probleem van het zittenblijven is verdwenen. Integendeel, opnieuw enkele getallen: "Voor het gehele Mavo en Havo variëren de percentages tussen de 20 en 30."^)

Uitgaande van deze afgeronde verdeling van de schoolsoorten rond 1980, nl. 30 % lbo, 40 % mavo, 30 % havo/vwo blijkt uit het cohort-onderzoek 1977 dat slechts 16, 4 % (9, 8 % vwo-leerlingen en 6, 6 % havo-leerlingen) onvertraagd in klas 4 vwo/havo waren terecht gekomen. "Van Mavo-leerlingen is na drie jaren reeds 40 % vertraagd."') Dat komt in meer landen voor. Onlangs las ik over het Franse onderwijs het volgende:

'Nu is het schoolsysteem een rat race. Aan het eind van ieder schooljaar wordt een afsluitend examen gehouden. De 10 tot 20 procent die daar jaarlijks voor zakt, moet het hele schooljaar overdoen. Het hele schoolsysteem is enkel gericht op degenen die het eindexamen halen." ^)

De situatie is wat dit betreft in Skandinavië en Engeland veel gunstiger. Daar is het zittenblijven vrijwel geheel afgeschaft. De Zweedse Grundscola en vooral de Engelse comprehensive school bieden een zeer breed vormingsaanbod, waarbinnen voor bijna alle leerlingen plaats is.

Een eerste stelling

Alle onderwijsvernieuwingen in Nederland hebben nog niet geleid tot afschaffen van het doubleren, sterker nog, de laatste jaren is er sprake van een stijgend percentage zittenblijvers. Een kleine illustratie:

Percentage zittenblijvers I resp. gezakten

Oorzaken van het zittenblijven

Hoe komt het nu dat er jaarlijks ruim 100.000 leerlingen de sombere mededeling krijgen: 'je bent blijven zitten'? En wat is er de oorzaak van dat dit aantal in de loop der jaren niet noemenswaard verandert? Als het waar is wat Hoogbergen in 1985 schreef: "Het zittenblijven: stellig helgrootste probleem in het onderwijs", dan mag je verwachten dat er veel onderzoek gedaan is naar oorzaken, beleving en ombuiging van het zittenblijven. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: er is maar weinig onderzoek naar verricht; er zijn weinig recente cijfers beschikbaar en ten slotte: de meningen over oorzaken en gevolgen divergeren sterk.

Is zittenblijven een verschijnsel dat vastgebakken zit aan de cultuur van de school? Het is goed een aantal probleemvelden aan te geven die het zittenblijven kunnen veroorzaken. Nogmaals zij gezegd: de volgende opsomming heeft slechts een indicatieve waarde, want nog steeds geldt de opmerking van Hoogbergen: "Het zittenblijven is een voor ieder onbevredigend antwoord op problemen die theoretici en praktici nog niet hebben opgelost."^j

1. Het leerstofjaarklassensysteem. Doornbos stelde dit als centrale oorzaak reeds in 1969. Daarbij stelt hij dat algemene organisatiebeginselen van het onderwijs in dezen bepalend zijn. "Het zijn er twee: koppeling en fractionering. Koppeling van cursusduur en leerstofpakket, en fractionering van de componenten (cursusduur, cursusinhoud en leerlingenbestand) primair op basis vantijd."'")

De koppeling van cursusduur en leerstofpakket is de grote boosdoener. Doornbos spreekt van 'het fatale organisatiebeginsel'.

2. In zijn inleiding 'Naar een macro-educatieve analyse van het zittenblijven en verwante expulsieproblemen in het Nederlandse schoolwezen''') zet Doornbos de nadelen van het leerstofjaarklassensysteem in een breder kader: de decimeringscyclus. Hij wil daarmee het volgende beweren: Het vigerende systeem gaat er van uit dat een deel van de leerlingen niet voldoet aan de gestelde eisen. Voor de historici: K. Posthumus publiceerde in 1940 een artikel in 'De Gids', waarin hij stelde dat een kwart van de leerlingen niet voldoet aan de eisen van de klas of van de school. Wat er ook gebeurt, elk jaar is er weer 25 % die onvoldoende scoort en dus blijft zitten. Deze wet heeft al veel onheil gesticht.

Steeds valt er een groep leerlingen buiten de boot, omdat de voorgaande selectie niet leidt tot de vorming van een betrekkelijke homogene groep die wel aan de leerstofeisen kan voldoen, maar omdat de eisen na selectie opgeschroefd worden. Vandaar de opmerking in de SVO-brochure Zonder zittenblijvers kan het ook: "Zittenblijvers produceren nieuwe zittenblijvers."

3. Een derde probleemveld binnen het onderwijssysteem wordt aangegeven door Bos, die voor 3 avo-soorten een inefficiëntie-index heeft opgesteld. Met deze index laat hij de relatie zien tussen de formele cursusduur en de feitelijke verblijfsduur van de gediplomeerden. Bos

berekende de volgende getallen. De inefficiëntie-index: Mavo - 1.36, Havo - 1.81, VWO - 1.44. Dat betekent dat voor AVO om 100 instromers te diplomeren de (financiële en andere) middelen nodig zijn, die eigenlijk voor 151 leerlingen toereikend zouden moeten zijn. Het onderwijs is dus eigenlijk heel inefficiënt bezig. De belangen van de leerlingen die het meest gebaat zijn met een snelle doorstroming op adequaat niveau, worden onvoldoende in het oog gehouden. Het systeem werkt te weinig bedrijfsmatig en de leerlingen zijn daarvan de dupe.

4. Natuurlijk worden de oorzaken van het zittenblijven niet alleen in het onderwijssysteem gezocht. Velen beschouwen zittenblijven als een gevolg van de nalatigheid van de overheid om het onderwijs voldoende middelen ter hand te stellen. De verhoging van de gemiddelde klassegrootte, de overbelasting van de leerkrachten, de ontoereikende financiële middelen en last but not least de steeds veranderende maatschappelijk/politieke desideratia maken goed onderwijs bijna onmogelijk. Het gevolg van dit bekrompen en zwalkende beleid is wel dat niet alleen leerkrachten, maar ook leerlingen 'er onder door gaan'.

5. Vanouds werd zittenblijven toegeschreven aan het onvoldoende functioneren van de leerlingen. Opmerkingen als: "Dan had je maar harder moeten werken", "je hebt het er zelf naar gemaakt", kent iedereen. Hoe moeilijk dit ook voor wetenschappers te aanvaarden is, het is vanuit de praktijk onmiskenbaar dat een (groot? ) deel van het aantal zittenblijvers gerekend moet worden tot de 'minimumlijders'. Ze hebben gewoon te weinig aandacht aan hun school- en huiswerk besteed.

6. Ten slotte wordt er regelmatig gewezen op de 'omstandigheden'. Dat deze een niet onbelangrijke rol spelen is onmiskenbaar. Ingrijpende persoonlijke ervaringen van de leerlingen (denk aan ziekte, sterfgevallen, echtscheiding) hebben hun repercussies op het leren. Deze, soms traumatische ervaringen, vallen niet te plannen, overkomen de leerlingen, en zijn in geen enkel opzicht beheersbaar

Voor een zuiver zicht op het probleem van het zittenblijven, dienen ze eigenlijk niet meegerekend te worden. Wat wel van belang is in de analyse van de invloed van het milieu op het zittenblijven, betreft de totale leeromgeving van de leerlingen. Daarbij gaat het zowel om de attitude van de anderen t.o.v het leren, als de faciliteiten die de jongeren kunnen worden geboden. Daarbij is niet zozeer het materiële facet in het geding (de standen behoren tot het verleden) als wel de geestelijk/culturele visie op het onderwijs.

Te vrezen is dat veel ouders en kinderen een innerlijk tegenstrijdig gedrag vertonen: men kiest voor een zo hoog mogelijk opleidingsniveau, maar is eigenlijk niet bereid zich daarvoor aanmerkelijke opofferingen te getroosten. Leren is wel belangrijk, maar vakantie, clubs, verjaardagen, e.d. mogen toch niet in het gedrang komen. En zeker mag de invloed van de vermaakindustrie (TV) ofwel de afwezigheid van één der ouders (vergadering) niet onvermeld blijven. Ik heb de stellige indruk dat de oude waarheid 'de cost gaat voor de baat uit' te weinig in praktijk wordt gebracht. En de kinderen vinden dan al te gemakkelijk een voor de hand liggend escape. De resultaten zijn er naar.

Het zal duidelijk zijn dat dit korte overzicht van oorzaken niet volledig recht doet aan allerlei individuele factoren die van invloed zijn op het schoolsucces. Ze zijn slechts bedoeld als een kader voor de beide volgende facetten van dit onderwerp: nadelen en voordelen van het zittenblijven.

Nadelen van het zittenblijven

Dat er in ons voortgezet onderwijs jaarlijks zo ongeveer 100.000 leerlingen niet bevorderd worden, is een symptoom van falend beleid. In Elsevier schreef Frans Roefs daarover het volgende:

"Het zittenblijven is een probleem zo oud als het onderwijs zelf. Leren Is per definitie presteren. En prestaties en vorderingen worden gewoonlijk getoetst, zeker wanneer in tiet leerproces geld Is geïnvesteerd dat rendement kan (moet) opleveren voor Individu en samenleving... Een onderwijssysteem waar falen domineert, faalt als systeem. Zowel voor individu als samenleving Is het rendement negatief."")

Uit bovenstaande, en veel andere uitspraken (zie daarvoor met name Hoofdstuk 8 van Een jaartje overdoen de stellingen en reacties van de symposiumdeelnemers) is het volgende af te leiden:

- Het zittenblijven wordt nogal verschillend beoordeeld. Die beoordeling lijkt in de tijd gezien nog al cultuurgebonden te zijn. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat in een sterk prestatiegerichte (school)cultuur het zittenblijven als minder bezwaarlijk wordt ervaren dan in een gelijkheidscultuur

- Het zittenblijven roept reacties op m.b.t. de overheid, het schoolsysteem, het individu en de samenleving en in een overwegend negatief oordeel dienaangaande - het woord 'falen' is dan duidelijk - moeten de nadelen wel erg zwaar gewogen worden. We zullen zien.

1. Zitten blijven is een symptoom van een falend onderwijsbeleid, zo wordt er gezegd. Door het doubleren wordt pas duidelijk dat de overheid er niet in geslaagd is een juiste onderwijspolitiek te voeren. Noch het distributieve, noch het constructieve onderwijsbeleid hebben in dezen veel succes gehad. Het onverminderd voortduren van het doubleren toont

aan dat de overheid niet in staat is een relevante onderwijsvisie te ontwil< l< elen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de overheid zich niet verantwoordelijk stelt voor het onderwijs in z'n alledaagse praktijk. Terecht stelt zij zich veelal slechts voorwaardenscheppend op. Het is evenwel ook waar dat de rigide regelgeving bijna alle pogingen om verbetering op termijn aan te brengen, frustreert.

Dat het falend overheidsbeleid ook een financiële component heeft, zal duidelijk zijn. De verhoging van de gemiddelde klassegrootte leidt nu niet direct tot een beperking van het zittenblijven. Het grote nadeel van het zittenblijven ligt evenwel niet primair in de te geringe toewijzing van financiële middelen, maar veel meer in het ontbreken van een onderwijsbeleidsvisie.

Ter adstructie: in december 1967 verzocht de staatssecretaris het bestuur van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs na te gaan of onderzoek zou kunnen bijdragen tot een beter inzicht in en concrete oplossingen voor het probleem van het zittenblijven. Anderhalf jaar later lag er een nota op tafel: 'Opstaan tegen het zittenblijven', auteur drs. K. Doornbos. In 1985 kon prof. Doornbos grote delen uit zijn studie zonder meer herhalen: er was niets veranderd.

2. Een van de grote nadelen van het zittenblijven ligt in het gegeven dat daarmee aangetoond zou kunnen worden dat de schoolorganisatie niet deugt. Eenvoudiger gezegd: veel zittenblijvers is slecht voor het imago van de school!

Dat is in een tijd van toenemende concurrentie een kwalijke zaak. Vroeger deed men daar niet moeilijk over. Hoogbergen kon nog schrijven:

"Uit ervaring blijkt mij wel, dat het zittenblijven als iets zó normaals voor het onderwijs gezien wordt, dat er in het algemeen nauwelijks protest tegen rijst. Leerlingen, ouders en docenten achten zittenblijven weliswaar een hinderlijk verschijnsel in het ondenwijs, het is in aller ogen ook onontkoombaar."'^j

Het is de vraag of die wat laconieke houding nu nog zo gewoon of gewenst is. De nadruk op effectieve scholen, de roep om meer rendement, leiden gemakkelijk tot een vergelijking tussen scholen. En dan zit je eigenlijk al in een concurrentiepositie. En met veel zittenblijvers zit je dan niet goed. Zeker niet met het oog op de voorlichting. Want veel zittenblijvers behoeft niet te betekenen dat de onderwijs-eisen, de prestaties, erg hoog liggen: het kan evenzeer inhouden dat het niveau van de instroom ontoereikend is. Veel probleemkinderen leiden al te gemakkelijktotniveau-verlaging, oftotveeldrop-outs, doublanten, spijbelaars; kortom, tot een onaantrekkelijke school.

Het zittenblijven mag dan onontkoombaar zijn, het moet wel in beperkte mate voorkomen, anders reageren de ouders wel. En de opmerking op de voorlichtingsavond dat gemiddeld zo'n 40 % van de brugklassers zonder doubleren het diploma haalt, is nu niet direct moedgevend.

3. De grootste nadelen van het zittenblijven worden ervaren door de slachtoffers zelf. Enkele opmerkingen daarover vanuit de school: - Zittenblijven kan een ramp zijn... - Zittenblijven is in de eerste plaats een verdrietige zaak. - Zittenblijven is a-sociaal. - Zittenblijven veroorzaakt sociaal-emotionele problemen, frustreert de geestelijke ontwikkeling. - Zittenblijven is een anachronisme en verspilling van tijd. Aldus enkele schoolleiders.

Natuurlijk is niet iedereen even somber, maar dat het doubleren door jonge mensen als nogal problematisch wordt ervaren, lijkt toch wel voor de hand te liggen. Wat zijn dan de negatieve ervaringen bij het zittenblijven? - De leerling ervaart het als straf. Soms als gevolg van eigen houding en inzet, soms ook als

reactie op de opgeschroefde schoolkeuze van de ouders. - De leerling ervaart doubleren in de huidige vorm als onrechtvaardig. Zijn tekorten/ onvoldoenden liggen soms in een beperkt aantal vakken; toch wordt hij gedwongen alle leerstof over te doen.

- De leerling ervaart het zittenblijven als 'pech gehad'. In tegenstelling tot veel klas- of leeftijdsgenoten, die nauwelijks betere prestaties leveren, maar bij de cijfergeving 'geluk gehad' hebben. Veel leerlingen hebben een goed uitgekiend cijfersysteem, waarbij ze weinig werken, maar wel goed in de gaten houden wanneer ze in de gevarenzone dreigen te geraken. Soms kun je nog net ontsnappen, soms niet meer.

- De leerling ervaart zittenblijven als een teleurstelling. Hoewel veel leerlingen al wel weten dat ze nauwelijks kans hebben om over te gaan, als dan de beslissing gevallen Is, en daarmee hun minder goed tot slecht presteren openbaar wordt, geeft dat gevoelens van teleurstelling.

Uit twee vraaggesprekken - één gehouden door Hoogbergen, één gehouden op 'Guido de Brés' - blijkt dat vrijwel alle leerlingen het zittenblijven wel verwacht hadden. Toch waren de meesten teleurgesteld. Opmerkelijk is dat in geen enkel geval (het gaat slechts om een stuk of tien leerlingen) sprake was van boosheid, opstandigheid of onverschilligheid. Wel was er sprake van een zich schuldig voelen, zich zelf verantwoordelijk weten voor het zittenblijven. Op de vraag naar de oorzaak voor het slechte studieresultaat, geven veel leerlingen antwoorden als:

- 'te weinig gedaan'; - 'lol geschopt'; - 'geen aandacht voor lessen en huiswerk'; - kortom, veel uitingen in de zin van: 'eigen schuld, dikke bult'.

Maar wat moet ik dan aan met gedachten over - de motivatieproblemen - in iedere school bekend; - recalcitrant gedrag - idem - voortijdig schoolverlaten - geconstateerd in Drente; ") - negatief zelfbeeld - weten te hebben gefaald; - negatief mensbeeld - de oorzaak ligt bij anderen?

De nadelen van het zittenblijven zijn voor leerlingen vooral: - verlies van een stukje status; - los moeten laten van de vertrouwde groep; - het moeten omgaan met jongere leerlingen.

Anders gezegd: doubleren betekent wel een sociaal-emotionele tik; het behoeft niet te betekenen dat daaruit sociaal-emotionele problemen ontstaan.

4. Nadelen brengt het zittenblijven ook voor de samenleving mee. Op drie niveaus valt dat waar te nemen:

- Voor ouders is het vaak een hele tegenvaller; hetzij dat ze het voorzien hebben of niet. Ze zijn in de regel niet bij machte om iets te ondernemen. Op 't laatst helpt belangstelling en motivering niet meer

Statusgevoelige ouders beschouwen doubleren als een blamage voor hun omgeving. Het is logisch dat de extra kosten die zittenblijven met zich meebrengt door de ouders als nadelig worden ervaren.

- Nadelig is het zittenblijven ook voor de verschillende groepen waarbinnen een leerling functioneert. Het klasseverband wordt doorbroken, hetzij door uitstroom hetzij door instroom. Leraren hebben de lang niet altijd zo dankbare taak leerlingen die al enige deelkennis bezitten op systematische wijze verder te helpen.

- De grotere verbanden waarin iemand functioneert, reageren weliswaar heel verschillend op het fenomeen; in geen geval is het een positieve reactie. Het lijkt er op dat 'de omgeving' het falen in de schoolprestaties min of meer geaccepteerd heeft.

Het geheel overziende de volgende stelling: "Zittenblijven is een hinderlijk, vooral kwantitatief beoordeeld verschijnsel. Leerlingen zoeken de oorzaken vooral bij zichzelf en niet bij de schoolorganisatie".

Voordelen van het zittenblijven

Het zal zonder meer duidelijk zijn dat het onderwijs ook voordelen in het zittenblijven ziet, anders zou men wel gegeven de eerder genoemde nadelen, voor andere strategieën kiezen. Immers, bij het niet doorstromen naar het volgende leerjaar is het afstromen naar een lager niveau een redelijk alternatief. Het is minder duidelijk, dat een kind onvoldoende heeft gepresteerd, het is voor de persoon in kwestie minder ingrijpend - je gaat immers weer gelijk op met je jaargenoten.

Toch kiezen voor zittenblijven! Welke argumenten worden daarvoor genoemd?

1. Naar de leerlingen toe wordt vaak gezegd: Jammer, maar het is voor je eigen bestwil. Dat bestwil wordt dan ongeveer als volgt ingevuld: - Je hebt meer leertijd nodig dan de anderen, die krijg je op deze manier van ons. - Je kunt op deze wijze een betere basis leggen voor verdere studie. - Je kunt tekorten in je kennis in een rustig tempo bijspijkeren, en dan alsnog verder gaan in het onderwijs van je keuze.

- Je bent eigenlijk nog niet rijp voor deze leerstof en dit leertempo; je wordt ouder en wijzer en dan zal het misschien wel gaan.

2. Als leerlingen door bijzondere omstandigheden beneden hun niveau gewerkt hebben, is een herkansingsmogelijkheid een goede zaak. Het lukt nl. niet in alle gevallen de ontstane achterstand binnen het schooljaar weg te werken.

3. Doubleren kan ook gezien worden als een extra mogelijkheid voor die leerlingen waarover twijfel aan de capaciteiten bestaat. Er kunnen zo veel interfererende factoren werkzaam zijn dat de school onvoldoende zicht heeft op de leermogelijkheden van sommige leerlingen. Doubleren als er goede twijfel bestaat kan zinvol zijn. Het komt ook voor dat leerlingen gewoonweg een jaar verspelen, doordat ze zich te veel met andere dingen bezighouden. De eerder genoemde uitspraken van enkele 'ondervraagden' wijzen daar ook op. In plaats van 'straf' wordt er dan een 'tweede kans' geboden.

4. Een voordeel van het zittenblijven kan zijn, dat het een bijzondere vorm van persoonlijkheidstraining betekent. Ik herinner me een verhaal, waarin met instemming de directeur van de HBS werd geciteerd, die een geslaagde examenkandidaat uitbundig prees voor zijn volharding. De betrokken geslaagde had over alle klassen twee jaar gedaan! Roefs schrijft dienaangaande:

"Kinderen accepteren ongemak even gemakkelijk als gemak. Alleen zij die van jongsaf geleerd hebben zich moeite te getroosten, zullen later werkelijk mondig en weerbaar worden. Het onderwijs moet op deze waartieid inspelen en daarvan uitgaan." (zie 12).

Het belang van die persoonskenmerken werd onlangs nog weer eens duidelijk aangegeven.

De orthopedagoog G. Duizer, verbonden aan de universiteit van Amsterdam:

"Van het ondenNijs werd vroeger alles verwacht; wie een goede opleiding had, zou een goede baan krijgen. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Persoonskenmerken blijken een steeds grotere rol te spelen."'^j

Natuurlijk blijft de invulling van een begrip als persoonskenmerken uit de aard der zaak wat ongrijpbaar De één verstaat er onder de culturele achtergrond, contactuele eigenschappen. Een ander houdt het op meer traditionele kenmerken als v\/ilskracht, doorzettingsvermogen, flexibiliteit enz. Normatief dient te zijn: het ontwikkelen van de persoonlijkheid. Van hieruit een laatste voordeel van het zittenblijven:

5. De ervaring heeft mij geleerd dat alle direct betrokkenen bij het onderwijs (leraren, leerlingen en ouders) de voorkeur geven aan afstroming boven doubleren. Hoewel dit in een aantal gevallen terecht is, dient toch opgemerkt te worden dat er op deze manier voor velen ongemerkt een devaluatie van het onderwijs optreedt. Het is niet de beruchte niveauverlaging in het leerstofaanbod, het gaat om de keuze voor een lager niveau. De komst van de scholengemeenschappen heeft dit fenomeen ongetwijfeld in de hand gewerkt. Het is echter goed te bedenken dat er voor dit verschijnsel ook een meer algemene, zo u wilt een culturele context bestaat. Je kiest voor datgene wat je op dit moment goed uitkomt, wat je leuk vindt enz. Je gaat moeilijkheden en lastige opgaven, die veel tijd en inspanning vragen, uit de weg. Deze houding, die in de jaren zestig en zeventig nogal dominant was, laat nog steeds z'n sporen na. Ook in het onderwijs, of misschien wel juist in het onderwijs.

En ook binnen onze Geref. Gezindte tref je deze visie aan. 'Het moet toch leuk zijn', is onder jongeren een gevleugeld woord.

Terwijl elders in de maatschappij al weer andere normen gehanteerd worden, blijven wij al te gemakkelijk in het leefklimaat van een voorbije periode steken. Talenten moeten ontwikkeld worden, ook als er door wat voor omstandigheden wat belemmeringen zijn ontstaan. Zonder het overwinnen van een aantal barrières is het behalen van een diploma vaak niet eens zo zinvol. Zittenblijven is daartoe een mogelijkheid.

Een balans

Is het mogelijk tot een afweging van de voor- en nadelen van het zittenblijven te komen? Gegeven de ongelijksoortige variabelen die aan de orde zijn gesteld, is dat eigenlijk erg moeilijk. Na ampele overwegingen, en mij bewust van het subjectieve karakter van de volgende opmerkingen, wil ik het volgende stellen.

Van alle variabelen die in het geding zijn bij het zittenblijven, is de betekenis van dit fenomeen voor de individuele leerling toch de meest essentiële. Op zijn niveau is ook een zekere afweging te maken. En dan blijkt dat:

- Doubleren op zich onaantrekkelijk is, dat het ook geen voorspelling kan doen voor verder schoolsucces, en daarenboven soms kan leiden tot forse motivatie- en gedragsproblemen.

- Anderzijds echter, de leerling meer en betere kansen biedt dan afstroming naar een lager niveau. Voor de persoonlijkheidsvorming biedt deze blokkade in zijn leerweg vele mogelijkheden om zijn latente drijfveren aan te spreken, en alsnog zijn doel te bereiken.

Vanuit bovenstaande gedachten wil ik graag met de volgende stellingen afsluiten: - Zittenblijven is, indien op juiste gronden voorgesteld, zinvoller voor leerlingen, dan de gemakkelijke weg van afstroming naar een lager niveau. - Onze schoolcultuur dient zittenblijven niet als onvermijdelijk op zich te accepteren, maar heeft de opdracht dit fenomeen een betekenisvolle plaats toe te wijzen.

Literatuur:

1. M. Boekaerts Voorlopen op achterstand. Den Haag 1987, pag. 15. 2. K. Doornbos Opstaan tegen het zittenblijven. Den Haag 1970, pag. 13.

3. S.VO.-brochure. Zonder zittenblijven kan het ook. Den Haag 1984, pag. 6. 4. Alfred Wald Een jaartje overdoen, een symposium-verslag. Den Haag 1985, pag. 46. 5. Geciteerd in: H. van Galen Last. De waanzin van Ajax. Amsterdam 1979, pag. 112. 6. zie 3, pag. 7. 7. W. Oehlen. Kermis der ijdelheid. In: School, jan. 1984, pag. 8. 8. Aldus het blad 'Nieuwsmagazien Opleidingen' van mrt. 1989, pag. 22. 9. Theo Hoogbergen. In: 'School', special: "Zittenblijven ", april 1985. 10. Doornbos 1970, pag. 30. 11. Opgenomen in: Een jaartje overdoen, pag. 35-67. 12. Frans Roefs. Zittenblijven kost tranen en miljoenen. In: Elseviers magazine, 22-6-1985, pag. 116-119. 13. School, april 1985, pag. 37. 14. SVO-brochure, pag. 9. 15. DeTijd, 31-3-89, pag. 4.

W.R van Kempen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1989

De Reformatorische School | 52 Pagina's

Blijf zitten, waar je zit

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1989

De Reformatorische School | 52 Pagina's

PDF Bekijken