Bekijk het origineel

Bart en Kees

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bart en Kees

5 minuten leestijd

KEES En nu gaan wij, volgens Num. 33:21 Haar RISSA hé Bart? Dat is zeker ook een waarvan niets te vermelden is, althans ik kan er in historie niets van vinden.
BART. Wij krijgen nu een reeks legerplaatsen, die in de geschiedenis niet vermeld worden, omdat er geen bijzonders voorviel. Toch zijn ze voor ons van het hoogste belang, al weten wij slechts den naam, dien de Heere aan die legerplaatsen gaf. Die zijn van de grootste beteekenis. ook voor den geestelijken pelgrim, zooals wij vroeger reeds gezien hebben. De legerplaats, die wij nu een wijle met onzen pelgrim betrekken, houdt nog zulk nauw verband met de voorgaande.
Immers, wij hebben eerst gezien hoe Israels volk het voor God bedierf; toen, hoe de Heere hen deswegen kwam te kastijden; toen zagen wij wat die kastijding uitwerkten, het hart werd gescheurd als een granaatappel; daarna is de breuk hersteld; toen was het weer een Libna.
Wat ervaart dan ieder tot God wedergekeerde pelgrim ? Dit, dat de Heere hem opnieuw overstort met een schat van hemelsche zegeningen, dat de Heere hem weer als met vet en smeer komt te verzadigen. Nu, daar wijst „ Rissa " op.
KEES. Wat beteekent „Rissa" ?
BART. Besproeien of bevochtigen.
KEES. Dat is wel een mooie naam!
BART. Ik denk dat die naam ons twee dingen zegt, Ten eerste: welke behoefte onze pelgrim heeft en ten tweede: welke vertroosting hij ontving.
KEES. Dat tweede kan ik wel uit dien naam afleiden, die zielsbevochtiging zal wel hetzelfde zijn als de zielsvertroosting, maar hoe lees jij er nu het eerste uit? Hoe weet je nu uit dien naam aan te wijzen welke behoeften onze pelgrim heeft?
BART, Dat is heel makkelijk Kees Wij zingen van den Heere Psalm 84 dat Hij zoo GOED en MILD is. Dat ondervindt elke begenadigde ziel dat God goed en mild is. Toch zal de Heere nooit zijn genade verspillen. De Heere geeft nooit iets, of het moet er noodig zijn. Hij geeft LICHT aan DIE IN DUISTERNIS ZYN; KRACHT aan ZWAKKEN; en Hij BESPROEIT het DROGE, het DORRE, het VERLEPTE, het VER FLENSTE. Daar hebt ge zeker toch niets op tegen, hé?
KEES. Neen, volstrekt niet!
BART. Nu, dan weten wij immers juist in welken toestand het volk te Rissa aankwam. Hoe zij daar lagen, als een dorstige akker, die bevochtiging noodig had. Z oo is het toch met den geestelijken pelgrim ook, waar hij van God afwijkt, daar houdt alle bevochtiging op, dan houdt de Heere den dauw Zijner vertroosting in, en wat is dan het gevolg? Dat de genaden der ziel als verflensen. Het geloof, de hoop, liefde, de dotmood, enz. dat alles heeft bevochtiging noodig met den dauw des hemels. Houdt nu de vochtigheid in, ach Kees. dan kwijnt ons geloof, de hoop verflauwt. ' t Is alsof de liefde is uitgebluscht.
Ja heel ons geestelijk leven kwijnt. Het gebed wordt slechts een vorm, waarvan de ziel walgt. Ons kerkgaan zoo onvruchtbaar.
Het Heilig Avondmaal kan men zoo missen.
Gods Woord wordt nog uit gewoonte gelezen. Ach Kees, al het goede staat verlept op den akker van het hart en de doornen en distelen, het onkruid, groeit er boven uit.
Kees. Men zou haast zeggen: „ den dood gelijk ".
BART. Ja, maar er is toch een groot verschil tusschen DOOD en DOR. Het een verrot, terwijl het andere terecht komt. De H. Geest is .„weer de eerste. Dan komt er weer een gevoel van dorst. Dan klaagt die mensch: „ Mijn 'ziel, door rouw bezweken, kwijnt als het gras in dorre streken: 'Ja, dan hoor je weer: „O Heer, mijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U in een land, dat dor en mat, van droogte brandt. Waar niemand lavenis kan krijgen. " En daar kan de Heere het niet tegen uithouden, dan wordt het RISSA, dan gaat die lieve Heere uit genade die ziel weer bevochtigen, evenals oud Israel Hij bracht ze te RISSA, dat zegt vochtige bedauwing.
KEES. Van dauw en regen wordt in de H. Schrift dikwijls gesproken, wat mag daar toch onder verstaan worden?
BART. Soms wordt er in den Bijbel over den dauw gesproken in eigenlijken zin en dan wordt er mede bedoeld die vonkelende droppeltjes, die bij het opgaan der zon schitteren als diamantjes, en een zegen zijn voor bloem en plant; bosch en veld. Maar er wordt ook dikwijls in de H. Schriftuur over den dauw gesproken in een oneigenlijken zin dat is dus, om zoo te zeggen: „geestelijke dauw".
KEES. Juist, die bedoel ik. Wat hebben we daar nu onder te verstaan?
BART. Dat is al eens wat verschillend. Soms moet men er den Heere zelf onder verstaan, zooals in Hosea 14: 5. Ik zal Israel zijn als de dauw. Dan moet men er weer onder verstaan „Gods beloften", die als dauwdroppels de ziel bevochtigen. Mozes vergeleek er zijn reden bij, zeggende (Deut. 32: 2)
„Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw", 't Is een keurig beeld van de prediking des Woords, en veelmaals wordt er onder dien dauw verstaan de „Goddelijke vertroosting".
KEES. Wanneer de H. Geest zulk een gebruikt, mij dunkt Bart, dat er dan altijd overeenkomst is tusschen het beeld, en hetgeen er de Heere door afbeeldt.
BART. Daar kunt ge vast op gaan.
KEES. Maar nu is de moeielijkheid om die overeenkomst aan te wijzen.
BART. In dit geval is er niet veel moeite aan, want de overeenkomst tusschen de Goddelijke vertroostingen en de dauw is zoo in het oogloopend dat ik haast zou zeggen, een kind kan dat aanwijzen.
KEES. Ga je gang Bart, ik zal gaarne naar je verklaring luisteren.
BART. Nu goed, ik hoop je den volgenden keer op vijf verschillende overeenkomsten te wijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1922

De Saambinder | 4 Pagina's

Bart en Kees

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1922

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken