Bekijk het origineel

De Nederlandsche belijdenisschriften

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Nederlandsche belijdenisschriften

B. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis

6 minuten leestijd

DE INHOUD DIER BELIJDENIS

Een voortreffelijk en hoogst belangrijk stuk vraagt onze aandacht. Immers, van de vereeniging der Goddelijke en menschelijke natuur van den Verlosser in eenigheid des persoons handelt artikel 19 van onze belijdenis. Dat is die verborgenheid der Godzaligheid; God is geopenbaard in het vleesch. Dat de eigen natuurlijke Zoon van God, Die is het afschijnsel van 's Vaders heerlijkheid van het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, God uit God en Licht uit Licht, mensch geworden is niet door vermenging van de Goddelijke natuur met de menschelijke, maar door de aanneming der menschelijke natuur in vereeniging met Zijne Goddelijke in eenigheid Zijns Persoons. „Immanuël", dat is „God met ons", zoo luidt de eeretitel. Hem reeds door den profeet Jesaja gegeven. Hij is het Woord, dat in den beginne was, dat bij God was, dat Zelf God was, en dat Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond, blijvende wat het was, namelijk God, en wordende wat Het niet was, namelijk mensch, nochtans niet zijn de twee personen, maar één Persoon met twee naturen.
Het is de eere van onze belijdenis, dat zij deze groote verborgenheid niet op eene wijsgeerige wijze voorstelt, maar alle eenvoudigheid en nederigheid betracht. Alle ijdele nieuwsgierigheid moet hier verre weggedaan en alle onzekere filosofische stellingen en redeneerkunde worden terzijde gesteld. Hoe menigeen heeft zich daardoor verdorven en tot de grootste ongerijmdheden vervallen tot smading van Christus en eigen verderf.
„Wij gelooven", zegt de belijdenis, „dat door deze ontvangenis de Persoon des Zoons Gods, onafscheidelijk vereenigd en tezamen gevoegd is, met de menschelijke natuur, zoodat er niet zijn twee zonen Gods, noch twee personen, maar twee naturen in één Persoon vereenigd, doch elke natuur heeft hare onderscheidene eigenschappen behouden".
De belijdenis wijst terug op de heilige ontvangenis en geboorte van Christus. Zij volgt een treffelijke en vaste lijn om de heerlijkheid van den Verlosser ons voor te stellen. Immers de ware kennis van den Persoon des Middelaars in al Zijne graveerselen is volstrekt noodzakelijk, zal hij zijn volk recht dierbaar, begeerlijk en beminnelijk zijn. En nu mogen we in dit verband aanstonds opmerken, hoe Gods rechtvaardigheid vorderde, dat de menschelijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde. De schuld der eene natuur kan niet gelegd worden op eene andere natuur. De natuur, die gezondigd heeft, die moet betalen. Daarom nam Christus naar Zijne onuitsprekelijke liefde onze natuur aan en werd waarachtig mensch. „Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook desgelijks derzelver deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is de duivel". ¹) Ware menschelijke natuur nam hij aan, ziel en lichaam, omdat beiden ziel en lichaam Zijns volks omdat beiden, ziel en lichaam Zijns volks moesmoesten worden verlost. Daarom is het Woord vleesch geworden. Maar hoe ? Niet alzoo, dat Zijne Godheid is veranderd in Zijne menschheid of dat beide naturen ondereengemengd zijn tot één Godmenschelijke natuur. Neen. Christus is en blijft God, de tweede Persoon in het Goddelijke Wezen, Wiens heerlijkheid en majesteit als zoodanig ook in Zijne diepste vernedering ongewroken blijft. Hoewel God is geopenbaard in het vleesch; hoewel het eeuwige Woord is vleesch geworden, zoo heeft toch niet het Woord Zich in vleesch veranderd, God werd niet tot een mensch en evenmin werd Hij twee Personen, want Christus nam geen persoon, maar natuur aan. De Persoon des Zoons van God hield niet op te zijn wat Hij van eeuwigheid was, namelijk God, toen Hij onze natuur aannam. Dat was de eigen, onuitsprekelijke daad Christi, waarin Gods volk zich moge verlustigen en tegelijk met diepe verwondering moge vervuld zijn, dat Hij de menschelijke natuur aannam in vereeniging met Zijn Goddelijke natuur, maar alzoo, dat daardoor Zijn eeuwig Goddelijk Zoonschap, noch Zijne Goddelijke natuur de geringste verandering onderging of van haar luister ook maar eenigszins werd beroofd. Neen, de Persoon des Zoons van God, Sions Heere en Bloedbruidegom, is en blijft eeuwiglijk zonder de geringste verandering de volstrekt gelijke des Vaders. De aanneming onzer natuur, hoewel een daad van eeuwige ontferming, kon daarop geen inbreuk maken. Dat was en bleef Hij onder al Zijn lijden in onze door Hem aangenomen natuur, ook als Hij als een worm en geen man in het bange Gethsemané op de aarde kroop en Zijn zweet werd gelijk groote druppelen bloeds of als Hij aan het vloekhout des kruises hangt en uitroept: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten".
Dat we toch de heerlijkheid Christi niet verduisteren noch bevlekken. Sion heeft een Goddelijk Verlosser, en Die daarom kan zalig maken allen, die door Hem tot God gaan. Wie van het oprechte volk moet niet met verwondering en aanbidding vervuld zijn over de diepe nederbuiging Christi tot Zijn volk, de schapen Zijner weide?
Zeg mij, wat heeft den Vader bewogen den Zoon Zijner liefde, Zijns Gelijke, te willen zenden in de gelijkheid des zondigen vleesches? Wat heeft den Heiligen Geest, de derde Persoon in het Goddelijk Wezen, bewogen om den Zoon te formeeren de menschelijke natuur uit het vleesch en bloed der maagd Maria? Maar ook, wat heeft den Zoon van Gods liefde bewogen onze natuur te willen aannemen in vereeniging met Zijn Goddelijk Persoon om ons gelijk te willen zijn? Is het niet onuitsprekelijk welbehagen? Onuitdrukkelijke liefde? Die aannemende daad Christi van onze natuur is het fundament van de nauwe, onverbrekelijke vereeniging der twee naturen in den éénen Persoon van Christus. Daardoor is aan de menschelijke natuur eene eer te beurt gevallen, grooter dan die der engelen. Hierop rust de bekwaamheid van Christus tot volvoering van Zijn Middelaarswerk. Zonder die nauwe, onverbreekbare vereeniging der twee naturen in den Persoon des Zoons van God zou nooit de zaligheid verworven zijn. Zie, dat is de genade en eeuwige ontferming Christi, die zich voor Zijn volk zoo heerlijk en beminnelijk waakt, want „u dan, die gelooft is Hij dierbaar".
Uit die aannemende daad onzer natuur door den Persoon des Zoons van God, waarvan we boven spraken, volgt dan ook terstond de nauwe vereeniging der twee naturen in Christus, waarvan de belijdenis zegt, dat elke natuur hare onderscheidene eigenschappen behoudt. Daar­over een volgende maal.

Ds. J. D. Barth


¹) 1 Petr. 2 : 24.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1932

De Saambinder | 4 Pagina's

De Nederlandsche belijdenisschriften

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1932

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken