Bekijk het origineel

De brief aan Sardis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De brief aan Sardis.

11 minuten leestijd

En schrijf aan den engel der gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood. Openb. 3 : 1.

De vijfde der Klein-Aziatische gemeenten, aan welke de Heere in het Boek der Openbaringen een Brief richt, is die te Sardis. Eens was Sardis een machtige en rijke stad, de residentie der Lydische Koningen, gelegen aan den Noordelijken voet van het Tmolus-gebergte en doorsneden door de rivier Pactolus, ten Zuiden van Thyatire, eveneens een Lydische stad. Onder de Romeinsche heerschappij werd Sardis door een aardbeving verwoest, doch, weder opgebouwd, handhaafde deze plaats haar oude roemrijke beteekenis. Na de verwoesting door de Turken is Sardis een onbeduidend dorp. God heeft haar naam uitgewiischt, nadat het licht van den kandelaar is weggenomen. Sardis is alzoo een waarschuwend teeken voor elke stad en elk land en ook voor elk gezin, dat het Woord Gods ontvangen heeft en dat verwerpt. Tot welk aanzien zij in de wereld ook opklimmen, de Heere zal degenen, die Hem verlaten, verwerpen en van den top van eer in eeuwige verwoesting nederstooten. Zijn oordeelen zijn gerichten, gekomen om der zonden wil; ook over ons. Och of wij bekenden, ook nog in dezen onzen dag, wat tot onzen vrede dient
De gemeente te Sardis was de bestrijding en benauwing der wereld bespaard gebleven, waaraan andere gemeenten van de zijde der Joden en Heidenen onderworpen waren. Ook waren Sardis de bezoekingen bespaard van degenen, die de leer Baalams hielden en van de Izebels. Hoe had juiist deze gemeente zich dan in volle vrijheid kunnen ontplooien en als een helder schijnend licht, in teedere godvruchtige wandeling kunnen schitteren tot eere van haar gezegenden Koning. Maar zoo was het niet. Helaas! de gemeente te Sardis, die in rust leven mocht, miste juist de levende gemeenschap des geloofs met Christus. In dooden vorm verzonken, verstierf ze steeds meer. Al maakte zij zich nog naam naar buiten, de Heere, die niet aanziet wat voor oogen is en het hart doorgrondt, beschreef haar in het ontzettend woord: „Ik iveet moe toerken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft en gij zijt dood”.
Ontstellende onthulling van den waren toestand, waarin de gemeente van Sardis verkeert.
Zij had een naam bij de andere kerken. Velen zagen met jalouzie op Sardis; en toch. . . . die gemeente was dood. De Kerk in een plaats, in een land, kan uiterlijk bloeien en toch het ware geestelijke leven missen. Nog wel niet zóó, dat geen levende ziele meer in haar midden is, want ook te Sardis waren nog weinige namen, die hun kleederen niet bevlekt hadden; maar in haar geheel genomen kan de dood in de kerk heerschen. De prediking kan dan naar de lessen nog wel zuiver zijn en vrij van de gruwelijke ketterijen, die de kerk van eeuw tot eeuw beroerd hebben; de offervaardigheid kan dan nog wel groot zijn; kerk e:i school onderhouden worden; en toch. . . . dat alles neemt het Goddelijk oordeel niet weg: gij zijt dood. De oppervlakkigheid, die in prediking en leven heerscht, doet bouwen op den zandgrond, die straks bezwijken zal. Men roept elkander toe: Vrede, vrede en geen gevaar en beseft niet, dat een haastig verderf overkomen zal. Hoe zeer hebben Wij het over Sar dus gevelde oordeel te vreezen voor des Heeren Kerk in onze dagen, van land tot volk; ook in Nederland. Hoe ontbreekt de heilige ijver; jf het ware leven! De noodzakelijkheid der wedergeboorte wordt maar al te zeer verloochend. Wedergeboren wordt ieder geacht, die gedoopt wordt; zalig gesproken elk, die met Woord en Kerk niet gansch breekt. Van dood en hel geen sprake meer. Het ware, bevindelijke leven wordt veracht; bespot; de tale Kanaans is een aanfluiting geworden; het historieel geloof voor het zaligmakende gehouden; de avondmaalgangers bij honderden geteld, als at en dronk zich niet een ieder een oordeel, die vreemdeling van God en Christus is. En dat is elk van nature; ook de gedoopte; ook de belijder der waarheid. „Gij hebt den naam, dat gij leeft en gij zijt dood”. Met smart moesten wij bemerken, dat schier geen leven zich openbaart; dat de klacht van Jesaja de onze wel wezen moet: „Wie heeft onze prediking geloofd en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard ?” Van waarachtige bekeering wordt zoo zelden vernomen, niettegenstaande God Zijn uitverkorenen gewis en zeker toebrengen zal. En onder hen, die door Gods Woord getroffen werden is geen doorbrekende kracht. Als Efraïm blijven zij in de kindergeboorte staan. Ja een doodiigheid is over Gods volk verspreid; over de kleinen en de grooten; over de van verre staanden en bevestigden; over leeraren en gemeenten. De uitzonderingen zijn met een lantaarn te zoeken. Moeten wij niet vreezen, dat zoo de Heere ons ging onderzoeken, Hij van de Kerk dezer dagen zeggen zou: gij zijt dood? Hij spreekt. Die de harten kent en de nieren proeft.
„Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft en de zeven sterren”. Hij spreekt, Die Zich aan Johannes geopenbaard heeft in Zijn volle majesteitelijke heerlijkheid (Openb. 1 : 12—18). Toen sprak Hij echter niet van de zeven geesten, die Hij heeft. Wel is van die zeven geschreven in het 4e vers van hoofdstuk 1; van de 7 geesten „die voor Zijn troon zijn”. En in hoofdstuk 4 lezen wij van zeven vurige lampen, die brandende waren voor den troon „welke zijn de zeven geesten Gods”. En nog eens in kapittel 5 : 6 is sprake van de zeven geesten Gods „die uitgezonden zijn in alle landen”. Tot driemalen toe dus wordt van de zeven geesten in de Openbaringen melding gemaakt. Die geesten zijn geen geschapen geesten. Zij, zeven, beteekenen den Heiligen Geest, den derden Persoon in het Eeniig en Drieëenig Wezen Gods; met den Vader en den Zoon waarachtig, eeuwig God. Het zevental spreekt van Zijn volkomenheid en van de volheid Zijner Goddelijke gaven, gelijk Hij aan de gemeente gegeven is door Christus. In Zijn genade-werkingen toch is Hij door Christus verworven; rust Hij op het volkomen volbrachte Middelaarswerk des Zoons. Daarom kon de Geest niet komen, zoolang Christus niet verheerlijkt was. Met den Geest zonder mate was de Middelaar gezalfd, zoodat Hij zeggen kon: „De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft”. Uit de volheid van Christus nu ontvangt Zijn volk genade voor genade, door den Geest,. Die hen van Christus gegeven is. Die Geest is het, Die levend maakt. Hij trekt de gekoohten met Christus’ bloed uit den dood en roept hun toe: „Leef, in uwen bloede, leef”. En Hij onderhoudt het leven; Hij doet opwassen in de kennis, die in Christus Jezus is; Hij bevestigt en verzekert Zijn volk door het geloof, gelijk zij verzegeld zijn door den Heiligen Geest der belofte. De onuitledigbare volheid van al de schatten in het Verbond der Genade zijn in de hand des Geestes gegeven, om uit te deelen onder de menschen; ja, ook den wederhoorigen om bij U te wonen, o Heere God! Water zal Hij grieten op de dorstigen en stro omen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen. Die volkomen, eeuw/ige volheid van leven en genade en zaligheid nu betuigt de Heere, dat bij Hem is. Hij heeft de zeven geesten Gods.

Hij kan en wil en zal in nood,
Zelfs bij het naad’ren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.

Geen zonden zijn te groot, noch te gruwelijk, dat Hij ze niet zou kunnen verzoenen; geen ongerechtigheden zijn te zwart, dat Hij ze niet zou kunnen afwasschen. Al waren uw zonden als scharlaken, Hij kan ze wit maken als sneeuw; al waren ze als karmozijn, Hij kan ze maken als witte wol. „De dood des Zoons Gods is de eenige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden der gansehe wereld”. Neen, Christus is niet voor alle menschen gestorven, maar wel is er zulk een volheid van genade dn Hem, dat zij niet te ledigen is, al kwalm de gansehe wereld met al haar zonden tot Hem. Het ligt niet daaraan, als zou de genade uit te putten zijn, dat Zijn gemeente dood is. Niet daaraan is het te wijten, als wjij in onzen onbekeerlijken- weg voortgaan. Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie; noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde; noch in God, Die door het Evangelie roept, en zelfs ook dlien Hij roept verscheiden gaven mededeelt; maar in degenen, die geroepen worden. Geroepen worden wij: ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit den dood. Gebeden worden wij door Gods ware gezanten, die geen huurlingen zijn, van Christus’ wege, alsof God door hen balde: „Laat u met God verzoenen”. Wij blijven dood onder de roepstemmen van Hem, Drie de zeven geesten Gods. heeft, door eigen schuld. Het door Hem uitgesproken oordeel: „Gij zijt dood” is een veroordeeling; een ontzettende aanklacht tegen ieder, die in doodelijke gerustheid voortleeft; wien de schrik des Heeren, in aller ernstigste vermaningen op de consciëntie gebonden, niet ontroert, noch de uitnemendste voorstelling van de zaligheid niet bekoort. Als een simidshond gewoon geworden aan de spranken van het vuur en zijn huid er niet voor vertrekt, zoo verkeeren zij onder de roepstemmen van het Evangelie. Zij zijn zorgeloos in hun eeuwige belangen; hu,n hart is vervuld met de zorgvuldigheden en wellusten der wereld, gelijk Christus leert in de gelijkenis van den zaaier, in Matth. 13: Doorzoek u zelf; beken, hoe gij in Gods huis neder zit; vraag u af, wat gij van het Woord Gods medeneemt; betuig, of gij het op uw consciëntie bindt en of gij ooit uw nachten met klagen hebt doorgeforacht; en hoor dan tot uw ontzettende veroordeeling: Gij zijt dood. Het is eigen schuld. Het Woord zal u zijn een reuk des doods ten doode. Voorwaar, God alleen kan döoden levend maken. Maar wie zoekt Zijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht.
En ook de doodigheid van Gods volk viindt haar oorzaak niet in de Levensbron. In Christus is de fontein des levens. Ja, dn ons zelf dragen wij den dood om; ook na ontvangen genade hebben wij het leven niet in ons zelf. Gods volk kan niet leven uit de ontvangen genade; ook niet uiit de rechtvaardigmaking; ook niet uit de grootste weldaden door het geloof in Christus tot hun volle vrijmaking van schuld en zonden verkregen. Maar al te veel ligt hier een van de redenen, dat Gods kinderen in groote doodigheid verkeeren en het woord van Christus ook op hen van toepassing is, al zullen zij het leven imimmer gansch verliezen, gij zijt cloocl. De rank kan niet leven buiten den wijnstok; zoomin kan Gods volk leven buiten de doodelijke geloofsgemeenschap met Christus. Gij in Mij en Ik in u, dan draagt gij veel vrucht. Met smart en beven moeten degenen, die geen vreemdelingen van de genade zijn, hun doodligheid gedenken, opdat zij door het vlijmend Woord des Heeren worden opgewekt om op te staan en weder te koeren tot hun vorigen man; want toen was het hun beter dan nu. Hij staat met uitgebreide armen om hen te ontvangen en roept hun toe : Gij hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere. Zijn liefde vermindert miet; Zijn trouw is onveranderlijk; Zijn genade is onuitputtelijk. Hij heeft de zeven geesten. Zijn volheid vervrijmoedige toch Zijn volk om tot Hem weder te keeren en in het vriéndelijk licht van Zijn aangezicht te wandelen.
Ook heeft Hij de zeven sterren. Reeds in het eerste hoofdstuk der Openbaringen zag Johannes Hem, Die zeven sterren in Zijn rechterhand had en Hij verklaart het Zelf: „De zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten”. Zijn knechten zijn in Zijn hand. Hij bewaart hen, en leidt hen. Maar zoo zij van Hem afwijken en in doodelijke vormelijkheid wegzinken; ontrouw worden aan hun heilige roeping, dan bluscht Hij hen uit. Het behoort mede tot het oordeel over de Kerk, vanwege haar dood zijn, dat God leeraars geeft, idtiie van Zijn leven vreemdeling zijn; of althans in duisternis wandelen en den rijkdom van het Evangelie niet ontsluiten; die zichzelf zoeken; hun eer; hun voordeel; maar niet de eere Gods, noch het waarachtig heil der zielen. O, roept toch om getrouwe dienaren; dat de Heere arbeiders in Zijn wijngaard ulitstoote. Hij, Die de zeven sterren heeft, doe hen fonkelen aan den kerkhemel; Hij garde hen aan, om Jacob zijn zonden en Israël zijn overtredingen bekend te maken; om zegen en vloek; leven en dood te verkondigen, opdat hun. werk zij als goud en Zilver en kostelijke steenen, die de beproeving van het vuur doorstaan kunnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1942

De Saambinder | 4 Pagina's

De brief aan Sardis.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1942

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken