Bekijk het origineel

Van de kennisse Gods.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de kennisse Gods.

6 minuten leestijd

Van de kennisse Gods sprekend, , handelen wij van de kennis, éie de mensch op aarde van God verkrijgt.

Hiermede onderscheiden wij dus deze van die kennis welke God van Zich-Zelf heeft. Dit zelfbewustzijn is niet in God allengskens tot stand gekomen, gelijk de Pantheïst leert, maar is in Hem van eeuwigheid op het allervolmaakst en wordt genoemd: Theologica archetypa. De kennis, die ide mensch van God, krachtens Diens openbaring aan hem bezit is echter ectypa (afgedrukt). Van deze laatste spreken wij thans. Daarbij zij vooraf nog opgemerkt, dat de kennis, die Christus in Zijn menschelijke natuur, uiit kracht van de vereeniging met den Goddelijken Persoon bezat een geheel eenige was; zij was theologica unionis en niet te vereenzelvigen met de kennis, diie Adams nakomelingen van God hebben.

Deze kennis is vrucht van de openbaring Gods. God is alleen te kennen omdat en voor zooveel Hij Zichzelf geopenbaard heeft. Buiten die openbaring bestaat geen kennisse Gods. Ook de kennis die Adam krachtens schepping ontvangen had, was vrucht van Gods openbaring. Echter niet. gelijk Socinius leerde, dat deze kennis Adam eerst na eenigen tijd werd gegeven; met die kennis, behoorend tot het beeld Gods, is Adam geschapen. Niettemin was zij gelijk alle kennis Gods, ook de ingeschapen kennis, die elk mensch bezit, en de kennis des geloofs in de uitverkorenen, vrucht van Goddelijke openbaring. Hiermede is echter niet gezegd, dat alle kennis van God dezelfde is. Wij onderscheiden tweeërlei openbaring Gods: een a.lgemeene (in de natuur) en een bijzonder^ (in de Heilige Schrift) en dienovereenkomstig tweeërlei kennis: een kennis uit de natuur en een kennis uit de Heilige Sfihrift. Of dewijl de Heilige Schrift de bijzondere openbaring Gods bevat, zooveel als noodig is tot Zijn eer en tot zaligheid der Zijnen, een natuurlijke en een geopenbaarde Godskennis^

Deze vormen in zichzelf geen tegenstelling. Zij beide zijn openbaringsvrucht. Ja. de openbaring Gods in de natuur is zelfs buiten de Schrift om niet recht te kennen. Of verstaat ieder mensch^ dat de hemelen Gods eer vertellen en het uitspansel Zijner handen werk? Wordt het niet alleen den door Gods Woord en Geest verlichten gegeven. God te kennen ook in de grootheid Zijner schepping? Gods Woord alleen geeft het ware licht ook over de natuur^ gelijk geheel de Schrift daarvan getuigenis geeft. De natuurlijke Godskennis is alras niet te scheiden van de geopenbaarde, al zijn beide onderscheiden.

Toch werd zulk een scheiding van sommigen, zelfs in Neerlands kerk, voorgestaan, om de natuurlijke Godskennis tot een afzonderlijk geheel te vormen en daarin op te gaan en het Woord Gods te verwerpen. Het Modernisme kenmerkt zich in deze gruwelijke miskenning' van 'de bijzondere openbaring Gods en staat dan ook geheel vijandig tegen de leer, dat God Drieeënig alleen in Christus te kennen is door den Heiligen Geest, uit Zijn Woord. De Moderne houdt niets over dan de tiheologica naturalis en vervalt alzoo van het geloof, terugkeerend tot het heidendom. Hoe meer de indrukken van het Christendom bij den Moderne te loor gaan, hoe sterker zijn terugval tot het heidendom openbaar wordt.

Ook zij hierbij op'gemerkt. dat de mensch zonder de bediening des Heiligen Geestes, God nimmer kennen kan. ook nitt uit Zijn Woord — 'des menschen verstand is door de zonde verduisterd en hem moeten verlichte oog'en des verstands g'eschonken worden om God te kennen, zoo Hij Zich 'geopenbaard heeft tot zaligheid der Zijnen. - Dit heeft de classis Walcheren in den strijd tegen Roëll o.m. er toe geleid in Nov. 1693 de bekende Vijf Artikelen op te stellen, waarin zij van allen, d.'e in de classis dienden' en zo'uden inkomen onuerteekening eischte. Het eerste dezer Artikelen droeg tot opschrift: , , Van 'de verdorvenheid der menschelijke rede en 'dezelver onbekwaamheid om 'daaruit alleen de Goddelijkheid der Heilige Schriftuur te bewijzen" en diende tot wteerlegging en uitbanning van hen, die leerd'en: , .dat het getuigenis van onze rede zoo vast. zeker en onfeilbaar is als het getuigenis van Gods Woord; dat er propositie is tusschen de natuurlijke rede en de bovennatuurlijke waarheden; dat wij bekwaam zijn om met onze rede zonder verlichting des Geestes van dezelve recht te verdeelen, en wij dus door de krachten van de rede tot het geloof van, de Goddelijkheid der Schriften komen kunnen en dezelve daardoor achterhalen, dat dienvolgens niet de Heilige Schrift, maar onze rede een beginsel is. waaruit de geopenbaarde waarheden moeten bewezen worden, een regel om ze naar af te meten, of een fundament, waarop ze gegrond zijn". Ten rechte kwam de classis Walcheren tegen zulk een met Gods Woord strijdende bevatting van de verdorven rede des menscihen op en vroeg Brahé „of men dit kerende kan gezegd worden tot onze kerk te behooren". ')

Noodzakelijk is het mitsdien én de onderlinge verhouding én het onderscheid te bepalen tus-S'Chen de natuurlijke en de geopenbaarde Godskennis. Ook om andere redenen is dit van groot belang. Hiermede tocih wordt ook stelling gekozen tegen de Anabaptisten.

De Wederdoopers stellen de natuurlijke Godskennis geheel op zij. Zij waardeeren niet recht, wat God in het natuurflijk leven schenkt. De zaligheid is hun niet alleen het hoogste, maar het eenige, dat zij zeggen te zoeken. Een Christen heeft zich van de wereld terug te trekken; met de wereld noch in maatschappij, noch in staat in te laten. Maar Chrisltus leerde in Matth. 5: „Gij zijt het zout der wereld" en wederom, dat Zijn volk niet van de wereJd is, maar wel in de wereld. Daarmee wees hij de roeping aan van degenen, die Hem vreezen, , om hun licht te laten schijnen voor de menschen, ook in het tij'delijk, natuurlijk leven.

De natuurlijke Godskennis moet alzoo ten rechte gewaardeerd.

Overschatting leidt tot miskennning der openbaring Gods in Christus tot zaligheid in Zijn Woord gegeven; en onderschatting drijft tot het eenzijdige van het anabaptisme.

Zoo wij bij de 'bespreking van het profijt der , .(ingeschapen kennis" nader zien zullen, ligt in de natuurlijke Godskennis van den gevallen mensch de mogelijkheid, om door de prediking van het Evangelie zalig te worden; deze ware ijdel, indien God in den mensch, niet een natuurlijke Godskennis had overgelaten. De theologia naturalis vormt in de dogmatiek alzoo de inleiding tot de theologia revelata (geopenbaarde kennis). Ook hier geldt: eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke.

Dit beteekent echter niet, dat de bijzondere openbaring uit de natuurlijke voortkomt, maar wel, dat in orde van belhandeling de bespreking van de natuurlijke Godskennis die der bijzondere openbaring voorafgaat.


¹) Zie J. J. Brahé, Aanmerkingen op de Vijf Walchersche Artikelen, uitgave De Banier, Rotterdam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1941

De Saambinder | 4 Pagina's

Van de kennisse Gods.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1941

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken