Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De grenzen van de leraar binnen passend onderwijs

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De grenzen van de leraar binnen passend onderwijs

INCLUSIEF DENKEN VERSUS INCLUSIEF HANDELEN

11 minuten leestijd

Passend onderwijs is nog steeds met enige regelmaat in het nieuws. De Tweede Kamer reageerde onlangs bezorgd op de resultaten van het DUO-onderzoek naar passend onderwijs. De kinderombudsman beweert dat passend onderwijs niet van de grond is gekomen. Het is ook niet niks: passend onderwijs vraagt veel van een leraar. Daarom is het verstandig dat scholen nadenken over hoe zij willen staan in passend onderwijs. Daarbij is het belangrijk dat er ook oog is voor de grenzen aan passend onderwijs. Hoever moet en kun je als school gaan?

Passend onderwijs vraagt om een andere visie op het onderwijs geven aan leerlingen met een speciale onderwijsbehoefte. Sommige reguliere basisscholen denken en werken haast al inclusief; de afgelopen jaren zijn er op deze scholen geen kinderen meer doorverwezen naar het speciaal basisonderwijs. Andere scholen zijn nog niet zover en kunnen daarom maar een beperkt aantal zorgleerlingen opnemen. Er lijken dus grenzen te zijn aan passend onderwijs. Daarin speelt de handelingsverlegenheid van de leraar een belangrijke rol. Passend onderwijs vraagt nogal wat van een leraar. Het is dan ook belangrijk om leraren te ondersteunen en als school zicht te krijgen op wat je nu aankunt en op wat je op termijn zou willen en kunnen. Dat begint met nadenken over hoe je als school in passend onderwijs staat.

INCLUSIEF DENKEN VERSUS INCLUSIEF HANDELEN

De inclusieve gedachte is een mooie gedachte. Immers, ongeacht de mate van de gaven zijn alle leerlingen als schepsel van God aan elkaar gelijk. We mogen dan ook uitdragen dat iedereen welkom is op school. Maar het is de vraag of deze inclusieve gedachte in de praktijk haalbaar is. De onderwijspraktijk is namelijk weerbarstiger. Er zijn nog steeds leerlingen die beter tot bloei komen in het speciaal basisonderwijs en helaas is het aantal leerlingen dat thuiszit dan wel wordt vrijgesteld van de onderwijsplicht de afgelopen periode gestegen, omdat er voor hen om meerdere redenen geen passende onderwijsplek blijkt te zijn. We kunnen dus wel inclusief denken, maar niet altijd inclusief handelen. De belangrijkste vraag die je je als school in dit kader kunt stellen is: hoever moet en kun je als school gaan als het gaat om het bieden van passend onderwijs?

Binnen de huidige wet- en regelgeving hebben scholen de ruimte om hierin zelf keuzes te maken. Ze mogen immers zelf hun visie op passend onderwijs bepalen en uitwerken en dat verwoorden in het ondersteuningsprofiel van de school. Waarom kiest de ene school er dan wel voor om inclusief te handelen en waarom kiest een andere school ervoor om zich te richten op de ondersteuning van een specifieke groep leerlingen, bijvoorbeeld hoogbegaafde leerlingen? In dit artikel wil ik nader ingaan op de grenzen van passend onderwijs en met name de handelingsverlegenheid van de leraar. Uiteraard staat het welbevinden van de leerling voorop bij het bieden van een passende onderwijsplek. Maar wat moet je doen als een leerling zich op zijn plek voelt, maar het de leraar te veel moeite kost om dit voor elkaar te krijgen? Ik ga in dit artikel in op ondersteuningsbehoeften van leraren en factoren die daadwerkelijk ondersteunend zijn. Dit kan als uitgangspunt dienen om als school verder van gedachten te wisselen over vragen als: Willen en kunnen we inzetten op inclusief onderwijs? Wat vraagt dat van ons? Of kiezen we er als school voor om maar een beperkt aantal zorgleerlingen op te nemen?

DE LERAAR: HART VAN HET ONDERWIJS

Beleidsvoering rondom passend onderwijs is noodzakelijk, maar we lijken daarbij weleens te vergeten dat het de leraar is die samen met zijn leerlingen het hart van het onderwijs vormt. Het is de leraar die passend leraarschap in praktijk brengt. En dat gaat verder dan veel gehoorde termen als vakbekwaam en pedagogisch-sensitief zijn, je klassenmanagement op orde hebben of kunnen differentiëren. Juist de houding van de leraar ten aanzien van passend onderwijs en ten aanzien van leerlingen is cruciaal als het gaat om het welslagen van passend onderwijs. Vanuit onderzoek weten we dat een positieve houding en een vertrouwen in het eigen kunnen om passend onderwijs vorm te geven (we spreken dan van een hoge mate van ‘self-efficacy’), helpen om gemotiveerd te blijven en net dat beetje extra te kunnen en willen doen voor leerlingen met een speciale onderwijsbehoefte.

De houding van leraren ten aanzien van passend onderwijs is echter lang niet altijd positief. In een recente rapportage, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW, is te lezen dat dit onder andere komt doordat een kwart van de leraren zich niet bekwaam genoeg voelt om onderwijs te geven aan leerlingen met een speciale onderwijsbehoefte. Daarnaast voelt een derde van de leraren zich overbelast (Smeets, Ledoux, Regtvoort, Felix, & Mol Lous, 2015). Leraren geven aan dat ze onvoldoende tijd hebben om leerlingen met extra onderwijsbehoeften voldoende aandacht te geven, of dat die aandacht ten koste gaat van de aandacht voor de rest van de groep. Daarbij komt dat ze een spanningsveld ervaren tussen het investeren in leerlingen met een specifieke leerbehoefte en het maximaliseren van de leeropbrengst (Algemene Rekenkamer, 2013). Twee deelnemers aan een onderzoek van ons lectoraat verwoordden treffend hoe het voelt om niet aan alle verwachtingen te kunnen voldoen. De ene zei: ‘Ik voel me niet echt bekwaam. Ik kan niet voor 100 procent aan de onderwijsbehoeften van 29 kinderen voldoen.’ De ander vertelde: ‘Ik voel me niet bekwaam, maar eigenlijk vind ik het flauw om te zeggen dat ik niet bekwaam bén, want ik kan wel goed lesgeven. Maar met de druk van opbrengsten en referentieniveaus, denk ik dat ik niet bekwaam ben om aan álle dingen te voldoen.’ In hetzelfde onderzoek hoorden we ook positieve geluiden: ‘Eerst dacht ik: passend onderwijs, oei! Maar toen kwam ik erachter wat ik allemaal al doe. Dat helpt! Door na te denken over alle kansen en belemmeringen ging dat oei-gevoel weg. Ik doe m'n best en ik werk knetterhard. Het zal heus wel goedkomen!’

Waar komen deze verschillen tussen leraren vandaan? En hoe kun je als leraar, maar juist ook als team werken aan het gevoel om passend onderwijs beter aan te kunnen? Door hier meer zicht op te krijgen kun je als school een goede afweging maken en bepalen wat mogelijkheden zijn en waar momenteel grenzen liggen.


Hoever moeten en kunnen we als school gaan als het gaat om het bieden van passend onderwijs?


HET GEVOEL VAN ONBEKWAAMHEID

Handelingsverlegenheid en met name het gevoel van onbekwaamheid heeft onder andere te maken met kennis en ervaring. Leraren voelen zich met name onvoldoende toegerust om onderwijs te geven aan leerlingen met gedragsproblemen en/of sociaal-emotionele problemen (De Boer, Pijl, & Minneart, 2011), zoals leerlingen met een stoornis binnen het autistisch spectrum. Op andere ontwikkelingsgebieden, zoals taal-/spraakproblemen, zie je veel verschillen tussen leraren (Smeets et al., 2015). Enerzijds zijn er leraren die bijvoorbeeld prima om kunnen gaan met die ene leerling met het syndroom van Down, terwijl andere leraren niet de passende ondersteuning kunnen geven aan deze leerling. Daarnaast is bekend dat leraren met meer ervaring in het lesgeven aan kinderen met een speciale onderwijsbehoefte zich bekwamer voelen en een positievere attitude ten aanzien passend onderwijs hebben dan leraren met minder ervaring. Ten slotte voelen leraren zich bekwamer als er op school een cultuur heerst waarbinnen de schoolleider en ib’er stimulerend leidinggeven. Dat houdt in dat ze duidelijk aangeven wat er van hun leraren verwacht wordt, dat ze hen inhoudelijk ondersteunen en van goede feedback voorzien.

TEAMVISIE OP PASSEND ONDERWIJS

Kennis, ervaring en teamcultuur zijn dus drie belangrijke factoren met betrekking tot hoe je als leraar en als team aankijkt tegen passend onderwijs. Hoe kunnen de genoemde inzichten nu helpen om als team te bepalen wat je aankunt?

Ten eerste is het goed om zicht te hebben op hoe je als team tegen passend onderwijs aankijkt en hoe je handelt. Daar kan immers een verschil zitten. Je kunt als school uitdragen dat ieder kind welkom is, maar de praktijk wijst uit dat het niet altijd haalbaar is om alle aangemelde kinderen daadwerkelijk passend onderwijs te bieden binnen jouw school. Het is daarom belangrijk om als schoolleider en ib’er te weten welke expertise er al is binnen de school en welke scholingsbehoeften leraren hebben. Juist het opdoen van specifieke kennis en ervaring kan helpen om een positievere houding te ontwikkelen en het vertrouwen in eigen kunnen te vergroten, maar dat moet wel aansluiten bij wat de leraar nodig heeft. Het gaat er dan niet om dat je als leraar van alle ontwikkelingsproblematiek verdiepende kennis hebt. Dat is namelijk onhaalbaar. De kracht zit 'm er juist in dat je binnen het team kennis met elkaar deelt. Dat vraagt om leiderschap dat zich richt op teamleren. Onderzoek van ons lectoraat laat zien dat er op dit punt nog veel winst te behalen is in het reguliere onderwijs. Op s(b)o-scholen blijkt meer een cultuur te heersen waar leraren van en met elkaar leren. Ook durven s(b)o-leraren problemen eerder te bespreken dan leraren in het reguliere onderwijs.

Kijk als team dus eens in de spiegel. Wat voor sfeer heerst er op school ten aanzien van met en van elkaar leren? Is er intervisie op school? Is er voldoende aandacht voor scholingsbehoeften van leraren? Waar ligt onze expertise en op welke onderwerpen kunnen we ons verder ontwikkelen? Kunnen we faciliteren dat leraren eens een dagdeel meelopen met een collega uit het speciaal basisonderwijs? En als een leerling wordt doorverwezen, kijken we dan ook kritisch naar onszelf? Met andere woorden, vragen we ons als school af of we voldoende hebben gezocht naar mogelijkheden om die leerling binnen de school passend onderwijs te bieden? Allemaal vragen die kunnen helpen om als school na de te denken over inclusief denken versus inclusief handelen. Door met elkaar het gesprek hierover aan te gaan, kun je tot een realistische afweging komen en de eerder gestelde vraag ‘Willen en kunnen we inzetten op inclusief onderwijs?’ beantwoorden. Zo kom je tot een gezamenlijk gedragen visie op passend onderwijs, die zichtbaar wordt verwoord in het ondersteuningsprofiel van de school. De handreiking In gesprek met elkaar over passend onderwijs (lectoraat Passend leraarschap, Driestar hogeschool, 2015) bevat casussen en gespreksvragen die kunnen helpen om het gesprek hierover op school vorm te geven.


Als een leerling wordt doorverwezen, kijken we dan ook kritisch naar onszelf?


TEAMVISIE OP PASSEND ONDERWIJS

Ik realiseer me dat onderwijs geven aan een grote groep leerlingen, met toenemende verschillen in onderwijsbehoeften, echt niet makkelijk is. Daarom is het ook zo belangrijk om als team na te denken over hoe je staat in passend onderwijs en hoe je je hierin verder kunt ontwikkelen. Daarbij is aandacht voor de persoon van de leraar essentieel. Via de contacten die ik heb in het werkveld merk ik hoe hard leraren werken. Persoonlijk maak ik het ook mee, omdat mijn twee oudste kinderen op de basisschool zitten. Ik zie wat leraren allemaal doen voor hun leerlingen, hoeveel tijd ze steken in hun onderwijs en hoe moeilijk het onderwijs geven soms ook kan zijn. Maar het mooiste van alles vind ik dat ze ondanks de werkdruk toch steeds weer hun hart voor onderwijs laten zien. Als ik mijn twee oudste kinderen naar school breng zie ik dat telkens weer terug. Die warme begroeting, hun enthousiasme, die uitstraling van: “Fijn dat je er weer bent vandaag.” Laten we dus vooral ook oog hebben voor het hart van de leraar in het gesprek over passend onderwijs. Dan komen we een heel eind!

Laten we vooral ook oog hebben voor het hart van de leraar in het gesprek over passend onderwijs


BESPREKEN

Onderstaande vragen zijn bedoeld als handvatten om dit essay in groepsverband te bespreken.

Hebben we als school een gezamenlijk gedragen visie op passend onderwijs?

Hoe kunnen we een team worden dat het gevoel heeft passend onderwijs beter aan te kunnen?

Weten we van onszelf en van elkaar waar onze expertise ligt en welke ondersteuningsbehoeften we hebben?

Hebben we voldoende oog voor de persoon van de leraar? Hoe vergaat het hem of haar met meer zorgleerlingen in de klas?


Dr. Neely Anne de Ronde-Davidse is afgestudeerd aan de Universiteit van Utrecht in Taal- en cultuurstudies, afstudeerrichting taalontwikkeling en taalvariatie, en in de Pedagogische wetenschappen, afstudeerrichting leerproblemen. In juni 2014 promoveerde ze aan de Universiteit Leiden op het onderzoek Links between executive functions and early literacy and numeracy. Sinds november 2014 is ze werkzaam als associate lector Passend leraarschap bij Driestar hogeschool.


In deze rubriek iedere maand een opiniërende bijdrage van een kritische denker die betrokken is bij het onderwijs. Het artikel is bruikbaar voor bespreking in docenten- of managementteam. Deze maand: dr. N. J. de Ronde-Davidse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 2015

De Reformatorische School | 52 Pagina's

De grenzen van de leraar binnen passend onderwijs

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 2015

De Reformatorische School | 52 Pagina's

PDF Bekijken