Bekijk het origineel

BART EN KEES.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BART EN KEES.

Over het Hooglied

7 minuten leestijd

Hoogl. 2 : 14.

LV.

Bart. Wij hebben den vorigen keer den „lentejubel", die aan onzen tegenwoordigen tekst voorafgaat besproken. Wij hebben iets gezegd van den lieven tijd die kwam, n.l. de lente, en welk werk er dan gedaan moet worden. Gewerkt en gebeden. En nu krijgen we vers veertien.

Kees. Ja wel. Maar nu zou je eerst een antwoord geven op de vraag die ik je stelde: Of het nu van ons gebedje en van onzen biddag afhangt of het een vruchtbaar of onvruchtbaar jaar zal zijn. Je weet wel, ik heb je immers gezegd van dien man, die meent dat de Heere het ook wel zonder ons gebed af kan, omdat Hij alleen om Christus' wil zegent.

Bart. Ja wel ! Maar het is niet de vraag, hoe de Heere het kan doen, maar hoe Hij het wil doen.

Kees. Nu, hoe wil de Heere het dan doen?

Bart. Wel, m'n jongen, dat staat daar vlak voor je oogen. Lees dat 14de vers eens voor ?

Kees. „Mijne duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene eener steile plaats, toon Mij uwe gedaante, doe mij uwe stem hooren, want uwe stem is zoet en uwe gedaante is lieflijk.

Bart. Nu, daar staat het, waarom wij bidden en biddag houden.

Kees. Tja . . . . !

Bart. Nu, had dat dan tegen dien „snuiter" gezegd, dat wij bidden en biddag houden, niet omdat wij bang zijn, dat we anders den hongerdood zullen sterven. Maar dat wij dat doen, omdat de Heere het waardig is, èn Hij er op gesteld is. Want onze gedaante is lieflijk en onze stem is zoet. Daarom wil Hij ons zien en hooren.

Kees. 't Is een wonder ! Daar heb ik zoo nog nooit over gedacht.

Bart. Nu, dat is mij geen wonder, dat jij er zoo nog nooit over gedacht hebt.

Kees. Niet ?

Bart. Neen, dat verraadt, dat je nog in het werkhuis van Mozes woont, en dat je nog met werken aan den kost moet komen.

Kees. Dat moet toch iedereen ? !

Bart. Wel neen ! Gods volk niet. De Heere heeft ons beloofd: Dat ons brood ons zal gegeven worden en onze wateren gewis zijn. (Jes. 33 : 16b).

Kees. Maar jij werkt toch ook ? !

Bart. En wat graag ! Maar niet voor den kost.

Kees. Waarom werk jij dan ?

Bart. Omdat onze lieve Heere gezegd heeft: „Zes dagen zult gij arbeiden". (4e gebod). En wij zoeken, in navolging van den Heere Jezus, door Zijri kracht en genade, altijd te doen wat Hem welbehagelijk is.

Nu, hoe hartinnemend klinkt de uitlokking tot het gebed van de lippen des Hemelschen Bruidegoms in onzen tekst ! Wij dienen dus eerst iets te zeggen, van: De Duif in hare schoonheid. — Mijne duive, zegt de Heere.

Kees. En dan bedoelt de Heere . . . .

Bart: Zijn Kerk in het algemeen en ieder geloovige in het bijzonder. Het is dus dat volk, dat de Heere van eeuwigheid heeft bemind, en tot de bruid van Zijn beminden Schootzoon verkoor. Het volk, dat door Jezus is gekocht tot den prijs van Zijn leven en bloed — daarom: Mijne duive. Het is het volk, dat tot zaligheid bearbeid wordt door den Heiligen Geest. — Dat laatste moet er vooral bij, Kees.

Kees. Dat geloof ik ook. Maar het wordt er nog al dikwijls afgelaten.

Bart. Ja, jongen, dat heiligende werk van Gods Geest dat acht men nu niet meer zoo noodig. Nu wordt men uit geloovige ouders als duif geboren, of men wordt het door den Doop en belijdenis en door het gebruiken van het heilig Avondmaal, enz.

Kees. Ik geloof, dat een mensch van nature meer heeft van een gier, en van een kraai, en raaf, dan van een geestelijke duif.

Bart. Waarom denk je dat ?

Kees. Wel, de mensch is toch van zichzelf zoo zwart als een raaf, door zonden, en ongerechtigheden, en door wettische dienstbaarheid. En is hij niet zoo vijandig als een havik tegen den Heere ? En zoekt hij niet als een krem Jezus' duiven te verscheuren, als hij kans had ?

Bart. Het is juist zoo als je zegt, Kees. Maar eeuwige liefde sprak: Al laagt gij tusschen twee rijen van steenen, zoo zult gij toch worden als vleugelen eener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geel goud. Psalm 68 : 14.

Kees. En dat deed de Heere. En nu noemt Hij hen: Mijne duive. Maar nu moet je toch eens de overeenkomst aanwijzen. Dan konden wij luisteren of we duif of dat wij nog raaf zijn.

Bart. De Heere Jezus noemt Zijn bruid duive: Om haar reinen glans. Immers in Psalm 68 zingen we: Gelijk een duif, door 't zilverwit, en 't goud, dat op haar veed'ren zit. Bij 't licht der zonnestralen Ver boven and're voog'len pronkt. Zult gij door 't Godd'lijk oog belonkt, weer met uw schoonheid pralen ? Welnu, die glans bestaat in de zuivere gerechtigheid, die haar is meegedeeld; maar ook in de zilveren vederen van haar heiligmaking. Uit elke geestelijke duif doet de H. Geest de vederen groeien der zuivere genadedeugden. Zooals: kennis, geloof, liefde, ootmoedigheid, en welke deugden er nog meer zijn.

Hij noemt haar duive: Om haar zachten aard. Immers, al waren wij voorheen leeuwen en beren gelijk, door het Goddelijk oog belonkt en door Gods Geest bewerkt, ontvangen wij een edeler geest; ons wordt de zachte Geest van Jezus meegedeeld. Daardoor krijgen we een plaats onder de zalig geprezen zachtmoedigen.

Hij noemt Zijn Bruidsgemeente duive, om haar hooge vlucht. Immers, het is der duiven aard zich hoog boven het stof te verheffen ? Maar ook de geestelijke duif, Gods volk, verheft zich wel zóó hoog, dat ze met den Apostel mogen zeggen: „Onze wandel is in den hemel, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten". Gods Woord zegt van hen, dat zij opvliegen als met arendsvleugelen.

Dan is de duif zeer hokvast. Welnu dat is Gods volk ook. Zij zijn wonderlijk verkleefd aan den hemel — dat is onze kooi, Kees. — Daarom zeide Azaf, dat hem niets op de aarde lustte. In de wereld en de wereldsche gezelschappen daar zijn ze niet thuis, moeten zij daar lang verkeeren dan krijgen ze „heimwee".

Er zijn wel duiven die zeer bekwaam zijn om boodschappen over te brengen. En is dat weer niet een eigenschap van Gods volk ? Als zij goed in hun doen zijn, dan doen zij zoo graag boodschappen voor den Heere. Er zijn er onder hen dat zijn echte postduiven. Denkt maar aan Mozes, David, Paulus, enz.

Het duifje is ook weerloos. Zij heeft geen hoorn om te stooten, geen klauw om te verscheuren; het beste wat zij doen kan, als zij aangevallen wordt, is: wegvliegen, van haar vleugelen gebruik maken. Kees, doe ook alzoo ! Gij zijt mijn schild, de Rots waarheen ik vlucht; Gij kunt en wilt mijn ondergang beletten, zong David in zoo'n geval. (Ps. 119 : 57 berijmd).

Het duifje is ook oprecht, Jezus' duiven zijn het ook. Zij zijn oprechte liefhebbers van den Heere, en van Zijn volk, en van alle deugden; en oprechte haters van alle kwaad.

Het is ook een rein diertje. Jezus' duive is ook rein. Het is een volk, afgescheiden van de zondaren. Dood aas lusten zij niet. Zij eten het liefst genadekorrels van Jezus' borgwerk en de kruimeltjes van 's Heeren tafel.

Wat zijt gij nu, Kees: een duif of een raaf ? Neen, je hoeft daar nu nog geen antwoord op te geven. Maar als we den volgenden keer weer samen mogen komen, dan wil ik gaarne een antwoord hebben, hoor ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1929

De Saambinder | 4 Pagina's

BART EN KEES.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1929

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken