Bekijk het origineel

De brief aan Sardis. II.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De brief aan Sardis. II.

11 minuten leestijd

Zijt wakende en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God; enz. Openb. 3 : 2, 3.

Nadat de Heere Jezus, de groote Herder Zijner schapen, in de aanspraak aan de gemeente, die te Sardis is, Zichzelven heeft bekend gemaakt als de Gezalfde des Vaders met den Geest, zonder mate, zoodat bij Hem een eeuwige volheid van leven en zaligheid is; nadat Hij, wetend de werken in Sardis, haar aan den droeven staat Zijne gemeente heeft ontdekt, wijl zij wel den naam had te leven, doch dood was, wekt Hij den engel en opziener der gemeente op te waken en het overige, dat sterven zou, te versterken.
Er waren dus in Sardis nog levenden; een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Zij worden onderscheiden van de uiterlijke kerkmenschen en'„het overige” genaamd. Zoo wij reeds hebben opgemerkt, was er te Sardjs nog wel z.g.n. kerkelijk leven. Het kwaad, dat de Heere te bestraffen heeft, is niet dat van het doorbreken in allerlei zonden. Integendeel! voor de uiterlijke zonden bewaarde men zich nog wel. Het ging er om zoo te zeggen nog Christelijk toe. In de openbaring naar buiten onderscheidde men zich nog wel van de goddeloozen. Sardis had den naam, dat zij leefde. Maar hetgeen voor het oog des Heeren niet verborgen was, dat was het gemis van innerlijk leven. Een uiterlijke kerkvorm kan Hem niet behagen, Die ziet op waarheid |in het binnenste. O, hoe droevig is het in de kerk gesteld, als bij al den ijver voor de leer en bij al de offers, die men brengt, zoodat er een uitwendige schijn van leven is, de werking des Heiligen Geestes wordt gemist, Die alleen den dooden zondaar levend maakt. Helaas! wij moeten de kerk van deze tijden al te zeer zien uitgebeeld in hetgeen de Heere Jezus van de gemeente te Sardis heeft doen opteekenen. Hoe weiinig verneemt men van waarachtige bekeeringen. Noch de ernstige vermaningen, noch de lieflijke noodigingen van het Evangelie vermogen eenige beroering te brengen onder de in slaap gezonken menigte. Men bekent het wel, dat een werk Gods onmisbaar is; doch zonder hartelijke droefheid over zijn ellendestaat, leeft de menigte kerkgangers voort. Daarbij zijn duizenden van meening, dat zij wedergeboren zijn en zij Jezus als hun Zaligmaker hebben aangenomen; maar zonder dat zij immer in schuldbesef getroffen en verslagen voor God hebben leeren buigen in het stof en hun Rechter om genade leerden bidden. Zulk een bekeerling achten zij voor hen niet noodig, die onder de waarheid geboren zijn en gedoopt werden. Zij hebben slechts te gelooven en mogen er zelfs niet aan twijfelen, dat zij de zaligheid beërven zullen. Want ongeloof is de ergste zonde, waarvan men zichzelf wachten Wil, opdat het ingebeeld geloof geen schade lij de. Voor het oog der menschen maakt men een vertoonjing van geestelijk leven, waarin men hoogelijk roemt. Kerken en scholen en stichtingen verrijzen. De avondmaalstafels worden door schier alle kerkgangers gevuld. Jongelingsbonden ontplooien een kracht, als hadden zij den booze overwonnen. En toch. . de booze wint; de wereld wint. Al wordt een Christelijke vlag in den top geheschen boven spelden sport-terrein, zichtbaar verwereldlijkt de kerk en is het Woord des Apostels verzaakt: „Wordt der wereld niet gelijkvormig”. Waag het niet, hier naar geestelijk leven te vragen. Alles immers is geestelijk leven. Wat wilt ge nog meer dan zulk een schittering als het leven hier ontplooit? En to c h .... de Heere zegt: „Gij zijt dood”. Gij moet wedergeboren worden. Een onbewuste wedergeboorte jiis er niet. Wat? De zonde zou haar kracht en het vleesch zijn werking doen; en het leven dat u|it God gewrocht is naar de uitnemende grootheid Zijner kracht, die Hij gewrocht heeft in de opstanding van Christus, zou zonder eenjge kracht en werking zijn? Inbeelding, zulk een wedergeboorte! Valsch, zulk aannemen van Christus! Dood, zulk ingebeeld leven. Het vonnis van Hem, Die de zeven geesten Gods heeft, Wiens oordeel waarachtig en rechtvaardig is, gaat over de kerk en luidt: „Gij hebt den naam, dat gij leeft en gij zijt dood”.
Gods Kerk ligt verzonken in doode oppervlakkigheid; of ook in valsche bevindingen; inbeeldingen, die voortkomen uit zenuwachtige aandoeningen in stee van uit de leidingen des Heiligen Geestes. Hoor slechts wat al voortgebracht wordt op gezelschappen, waar de een den ander bouwt op den zandgrond van het gevoel in stee van op Christus. Zie wat voor Gods werk wordt aangemerkt, alsof er geen algemeene overtuigingen zijn, die tot de zaligheid niet dienen. Waar is het waarachtig schuldbesef? het zich kennen als een verloren zondaar voor God? Waar het buigen onder Gods recht, dat men zijn eigen doodvonnis als met zijn bloed onderschrijft, opdat de toevlucht tot Christus genomen worde? Kan een mensch dan zonder Jezus zalig worden? Den naam hebt gij, dat gij leeft en gij zijt dood. Wie, wie zal er overblijven, als de Heere Jezus Zijn gemeente zal onderzoeken als een dorschvloer, met den wan in Zijn hand? O, het vlammend woord van Christus snij de als een scherp zwaard door onze harten heen, opdat wij ontwaken eer het te laat is. Want nog heeft de gezegende Imimanuël ons niet gansch verlaten. Nog heeft Hij een overblijfsel naar de verkiezing Zijner genade. Nog is er „het overige”, dat versterkt worden moet.
Daarom roept de Heere den engel der gemeente toe: „Zijt wakende”. Gods knechten moeten wakende zijn. Gods knechten! Ai mij. Velen zijn huurlingen, vreemdelingen van het leven Gods. En zoo al niet gansch vreemdeling zonder geestelijke oefeningen; zonder wasdom; sprekend boven hetgeen God hen geleerd heeft, alsof Gods volk geen gevoelshorens heeft om hen te onderkennen. Zij blaffen op den preekstoel groote woorden, waarvan zij de kracht niet ervaren hebben, noch den nood der ziele kennen, om ’ Christus te gewinnen. Met de Kerk spelen zij als een kat met een muis; het eene oogenblik stellen zij haar vrij in Christus, het volgende knellen zij haar in dienstbaarheid aan de wet. Ware de gemeente niet dood, zij zou zulk een prediking niet verdragen en het ontwaren, dat de Heere Zijner duurgekochte gemeente zegt: „Gij hebt den Naam, dat gij leeft en gij zijt dood”.
Zijt wakende, zoo roept Christus Zijn knechten toe. Klimt op de muren van Sion; op den wachttoren; blaast de bazuin; roept een noodgeschrei; de Kerk is in gevaar van te verzinken. Versterk het overige, dat sterven zou.
Het overige; dat zijn de levenden, die bij hun vorm-dienst het niet hebben kunnen houden; die door God geroepen zijn uit den dood! tot wie de Heere gesproken heeft: „Leef, In uwen bloede, leef!” Zij zullen leven jin eeuwigheid. Zij kunnen niet wieer sterven, want zij hebben een onverbrekelijke gemeenschap aan Hem, Die dood geweest is en leeft in alle eeuwigheid. Maar het leven kan wel in hen verflauwen; zij kunnen voor een tijd worden weggevoerd van den Heere af, met hen mede, die den naam hebben dat zij leven en zij zijn dood. Daartoe hebben zij op de wacht te staan; daarvoor hebben Gods knechten te waken over hen en hen aan te vuren niet te rusten dan in de gemeenschap Gods door Christus en hun leven te trekken uit de levensbron. O, dat toch Gods lieve volk dat overige, zich van de wereld en van het naam-Christendom onderscheide! dat het een ander leven openbare; een andere levenslust en vermaking; en een andere taal spreke dan de wereld. Vooral ook in deze tijden moeten wij dat volk wel toeroepen: versterk de slappe handen en stel de struikelende knieën vast. Over den val van Babylon zullen alle landen en steden en grooten der aarde en alle zeelieden roepen: Wee! wee! Maar in den hemel zal over denzelfden val naar Openb. 19 gezongen worden: „Hallelujah!” en God lof en heerlijkheid worden gegeven. Indien wij hemelsch gezind waren, wij zouden met het hemelsch „Hallelujah” instemmen, meer dan met het wee-geroep der wereldlingen. Helaas! het is zoo andersom. Zelfs in de rijen van Gods kinderen klinkt het wee! wTee! zoo zeer, dat deze van den wereldling niet zijn te onderscheiden. Laat ons hun toch getrouwelijk toeroepen: Waakt! God voert Zijn eeuwigen raad uit en volbrengt Zijn Woord; Hij bewijst in den weg Zijner oordeelen, aan een Hem verloochenende en negeerende wereld, dat Hij God is. O, dat wij aan de zijde des Heeren vallen; onder Hem buigen en Zijn gerechtigheid uitroepen, gelij1 de zuchters in Jeruzalem, die geteekend werden aan hun voorhoofden. Van dat volk zou dan kracht uitgaan; hun stem zou in de wereld gehoord worden, en welken tegenstand deze ook zou opwekken, die stem zou doortrekken en uit de doodigheid doen opstaan. Laat de wereld ons haten; vervolgen; laat het naam- Christendom, dat dood is, de levenden smaden, het onderscheid zal slechts openbaar worden tusschen hem die God dient en die Hem niet dient. De Heere kent hen bij name en zal hen bewaren als het zwart des oogappels. Maar zoo des Heeren volk niet ontwaakt, en de Kerk meer en meer in den dood verzinkt, gewis de Heere zal ook haar oordeelen, gelijk Hij tot de gemeente van Sardis gesproken heeft: Indien gij dan niet waakt, zoo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat ure Ik over u komen zal.
Een d,ief komt onverwacht; hij kondigt zijn komst niet aan; hij komt als allen slapen; als niemand hem verwacht. Zoo zal de komst des Heeren zijn tot Zijn gemeente. Hij zal haar louteren, gelijk men het zilver loutert in den smeltkroes. De hitte van Zijn toorn zal. branren tegen hen, die dood zijn; die op vrome wijze Hem verloochenen. De gemeente te Sard;is nam Hij weg. Haar naam wordt niet meer genoemd. O Kerk van Nederland, vreest bij het hooren van dit Woord. Slaapt niet langer voort in uw doodslaap. De vijand staat voor de deur. Keert tot Gods Woord terug! geeft dat Woord volle heerschappij, naar de aloude belijdenis der Reformatie. Laat leven en dood verkondigd Worden; zegen en vloek. Hoort heden het' Woord des Heeren terwijl het nog ;iis.' de dag uwer zaligheid. Onverwacht zal de Heere komen en wie zal den dag Zijner komst verdragen? Verlaat de zandgronden van uw ingebeeld geloof; van uw valsche bevindingen; van alles, waarbij gij bleeft: dood door de zonden en de misdaden. Het vlijmend Woord des Heeren treffe u, als een pijl uit den boog. O, Zijn komst zal zoo schrikkelijk zijn. Het oordeel begint* van het huis Gods. Hij zal aanvallen als een leeuw, die van jongen beroofd is en als een jonge leeuw, die brult tot zijn buit. O, valt toch voor God in het stof; klopt op uw heup en kleedt u in zak en aseh; wie weet, de Heere mocht Zich uwer ontfermen.
Waak op; waak op (volk van God) trek uw sterkte aan. o, Sion! trek uw| sierlijke kleederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad! . .Schud u uit het stof; maak u op, zit neder o Jeruzalem, Maak u los van de banden van uw hals, gij gevangen dochter Sions! Kruis het vleesch met zijn begeerlijkheden; verzaak de genietingen der wereld en gewen u aan den Heere.
Moge deze vermaning kracht doen tot opwekking van Gods lieve volk, om Zijn Naam te erkennen en Zijn grootheid uit te roepen ir een wereld, die in het booze ligt en in de kerk, die in diepen slaap verzonken ;is. Daartoe heilige de Heere de smartelijke wegen Zijner oordeelen. Zij, die hun kleederen niet bevlekt hebben, zullen met den Heere wandelen ,m witte kleederen. Houdt moed, volk van God. De Heere zal uw druk eens verwiss’len in geluk. Hij zal uw smaad wenden en genade en eere geven; ja u doen wandelen in de witte kleederen Zijner heiligheid en van de overwinning, met welke gij door Zijn kracht overwinnen zult. De getrouwe Jehovah, Die Zijn Verbond in der eeuwigheid gedenkt, make ons getrouw tot den dood. Hij doe ons onderscheiden zijn van hen, die den Naam hebben, dat zij leven, maar dood zijn. Getuig tegen hen in woord en daad. Uw wandel zij in den hemel, verwachtende den Zaligmaker, Die staat te komen. Hoort in de weeën op het wereldrond Zijn stem en de aankondiging van Hem, Die de zeven sterren heeft; Die Zijn uitverkoren Kerk in Zijn hand houdt, waaruit niemand haar rukken zal, opdat zij eens als Babylon valt volkomen zinge het Hallelujah! de zaligheid en de heerlijkheid en de eer en de kracht zij den Heere onzen God. Want Zijn oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig. Looft dan onzen God, gij al Zijn dienstknechten, en gij, die Hem vreest, klein en groot! Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942

De Saambinder | 4 Pagina's

De brief aan Sardis. II.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken