Bekijk het origineel

Kennisse Gods.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kennisse Gods.

6 minuten leestijd

Het heeft den Heere behaagd Zich aan uns menschen te openbaren èn in de natuur èn in de Heilige Schrift; dienovereenkomstig dan ook is er eene tweeërlei kennisse Gods, eene algemeene uit de natuur en eene bijzondere uit de Heilige Schrift. „Wij kennen God door twee middelen", zoo spreekt art. 2 onzer geloofsbelijdenis (1). „Ten eerste door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld : overmits dezelve voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk Zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, als de Apostel zegt Rom. 1:19, 20, welke dingen alle genoegzaam zijn om de menschen te overtuigen en hun alle onschuld te benemen. Ten tweede geeft Hij Zich zelven ons nog klaarder en volkomcner te kennen door Zijn heilig en goddelijk Woord ; te weten, zooveel als ons van noode is in dit leven, tot Zijne eer en tot Zaligheid der Zijnen.
Van de kennis Gods uit de nature nu handelen we eerst, gelijk Hellenbroek in het eerste lesje van zijn voorbeeld der Goddelijke waarheden. En bij de bespreking van die algemeene Godskennis dus denken we ons alle kennis des Bijbels weg; alleen wat van nature, zondet bijzondere openbaring ons eigen is geldt hier.
De Algemeene Godskennis nu is tweeërlei. Zij is Ingeschapen en Veikregen. Ook gebruikt men wel de benaming inwendige en uitwendige kennis; en ik heb tegen die benamingen geen bezwaar, als maar niemand dat in- en uitwendig verwarren gaat met al of niet zaHgmakend. Zoo is 't b. v. bij de roeping. De inwendige loeping is de zaligmakende; doch de inwendige Godskennis is dat geenszins. Om nu niet te verwarren, gebruiken we liever de duidelijke benamingen ingeschapen en verkregen kennis.
Welke nu is de ingeschapen kennis ?
Onder de ingeschapen kennis verstaan we die openbaring Gods, in ieder mensch, waardoor deze met een besef geboren wordt, dat er een Goddelijk wezen is.
Zij bestaat niet in aangeboren idéën, doch is een van God in elke menschenziel geschonken indruk van een hooger Wezen, en behoort tot het wezen van den mensch. Paulus spreekt van die kennis in den door onze geloofsbelijdenis aangehaalden tekst Rom. 1:19,20 en ook in R',m. 2:14,15: „Want wanneer de Heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze de wet niet hebbende, zijn zichzelven eene wet, als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hnnne consciëntie mede getuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende". Dat een Jood de dingen der wet deed en er naar oordeelde was geen wonder. God gaf hém eens de wet van Sinaï. Doch de Heiden hoorde van die wet nooit; en toch doet ook hij de dingen der wet. Hoe kan dat dan ? Wijl hij een ingeschapen kennis heeft. God schreef het iverk der wet in zijn hart, zegt Paulus. Niemand 't zij Jood of Heiden, niemand op geheel den aardbodem of hij wordt met die kennis geboren. Ze komt hem niet aan op rijperen leeftijd ; neen ze wordt in zijn hart ingeschapen bij zijne geboorte. En wel is het bewustzijn van het Godsbestaan vaag: zóó vaag, dat men door die ingeschapen kennis zelfs niet weet, dat er maar één God is, en de Heidenen dan ook veel-goden dienaars zijn, maar toch door die ingeschapen kennis heeft elk Adamskind een indruk van een Godsbestaan. Geen Godloochenaar wordt dan ook geboren, een Godloochenaar wordt gemaakt. Moedwillig tegen de sprake zijner consciëntie in, loochent hij het bestaan van alle Hooger Wezen. Innerlijk weer hij echter betir; maar hij wenscht om ongestoord zijn zondepad te kunnen wandelen, dat er geen God zij. De onrust in zijn gemoed ; 'taltijd en altijd weer gedrongen worden over God en godsdienst te spreken, z'n smaden, spotten, vloeken bewijzen 't wel; het godloochenen is meer een wenschen, dan een dadelijk gelooven, dat er geen God is. De atheïst is de rfw'cas, die in zijn hart zegt: „Er Is geen God". Elk mensch heeft het bewustzijn, dat God bestaat; God heeft 't hem geopenbaard. Om zoo te zeggen : God zelf heeft in elke mensch bewezen, dat Hij is. Daarom behoeft, ja mag zelfs nooit beproefd worden te bewijzen, dat God bestaat. Ais een atheïst, dat vraagt, verwijst ge hem naar den dag des oordeels, waarin hij tot zijn eeuwig verderf 't ervaren zal. Die beide oogen vast toesluit, ziet niets ; en zoo doet de Godloochenaar.
Niemand heeft noodig, dat hem bewezen Worde, dat God is ; met die wetenschap is elk geboren.
En die ingeschapen kennis is niet doelloos gegeven, 't Nut dier kennis is drieërlei :
De ingeschapen kennis.
1. beneemt alle onschuld.
Niemand zal eens voor Gods rechterstoel kunnen zeggen : „Ik wist niet van een Godsbestaan". God gaf zich te kennen : Opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn".
Daarenboven maakt de ingeschapen kennis het bestaan der wereld mogelijk, want zij wekt:
2. een gevoel van afhankelijkheid en daardoor onderdanigheid en:
3. zij doet jagen naar gerechtigheid, Rom. 2: 14, 15.
Hoe zouden millioenen menschen gehoorzamen zelfs tot in den dood aan 't bevel van een eenig gebieder, 't zij dan gekroond of ongekroond Staatshoofd, zoo niet. God dat besef had ingeschapen, dat boven ons staat een hooger Wezen ? In 't opwassen wordt die ingeschapen kennis vermeerderd door
DE VERKREGEN KENNIS
Die verkregen kennis is die, welke wij bij het opwassen verkregen uit de schepselen buiten ons. Het aandachtig beschouwen van de werken Gods in de natuur brengt in onze ziele steeds levendiger besef van Gods grootheid en majesteit. De hemelen toch vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. „Vraag toch de beesten en elk één van die zal het u te kennen geven. Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des Heeren dit doet?" (Job. 12:7—9), In die verkregen kennis hebben sommige heidenen het zeer verre gebracht. Der heidenen apostel geeft daarvan bewijs, door het woord van sommige poëten aan te halen, die zeiden: „Wij zijn van Gods geslacht." En toch de natuurlijke Godskennis laat ons „verduisterd in het verstand". (Efeze 4:18) Zeis gansch ongenoegzaam tot zaligheid. Immers hemel noch aarde ; plant noch dier spreken ons ook maar één woord van Christus. En toch Hem zullen we tot zaligheid moeten kennen Joh. 17:3.
Ter zaligheid behoeven we dan ook een hoogere openbaring dan de natuurlijke. Geen heiden kan zalig worden, als hem die hoogere openbaring vreemd blijft, die ons gedocumenteerd is in de Heilige Schrift.


1) 'k Zou alle catechisanten zeer sterk aanraden de 37 geloofsartikelen van buiten te leeren, gelijk mijn beste leerlingen steeds deden.

I. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1921

De Saambinder | 4 Pagina's

Kennisse Gods.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1921

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken