Bekijk het origineel

SARAH’S GELOOF.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

SARAH’S GELOOF.

10 minuten leestijd

Door het geloof heeft ook Sarah zelve kracht ontvangen om zaad te geven, en boven den tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard, overmits zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had. Hebr. 11 : 11.

Sarah door het geloof kracht ontvangen ?

Hoe kan de Apostel dat schrijven !

Meldt ons dan de Schrift niet van Sarah's ongeloof ?

God heeft Abraham beloofd, dat niet de Demascener maar „die uit uw lijf voortkomen zal," zijn erfgenaam zou zijn. In dien onvergetelijken nacht heeft de Heere Abram naar buiten geleid en hem doen opzien naar den hemel, zeggende: tel de sterren, indien gij ze tellen kunt: „Zoo zal uw zaad zijn."

Toen heeft Abraham geloofd.

Bij verbondssluiting is hem de belofte Gods bevestigd.

Maar Sarah ?

„Zij baarde hem niet."

Wachtte zij toen op het heil des Heeren ? Op dien God, Die wonderen doet ?

Lees in Gen. 16. „Zij had eene Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. Zoo zeide Saraï tot Abram: zie toch, de Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijne dienstmaagd."

Was het door geloof, dat zij Hagar aan Abram afstond ? Heeft de bittere vrucht haar zelf niet anders bewezen ?

Nadrukkelijk heeft de Heere aan Abraham de belofte tot Sarah bepaald. Haar naam werd zelfs veranderd van Saraï in Sarah. En toen, als de drie mannen, die op weg waren Sodom te verwoesten, tot Abrams tent ingekomen waren, heeft de Engel des Verbonds, zelfs den tijd van de geboorte van den beloofden zoon toegezegd: „Ik zal voorzeker tot u komen omtrent dezen tijd des levens, en zie Sarah uwe huisvrouw zal een zoon hebben."

Heeft Sarah, in wier naam God Zichzelf geopenbaard en aan haar verbonden had, toen geloofd ?

Sarah lachte bij zichzelve, zeggende: „Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is ?"

Ter verantwoording geroepen loochende Sarah het bovendien zeggende: „Ik heb niet gelachen; want zij vreesde."

Neen het ligt zoo maar niet voor de hand, dat Sarah door het geloof, kracht ontvangen heeft.

Of ziet de Hebreën-brief eigenlijk op het geloof van Abraham ? Bedoelt de Apostel dat Abrabams geloof in Sarah krachten deed ? Sommigen hebben gepoogd deze uitlegging aan de woorden van Hebr. 11 te geven. Maar ten onrechte.

De Heilige Geest getuigt hier van het eigen geloof van Sarah. Hoe duidelijk is de overgang in deze woorden van Abraham op zijne vrouw: „En ook Sarah zelve heeft kracht ontvangen." Bovendien Sarah is de vrije, uit wie de kerk is, (Gal. 4:22, 23) en de geloovige vrouwen zijn hare dochters (1 Petr. 3:6) aan wie haar geloof en gedrag ten voorbeeld wordt gesteld. Niet over het geloof van Abraham gaat het hier, doch over dat van Sarah. Met dit te ontkennen heft men de bedenkingen tegen Sarah's geloof niet op; verkleint men veeleer het genade-werk in Sarah en miskent men haar geloof, dat bij herhaling in de Schrift wordt geroemd.

Blijft alzoo de vraag, waarin Sarah haar geloof betoonde; een vraag die te sterker opdringt, omdat Sarah de eerste vrouw is, wier geloof nadrukkelijk in Gods Woord geprezen wordt, zelfs door de twee Apostelen Paulus en Petrus.

Van Sarah's jonge leven weten wij niets. Wat zij was als jonge maagd meldt de Schrift met niet één woord. Zij treedt alleen op als vrouw van Abraham; en als zoodanig wordt zij door Petrus andere vrouwen ten voorbeeld gesteld. Zij is haren man Abraham gehoorzaam geweest, hem noemend haren heer. Naar Gods ordinantie gedraagt zij zich; onderworpen is zij aan Gods bevel, dat in het paradijs den wil der vrouw aan den man onderworpen heeft. Het viel Sarah niet zwaar, gelijk vele vrouwen in onzen tijd de hier geteekende verhouding onmogelijk achten, en tot een bespotting maken. Sarah vindt in Gods inzetting hare bevrediging; het is haar leven, te staan in gehoorzaamheid aan de zijde van dien man, aan wien God Zich bond door Zijn onveranderlijk woord. Daarom kan zij meetrekken, van vriend en magen weg, uit Ur der Chaldeën naar Kanaän. Want ook Sarah gelooft de belofte Gods, en hoopt op Zijn heil. Laten vorsten haar rooven, eerst Pharao en later Abimelech, zij blijft Abram getrouw. Met haast heeft zij naar Abrahams woord drie maten meelbloem gekneed en koeken gebakken voor Abrahams gasten en zoo onwetend engelen geherbergd.

Zeg nu spreekt uit zulk een gedrag niet het leven, dat God in haar wrocht ? Ligt in dien wandel niet de openbaring van Sarah's geloof ?

Doch dan die beide stuitende voorvallen, zooeven genoemd ?

Zoudt ge dan te kort willen doen aan het getuigenis des Heiligen Geestes over Sarah ? Of valt uit het woord des Apostels ook hier het licht over haar gedrag.

Sarah geloofde het woord, dat God tot Abraham gesproken had. Hij zou een zoon hebben; maar het licht ontbrak Sarah over den wondervollen weg, dat God graven zou uit de holligheid van den bornput. Zij kon zichzelf in de vervulling dier belofte niet betrekken. Toen gaf zij Hagar, overleggende: „misschien zal ik uit haar gebouwd worden." Ja Sarah doolde. Tot volle vastheid en zekerheid was zij niet gekomen. Maar was niet diep in haar harte toch een gelooven van de belofte Gods, aangaande de komst van de Messias ? Sarah handelde gansch verkeerd; doch deed zij het niet, omdat in haar ziel toch een verlangen was door het geloof naar het aan Abraham toegezegde heil ? Voorwaar Sarah was geen ongeloovige.

En toen, zij lachte ?

Toen stak ongeloof den kop op. Zij ziet op de omstandigheden; dat uit haar de zoon der belofte geboren zal worden is onmogelijk. De moeder is in haar verstorven. Neen Hagars kind denkt zij zich als vervulling van wat de Heere Abraham heeft toegezegd. Pleit voor dat wantrouwen niet; evenmin als voor Sarahs ontkennen van wat was geschied. Voor de zonde is geen pleit te voeren; nooit. Maar te verstaan is deze wangestalte zonder dat te kort gedaan wordt aan Paulus' getuigenis, dat Sarah door het geloof kracht ontvangen heeft. Ja kracht ontvangen. Zij werd Izaaks moeder; moeder van den zoon der belofte; door het geloof.

In Christus is noch man, noch vrouw. Bevestigt dit Sarah's geloofsleven niet ? De vrouw was de eerste in de zonde; maar genade verhief haar zoowel als de man. Sarah wordt onder de getuigen des geloofs genoemd; straks Rachab en Bathseba. Zou voor iemand de genadedeur gesloten zijn ? Voor niemand. God biedt in Christus de zaligheid aan aan gansch verloornen, wie zij ook zijn.

„Hoor o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uws volks en uws vaders huis; zoo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid."

Moge de Heere ons tot jaloerschheid verwekken op het goed, dat de wereld niet kent. Geen ijdel gezelschap; geen mode van den tijd trekke u. Verzaak de wereld en wat er in is. Wie wij ook zijn de Heere make ons volgelingen van Sarah en geve ons deel aan haar geloof.

Het leven des geloofs is een leven vol strijd. Ge ontmoet in onze dagen scharen van grootgeloovigen, die niet weten van eenige werkzaamheid en bevinding der ziele, noch den strijd kennen, waarvan het leven der geloovigen vol is. Het is te vreezen, dat zij niet hebben dan een ingebeeld geloof, waarmede zij te kort zullen schieten. Niemand hebbe aan Sarah's geloof te twijfelen, want God de Heilige Geest heeft ons betuigd dat zij geloofde en evenwel aan hoeveel strijd is haar geloof onderworpen geweest, totdat eindelijk zij doorbrak, en kracht ontving om de vervulling der belofte te bekomen.

Zou dan Gods bestreden volk niet moed grijpen? Toen God u overtuigde van uw ellendestaat, wrocht in u het oprecht, zaligmakend geloof, waardoor gij met smeekingen en geween tot Hem u wenden mocht, om genade te verkrijgen. En toen sterkte de Heere dat geloof door de opening van Zijn Woord; onder de prediking en in uw zielsoverleggingen; toen opende Hij u den weg der zaligheid in Christus, als gij geen weg meer wist; toen sprak Hij u Zijn beloftenissen waarop gij u verlaten mocht. Toen werd het meermalen zoo, dat gij uitriept, nooit meer te zullen twijfelen. Maar o die bestrijdingen ! die aanvallen, dat dit werk niet van God is; dat de zondeschuld te groot is; dat voor deze en die zonden geen ontkoming is; dat het bij Gods volk toch anders is dan bij u; of dat die verlossing in Christus voor Zijn volk is, maar dat gij er buiten zijn zult. O, dat bange, dat de vervulling der belofte onmogelijk wordt, gelijk bij Sarah. En wat al aanvechtingen zijn te overwinnen door het geloof. Komt Gods lievelingen houdt moed. De Heere zij uw toevlucht. Hij Die nooit verlaat het werk Zijner handen. Zoudt gij willen ruilen met die groot-geloovigen, die maar aannemen, en roemen ? Immers neen; o neen ! Op geen zandgrond wilt ge bouwen. Maar heeft dan de Heere het in Sarah niet getoond, dat Hij het zwakke geloof kan en wil sterken, opdat de twijfel worde uitgedreven ? Hebt gij zelf er geen ervaring van, zoo menigmaal het geloof in uw ziele doorbrak ? Moest toen alle twijfel niet wegvlieden ? Zoo breke eens het volle licht in uw ziele door. Dan zal geen verwijt uw hart meer kwellen. Noch bij Paulus, noch bij Petrus, die beiden van Sarah spreken, vindt ge iets anders dan den roem van Gods genade in haar verheerlijkt. Zoo zal de Heere ook doen aan u. Hij zal zijn eigen werk kronen ! Het geloof zal ook uw ziel bekrachtigen; dan zullen stomme Zachariassen spreken; en verstorven Sarahs leven. Dan zullen uw lippen Gods roem vertellen.

Het was genade in Sarah. Zij verkreeg kracht; de grond van haar blijdschap en roem lag niet in haar, maar in God. Uit Hem ontving zij sterkte waardoor haar leven als vernieuwd en verjongd werd, waar het door ouderdom verstorven was. De belofte Gods bekwam door geloof haar vervulling. En zou met Sarah dat volk niet in God roemen, dat door het geloof het leven, de volkomen verlossing, de zaligheid in Christus verkrijgt ? Wat bleef uw ziel over, waarop gij roemen zoudt ? Nam God niet allen steun onder uw zielevoet weg ? Bleef u één zucht; één pleiting over, toen de Heere uw leven afsneed ? Bekleed werd uw naakte ziel met de gerechtigheid van Christus; omhangen werdt gij met de kleederen des heils. Het was Gods werk in u, dat gij door het geloof mocht omhelzen. Krachten hebt ge verkregen. Gods volk zal zich verheugen in gegeven goed. O, laat het ons gedurig vernederen; verootmoedigen voor Gods aangezicht, opdat wij niet roemen uit de hoogte, alsof wij het niet ontvangen hadden. Hoeveel kwaad doet het meer bevestigde volk van God, wanneer het op de genade-giften zich verheft. Het doet zichzelf kwaad, wijl het een donkerheid over de ziele haalt; want God geeft den nederigen genade. Het doet ook vele oprechte zielen kwaad door heerschappij over hen te voeren. Genade maakt klein; wasdom in de genade wordt kenbaar aan diepe verootmoediging des harten.

Hoe krachtig werkte het geloof in Sarah ! Zij heeft Hem getrouw geacht, Die het beloofd had. Zoo richt zich het geloof op God en Zijn beloften; op Hem, Die geen menschenkind is, dat Hij liegen kan. O, die vastheden des geloofs ! dat zinken op den Onveranderlijke ! Zou Hij Zijn waarheid immer krenken ?

Hopende op Gods beloften, hetzij in uw tijdelijke nooden, of voor Zijn kerk; of voor uw zaad; of tot uw eeuwige verlossing, wat het ook zij, waarmede gij werkzaam werd voor Hem, zij in onze ziele gedurig iets van dat verlaten op den Heere. Acht in alle moeiten en menschelijke onmogelijkheden Hem getrouw, Wiens Naam is Jehovah: „Ik zal zijn, Dien Ik zijn zal."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1928

De Saambinder | 4 Pagina's

SARAH’S GELOOF.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1928

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken