Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In de proeftuin van lumpsum

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

In de proeftuin van lumpsum

3 minuten leestijd

Op 1 augustus 2006 gaan we in het P.O. over naar lumpsumfinanciering. Dit is een ontwikkeling waarover toch ook nog veel onduidelijkheid bestaat. Met name over de gevolgen in termen van (financiële) risico’s. Om deze reden en in het kader van het maximaal benutten van de mogelijkheden van lumpsumfinanciering, is de landelijke pilot Lumpsum gestart. Essentieel onderdeel van deze pilot is de overdracht en het beschikbaar stellen van ervaringen met lumpsum aan andere besturen en scholen.

De éénpitter
Eén van de twaalf ‘pilotscholen’ is de Johannes Calvijnschool uit Sliedrecht (JCS), die daarbij wordt ondersteund vanuit de VGS. In de pilot lumpsum vertegenwoordigt de JCS samen met twee andere scholen de zogenaamde ‘éénpitters’: de schoolbesturen met slechts één school. Deze éénpitters verkeren binnen de lumpsumsystematiek in een kwetsbaardere positie, vooral wanneer de school relatief klein is. De mogelijkheden voor verrekening tussen scholen zijn binnen dergelijke besturen namelijk niet aanwezig. Dat betekent dat het bestuur en management nog meer dan anders een zorgvuldig meerjarig (financieel) beleid moet ontwikkelen om risico’s over de jaren heen op te vangen, eventueel in samenwerking met andere scholen.

Risico’s
Aan de invoering van lumpsum zijn globaal genomen twee soorten risico’s verbonden. In de eerste plaats zijn dat de financiële risico’s. In dit kader valt bijvoorbeeld te denken aan risico’s als: een terugloop van het leerlingenaantal, ouderschaps- en bapoverlof, ziekteverzuim, financiële tegenvallers als gevolg van herverdeeleffecten, veranderingen in het personeelsbestand en op termijn wellicht de risico’s op het gebied van vervanging. Daarnaast is een risicocategorie te onderscheiden op het gebied van het beleidsvoerende vermogen van de school. Hierbij is de centrale vraagstelling: beschik je als bestuur en management van een éénpitter wel over de noodzakelijke professionaliteit om de grotere beleidsverantwoordelijkheid als gevolg van een toenemende beleidsvrijheid te kunnen dragen?

Voorbereiding op lumpsum
Gedurende het pilotproject zal de JCS zich daarom ook richten op (A) het verkrijgen van inzicht in hoe je als éénpitter financiële risico’s ten tijde van lumpsumfinanciering zelf kan dragen en (B) welke competenties de toegenomen beleidsvrijheid van de organisatie eist (beleidsvoerend vermogen) en welke rolverdeling c.q. inzet van  bestuur en management daarbij het beste past. Ervaringen die gedurende de pilot worden opgedaan en instrumenten die in dit kader worden ontwikkeld, zullen mede via de diverse kanalen van de VGS aan de achterban ter beschikking worden gesteld.
Een schoolbestuur kan echter niet de uitkomsten van de pilot lumpsum afwachten. Scholen moeten zich nu al voorbereiden op de komst van lumpsumfinanciering. Vragen die het bestuur en het management zichzelf nu al moeten stellen zijn:

  1. verhouding bestuur en management
    Wat zijn de gevolgen van de toenemende beleidsvrijheid voor de rolverdeling tussen bestuur en management? Welke competenties van bestuur en management zijn vereist bij deze toenemende beleidsvrijheid/- verantwoordelijkheid? Waar liggen voor onze school de knelpunten? Is het wellicht noodzakelijk om met behoud van zelfstandigheid te zoeken naar vormen van samenwerking, bijvoorbeeld door middel van een federatie, waarbij bepaalde risico’s gezamenlijk gedragen kunnen worden?
  2. meerjarig (financieel) beleid
    Hoe kunnen we een verantwoord meerjarenbeleid formuleren en hoe vertalen we dat financieel? Hoe formuleren we (financiële) kaders om beleidseffecten op hun (financiële) aanvaardbaarheid te kunnen beoordelen?
  3. planning & control
    Hoe kunnen we volgen of de doelstellingen (en de daarbij behorende geldstromen) vanuit het meerjarenbeleid ook daadwerkelijk worden bereikt, dusdanig dat sturend opgetreden kan worden indien het doel niet gehaald dreigt te worden?

Beleidsvoerend vermogen
Ten tijde van lumpsum moet het bestuur en het management meer dan ooit op de lange termijn gaan denken, meer op een bedrijfsmatige manier gaan werken en denken. De invoering van lumpsumfinanciering mag niet worden opgevat als een  louter financieel-technische operatie. Het vraagt met name om een andere manier van beleid voeren, waarbij het financiële beleid ruimte moet bieden om doelstellingen inzake de onderwijskundige inrichting, het personeelsbeleid en het beleid voor de materiële instandhouding en huisvesting te realiseren. De ontwikkeling van samenhangend, meerjarig beleid vereist een goed functionerend bestuurlijk kader waarin de positie van bestuur, schoolleiding en eventueel bovenschools management op een evenwichtige wijze is geregeld.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Reformatorische School

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 2004

De Reformatorische School | 1 Pagina's

In de proeftuin van lumpsum

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 2004

De Reformatorische School | 1 Pagina's

PDF Bekijken