Bekijk het origineel

IZAÄKS GELOOF.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

IZAÄKS GELOOF.

8 minuten leestijd

Door het geloof heeft Izaak zijn zonen Jacob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. Hebr. 11 : 20.

Wonderlijk meermalen, die voorbeelden, die Paulus geeft, ten bewijze van het geloof der bijbelheiligen. Moet nu uit de zegening van Jacob en Ezau het krachtig geloof van Izaäk blijken ? Ezau is de verworpene; en de wijze waarop Jacob den zegen verkrijgt is van ongeloof en menschelijke zwakheden vol. Lag het aan ons, wij zouden toch niet in de eerste plaats de zegening der beide zonen ten bewijze aanvoeren van Izaäks geloof.

Wat Izaäk zelf betreft, hij bemint Ezau boven Jacob, louter om het wildbraad. Het staat er zoo duidelijk en onomwonden in Gen. 25:28: „En Izaäk had Ezau lief, want (zie daar de reden er van) het wildbraad was naar zijn mond." Blijkbaar kon dat wildbraad alles goed maken. Het was toch Izaäk niet verborgen, welk een wereldsch, ruw, onheilig leven Ezau leidde. Ja de beide Hethitische vrouwen van Ezau Judith, de dochter van Beëri, en Basmath, de dochter van Elon, waren Izaak en Rebekka een bitterheid des geestes. Was een huwlijk met Heidensche vrouwen niet geheel in strijd met Gods wil, geopenbaard in de roeping van Abraham ? Had Izaäk's vader niet voor hèm gezorgd en eene vrouw doen komen, uit het land zijner maagschap ? Was Ezau's huwlijk, blijk en vrucht van zijn Godvergeten leven niet genoeg, om Izaäk de oogen te openen, dat God hem haatte en verwierp ? Maar vleeschelijke voorkeur heeft bij den oud geworden pelgrim zelfs de overhand, en doet hem spreken: „Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet; nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad; en maak mij smakelijke spijzen, zoo als ik ze gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete, opdat mijn ziel u zegene eer ik sterve." Waar blinkt in deze handeling van Izaäk iets van het geloof ? iets van het heilig besef, dat de zegening, waarmede hij zegent, het geestelijk en eeuwig heil van Messias omvatten zal ? Waar is een zoeken van Gods aangezicht ? Laat Rebekka, als een geheim, ook voor hem, bewaard hebben, dat God haar nog eer de kinderen geboren waren, geopenbaard had, dat Jacob de verkoorne Gods was, doch Izaäk blijft het ten schuld, dat hij den Heere niet vraagt, noch naar Zijn wil onderzoekt. Voorliefde, gewekt door begeerlijke spijze, voorliefde voor den ruwrondborstigen, den onheiligen Ezau, drijft den oude; voor wien eens in zijn jonge dagen de spotter Ismaël had moeten wijken.

Izaäk is te bestraffen; Izaäk komt hier openbaar in menschelijke zwakheden. Doch hoe kan dan Paulus deze zegening roemen als Izaäks geloofsdaad ?

Voorwaar de zegening verkrijgt geen verhevener karakter, als ge let op de handelingen van Rebekka en Jacob. Schakel vrij Ezau uit. Hij is een onheilige; een spotter; een vertrapper van Zijn eeuwig heil. Voor een schotel linzen-moes verkoopt hij zijn eerstgeboorte. Eeuwigheidsbelangen kent hij niet. „Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte ?"

Maar de godvruchtige, rijk begenadigde Rebekka neemt haar toevlucht tot handelingen, die in strijd zijn met het kinderlijk betrouwen des geloofs. God heeft haar Zijn eeuwigen raad ontdekt; Zijn vrijmachtig welbehagen. Zij wist, dat God Jacob liefhad en Ezau haatte. Het leven der beide jongens was een geheele bevestiging van het haar geopenbaarde Gods-geheim. Indien iemand, dan had zij mogen stille zijn en op Gods daden wachten. En zie deze moeder neemt haar toevlucht tot list en leugen en bedrog. Zij dringt haar Jacob tot bedriegelijke handelingen, en neemt de gevolgen, ja den vloek op zich.

Is dat geloof ?

En Jacob zelf ? Hij geeft zich uit voor Ezau; hij liegt, bedriegt, ja, roept Gods naam aan bij zijn gruwelijke handelingen, te weerzin-wekkender omdat zij bedreven zijn jegens een blinden vader. Moet het zoo met dien zegen ?

Is God niet bij machte voor Zijn eigen werk te zorgen ?

O Jacob, hoe zult ge deze daad uw leven lang beweenen !

En toch zegende Izaäk door het geloof, zijne beide zonen. Onbegrijpelijk moge het zijn, maar waar is het. God de Heilige Geest betuigt het ons.

Neen, het kwaad van Izaäk bedekt de Schrift niet. God ziet en haat ook de zonden van Zijn gunstgenooten; en Hij deed ons Izaäks handelingen beschrijven, opdat het Woord ons ontdekke een kwaad, dat zoo leven-roovend is. Vleeschelijke liefde; menschelijke genegenheden, ze hebben dikwerf zulk een groote plaats in het hart van Gods kinderen; zij zijn de oorzaak, dat Gods welbehagen zoo verborgen is en Zijn heil ons zoo bedekt; zij belemmeren het raadplegen des Heeren en het vinden van den „verborgen omgang". Genade moge triumpheeren en in ons den voorkeur dooden. De zware les, te weinig betracht, ligt in het sterven aan vleesch en bloed. Izaäk, later Jacob (die Rachel voor Lea trekt) zijn ons ten bewijs. En toch vleesch en bloed zullen het koninkrijk der hemelen niet beërven. Izaäk zal zijn Ezau, Jacob zijn Rachel moeten afstaan. Het staat er, volk van God, opdat gij door het geloof verzaken zult, wat uw vleesch bekoort, eer God de lust uwer oogen met geweld en in groote smarte nemen zal. Ach, mochten wij sterven alle dagen !

En toch Izaäk zegende door het geloof.

Was dan de uitgesproken zegen geen bewijs van het vaste geloof in de vaste belofte Gods, aan Zijn zaad ? In het voorwerp mocht Izaäk zich vergissen, de belofte Gods zelf omhelsde hij door geloof. Gods besturing, die ook over de zonde gaat, zorgde, hoewel Rebekka en Jacob geheel verantwoordelijk bleven voor hun daden, door de schrikkelijke bedriegerijen van die beide heen, voor de toepassing der zegeningen, gelijk Hem behaagde. Zoo sprak Izaäk van de zegeningen der beloften Gods, dat Hij n.l. de God Zijns Zaads zijn zou, en alle geslachten des aardbodems in dat zaad zouden gezegend worden. Hoe had Izaäk kunnen zeggen, gelijk hij deed, indien hij niet door het ware geloof op de belofte Gods zich had verlaten ? Hoe had hij met zooveel vastheid dien uitgesproken zegen kunnen bevestigen tegen het bitter geklag van Ezau in, zeggende: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen." Hoe had Izaäk naar Gods vrijmachtig welbehagen den zegen kunnen spreken, die stelde tot een heer over zijn broeder, indien hij de belofte Gods niet had geloofd ? Door alles heen werd Izaäks geloof gevestigd op het heil des Heeren in den zade Abrahams. Laak, berisp het kwade in Izaäk. ook in Rebekka, ook in Jacob, maar in den grond huns harten hebben zij door het geloof de waarheid van de belofte Gods omhelsd. Tusschen hen en Ezau lag een zeer diepe kloof. Want Ezau kende de waardij der belofte niet, hij miste het geloof, hij verwierp in ongeloof.

Ja, een ontzettende scheiding ligt tusschen U, vreemdeling van God en Zijn dienst, die op uw openhartigheid en eerlijkheid pocht tegenover Gods kinderen, en dat volk, dat door het geloof op Gods belofte ziet. O, laat Ezau u tot een waarschuwend voorbeeld zijn. Treed uw zaligheid niet langer met voeten. Ga het pad der wereld niet verder voort. Beërf hier tijdelijke zegeningen. Ook Ezau ontving ze in Izaäks zegen. Van toekomende dingen sprak de blinde vader, ook hem. Door het geloof ontdekte Izaak ook in Ezau's zegen de toekomst. Maar de tijdelijke zegen ontviel bij den dood. Nooit, nooit heeft Ezau de plaats des berouws gevonden. Zal dat uw deel zijn ? Zal uw naam, gelijk die van Edom; een vervloeking zijn ? Arme wereldling ! God opene uw oog over uw ellende-staat. Nog is voor u den tijd der genade. Zult ge dien tijd verachten voor een schotel linzenmoes, die de wereld biedt ? Ezau zij u een prediking van uw schrikkelijk leven. God opene uw harte, om Hem te zoeken terwijl Hij te vinden is.

Van toekomende dingen sprak de zegenende Izaäk zijn beide zonen; en dat was door het geloof, dat zich klemde aan Gods belofte, zelfs door de donkerste wegen heen.

Ja, zoo is het menigmaal in de zielen van Gods kinderen. De vrouwen zoeken den Levende, maar bij de dooden.

Thomas wil zien en tasten, eer hij gelooft.

Zelfs Abraham neemt Hagar in stee van Sarah.

Gods werk kan zoo bedekt zijn. De vervulling der belofte loopt zoo in het onmogelijke. En dan grijpen onze onheilige handen zoo dikwerf naar het heilige Gods; en trekt het vleesch zoo menigmaal van het rechte pad. Ach, wat zou van Gods werk worden, indien de Heere Zelf niet de zorge voor de Zijnen droeg. Maar Hij heeft gebeden, dat hun geloof niet ophoude. Bemerk het in uw eigen ziele, volk, of onder dat alles niet is een vastklemmen des geloofs aan Gods belofte. Ja, dat Woord, dat de Heere tot ons sprak, het zonk in onze ziele in, zoo diep, dat in de grootste donkerheden het niet kan worden uitgewischt. Het is ingegraveerd in de rots onzes harten. Het geloof verwacht de vervulling. Maar hoe ?

Zóó, dat de mensch er buiten valt. Izaäk, Rebekka, Jacob . . . . . . schuldigen als ze zijn; smarten dragend over hun leven; zullen zij alleen Gods eigen werk loven. Want de Heere heeft het gedaan ! Hij zorgde door de diepten der zonde heen voor Zijn Woord. Hij volvoerde Zijn welbehagen. Dat is het en dat alleen, waarom het werk Gods niet faalt. En als Gods volk de vervulling van Gods beloften en de volvoering van Gods raad in zijn zaligheid verkrijgt, dan zal het zijn

Door U, door U alleen,  Om het eeuwig welbehagen.

O, volk, zink in dat wonder weg. God kroont Zijn eigen werk, en geeft getuigenis aan het geloof der Zijnen, dat Hij werkt en onderhoudt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1928

De Saambinder | 4 Pagina's

IZAÄKS GELOOF.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1928

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken