Bekijk het origineel

Om Uwentwil arm.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Om Uwentwil arm.

9 minuten leestijd

„Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, dat Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. 2 Cor. 8 : 9.

Kan ooit krachtiger drangreden gegeven worden, om de armen te gedenken dan de Apostel geeft in deze woorden ?
In hoofdstuk 8 en 9 van dezen Brief handelt Paulus van de collecten, die gehouden werden voor de heiligen te Jeruzalem. De gemeente aldaar was zeer arm. De verwoesting, die over Kanaän gekomen was, had hen van alle goederen beroofd. De kerkvergadering besloot om in de groote nooden te voorzien, gaven te verzamelen in de verschillende gemeenten. Reeds had Antiochië weleer milde handreiking gedaan, doch nieuwe nooden riepen om nieuwe vervulling.
Zoo zal het blijven. De armen hebt gij altijd met u, sprak de Heere Jezus; en Hij heeft hen bevolen in de liefdezorg der Zijnen. Helaas ! maar al te weinig wordt die eisch der liefde betracht. Armen zijn in onze maatschappij een verachte hoop, hoewel God hen gemaakt heeft zoowel als de rijken. Armverzorging is in veler oogen een gruwel, en moet de wereld uit. Bij recht zal men leven, niet bij barmhartigheid. Welke smalende woorden gebruikt men zelfs in „christelijke” kringen over de armen. Met verzekering op verzekering en recht op recht versteent het maatschappelijk leven. Zelfs kinderen onttrekken zich van hun duren plicht om hun ouders in hun nooden bij te staan. Hoe zal men zich dan gedragen ten opzichte van vreemden ? Ja, de kerk schiet zoozeer te kort in de vervulling van de nooden harer behoeftigen; hoe kan dan van den wereldling verwacht dat hij dragen zal ? En toch de Heere maant in Zijn Woord de armen te helpen. Dat de nooden van elkander in liefde gedragen worden en vervuld. Bloeie toch vooral in de gemeente de liefde-zorg voor de armen, die de Heere ons gelaten heeft.
Paulus wekt de gemeenten op niet alleen ter plaatse voor de nooddruftigen te zorgen, maar ook iets af te zonderen voor de nooddruftige gemeente te Jeruzalem. De gemeenten moeten elkander steunen in tijden van nood. Met verschillende drangredenen wil Paulus de Corinthiërs bewegen tot hun plicht. Hij stelt Macedonië ten voorbeeld. Naar, ja boven vermogen zijn zij gewillig geweest. Het is, of Paulus verlegen werd met de opofferingen hunner liefde en de milde gaven niet durfde aannemen. De arme Macedoniërs echter hebben hem toen gedrongen, „ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt”. Dit voorbeeld der liefde wilde Paulus den Corinthiërs stellen. Dat deze het navolgden ! Zij waren „overvloedig in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid en in uw liefde tot ons. Ziet (zoo maant de Apostel) dat gij ook in deze gave overvloedig zijt.”
Dit alles kan Paulus gebieden, doch hij wil de oprechtheid van de liefde der gemeente te Corinthe beproeven. Hun hart worde bewogen bovenal daardoor dat „Christus arm geworden is, daar Hij rijk was, en dat voor hen die arm waren opdat zij door Zijne armoede zouden rijk worden”.
Ziet ge nu, hoe de Heere voor Zijn arme en verdrukte volk zorgt ? Hij gaf den nooddruftigen een plaats der eere; Hij schonk hen een plaats in Zijn Woord. Met de liefde Christi wordt gedrongen tot de verzorging van hun tijdelijke nooden. Voorwaar deze plaats is beter dan die in welke verzekering ook.

Welk een groot voorrecht kent de Heilige Geest aan de geloovigen te Corinthe toe. „Gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus”. Weten is hier niet bloot vrucht van hooren zeggen. De Corinthiërs hadden meer dan wat van buiten geleerd wordt. Hun wetenschap was door God gewerkt; geestelijk en hemelsch van aard. Geen academie kan deze wetenschap schenken; en toch wordt zij door genade aan den eenvoudigste en geringste gegeven. Voor den geleerde is zij niet te gering, voor den slechte niet te hoog. Mijne kinderen zullen van den Heere geleerd zijn. Deze kennis veracht alle wetenschap der wereld, die is ijdel; maar zij vervult de ziel met vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. O, dat ons hart meer op dit weten gezet was; op het kennen van Christus. Met hoeveel inspanning wordt allerwege gejaagd naar het vergaderen van kennis. Onze scholen, lagere en hoogere, worden overvoerd niet alleen van leerlingen maar ook van leerstof. Een overladen menschdom zucht onder den last der wetenschap. Doch wie bekommert zich over het kennen van Christus ? Waar is de waardeering van Zijn vernedering ? Hij is arm geworden, om armen rijk te maken; doch wie stelt zijn harte er op om Hem te kennen ? Voorwaar deze wetenschap komt niet uit ons door de zonde verduisterd verstand maar wordt verkregen door de verlichting des Heiligen Geestes. Och mochten wij voor deze wetenschap alles prijs geven wat de wereld geleerdheid acht. Corinthe was beroemd om zijn beschaving en ontwikkeling. Doch al de wereldwijsheid van Corinthe was in het niet verzonken bij hen, wien God de oogen opende. Het zij ons tot leering en waarschuwing. Buig toch met al uw kennen en weten onder Gods Woord. Vooral voor ons opkomend geslacht kan het niet genoeg gezegd worden, hoe noodig het is onvoorwaardelijk ons te houden aan Gods Woord. Wat de wetenschap ook zegge; welke ontdekkingen zij meent te doen; welke bewijzen zij voor hare hypothesen aanvoert, zoodra zij zich tegen Gods Woord stelt, worde zij ons leugen en bedrog. Laat u van de eenvoudigheid der waarheid niet aftrekken door een schijn-geleerdheid van de wereld, die dwaasheid is voor God. Kleeft toch, jongeling en jongedochter, aan Gods Woord ! De Heere geve u verlichte oogen des verstands en begiftige u met de wetenschap, waarvan Paulus aan de geloovigen te Corinthe schrijft. Die wetenschap opent de genade van den Heere Jezus Christus; ja, zij doet die genade door de ziele eigenen: Hij is om uwentwil arm geworden. Welgelukzalig is het volk dat het geklank kent.
De genade van den Heere Jezus Christus wordt door de hemelsche wetenschap gekend; de vrije genade, die welt uit de souvereine liefde van Christus. Want Hij heeft de Zijnen vrijwillig lief. Hij bemint hen als zij nog vijanden zijn. „Gij hebt Mij niet uitverkoren, zoo sprak Hij eens, maar Ik heb u uitverkoren”. En wederom getuigt de Heere Zelf: „Ik heb u eerst liefgehad, daarom hebt gij Mij lief”. Er was niets in ons, dat God bewoog. Verre is het er van ! De Heere is bewogen in Zichzelf van de grondlegging der wereld. Met Zijn hart is Christus van eeuwigheid Borg geworden voor de uitverkoornen. Hij is gekomen om de zaligheid te verwerven en genade teweeg te brengen voor verloren zondaren. Uit Zijne volheid ontvangt Zijn volk genade voor genade. De genadebron is eeuwig vol, wijl zij gevoed wordt door de onveranderlijke liefde Gods in Christus Jezus.
Deze genade is voor de grootste der zondaren. Genade staat tegenover schuld; zij kan alleen door schuldigen worden ontvangen en gewaardeerd. De genade van den Heere Jezus Christus is voor helwaardige zondaren Dood en verderf hebben zij zich waardig gemaakt; de eeuwige verdoemenis onderwierpen zij zich door erf- en dadelijke zonden. Met gebalde vuisten verheffen zij zich bovendien tegen Hem, Die alleen hen behouden kan. „Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven hebt in Mijnen Naam”, sprak de Heere niet alleen tot de Joden Zijner dagen, maar het is Zijn Woord tot ons allen. Niemand wil zalig worden uit genade alleen; niemand. Onze hoogmoed en vijandschap beletten ons tot Christus te komen als gansch verloren zondaren. Doch daardoor wordt de genade te grooter. Zij wordt vijanden geschonken opdat deze zalig worden om niet. Deze genade sluit alles van den mensch uit. Wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hebt ? In genade alleen zal Gods volk behouden worden; in de genade van den Heere Jezus Christus. Hij, Gods eigen en natuurlijke Zoon, de eeuwige, waarachtige God, heeft deze genade verworven en past ze den Zijnen toe. Zijne heerschappij zal allen tegenstand verwinnen; Zijne kracht zal deze genade doen heerschen. Hoe groot de zonde ook zijn moge, zij is niet te groot om in deze genade te worden uitgedelgd. Tot groote ergernis van alle eigengerechtigden bewees Christus deze genade aan tollenaren en zondaren. Doch de rijkdom dezer genade is de blijdschap van een schuldig en verloren volk.
O, dat wij met vrijmoedigheid toegaan ! Christus noodigt allen die vermoeid en belast zijn; en Hij zal ze geenszins uitwerpen, die tot Hem komen. Genade zal het zijn, die ons behoudt, genade tot den einde toe. Maar dan moet ook alles prijs gegeven, wat buiten Christus is. De genade-weg is een weg van sterven; van verloren gaan; van omkomen. Wie daarvan vreemdeling is in zijn hart, hij weet van de genade van Christus niet. Maar Gods arme en schuldige volk verkrijgt de ware kennis van Christus en van Zijne genade. O, volk van God, zoek in die wetenschap uw wasdom. Sta er naar de genade van Christus recht te kennen. Begeer de ontdekking des Heiligen Geestes; meer en meer drijve de Heere ons van alle gronden af, opdat Christus alleen de grond zij, waarop wij steunen; meer en meer make de Heere ons aan onszelven bekend, opdat de genade te rijker worde. Want de wetenschap der genade gaat gepaard met de kennis der ellende. Als twee afgronden staan tegenover elkander: dood en leven, zonde en genade. De oefening in ware zelfkennis onthoude de Heere ons niet, opdat de genade-roem ons niet vreemd zij: „Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1930

De Saambinder | 4 Pagina's

Om Uwentwil arm.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1930

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken