Bekijk het origineel

De laatste dingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De laatste dingen

5 minuten leestijd

XXVIII.

4. DE EEUWIGE BESTEMMING.

a. de vernieuwing der wereld. Na het vonnis volgt direct de uitvoering er van en worden de goddelozen naar de poel, die brandt van vuur en sulver met de duivelen gebracht en de godzalige^ in de hemel der heerlijkheid opgenomen. En dan volgt op de dag van Christus' wederkomst ten gerichte nog de vernieuwing van hemel en aarde. Uitdrukkelijk toch zegt de apostel Petrus in 2 Petr. 3:10: Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan en de elementen branden zullen en vergaan. De opvatting yan Rome, dat de vernieuwing der aarde er zal zijn vóór het oordeel, moet verworpen worden, daar de opgestane mensen dan ook noodzakelijk getroffen zouden worden door het vuur, en. alzo zouden moeten omkomen vóór het oordeel. De vernieuwing zal echter niet in de weg van een vernietiging van hemel en aarde en dan opnieuw scheppen geschieden. Zo hebben wel de Socinianen en Remonstranten geoordeeld, evenals vele Luthersen en ook enkele Gereformeerde theologen uit vroeger tijd, doch de meeste Gereformeerden waren van gevoelen dat er geen vernietiging zal zijn. De Schrift toch spreekt uitdrukkelijk uit, dat de gedaante dezer wereld voorbijgaat, 1 Cor. 7 : 31. De gedaante of het voorkomen gaat voorbij, niet echter wordt het wezen vernietigd, wil dat zeggen. En in 1 Joh. 2:17 betekent de uitdrukking, dat de wereld voorbijgaat, ook niet anders dan dat de samenstel­ ling van de zichtbare wereld van nu zal ophouden te bestaan. Ook zegt Petrus in Hand. 3:21: Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wedero^richting aller dingen. Maar als er sprake is van een wederoprichten dan grijpt er ook geen vernietiging plaats, maar een herstelling van de door de zonde gekomen vloek over en ontwrichting van. alle dingen.

Verder gaat dan in vervulling wat Rom. 8 : 18—25 zegt, dat het ganse schepsel tezamen zucht en in barensnood is tot nu toe en dat het hopende is bevrijd te zullen worden van de dienstbaarheid der verderfenis. Dat haken naar verlossing van het ganse schepsel, waartoe in de beeldspraak ook hemel en aarde behoren, is toch nog wat anders dan afwachten om straks vernietigd te worden. Voorts biedt 2 Petr. 3:6, 7, een vergelijking met de eerste wereld, die door de zondvloed vergaan is. Zoals de eerste wereld door het water vergaan is, zo zal de wereld van heden voor het vuur bewaard worden. En zoals de eerste wereld door de zondvloed niet vernietigd is geworden, maar alleen veranderd in hoedanigheden, zo zal ook de wereld straks niet door het vuur vernietigd worden, niet in haar wezen wegvallen, maar veranderd, gelouterd en van de gevolgen der zonde bevrijd worden. Trouwens zoals een goudsmid de metalen in de smeltkroes 'doét om ze vaii vuil en schuim te ontdoen, zo ook zal het vuur in de dag des oordeels de hemel en de aarde een nieuwe gedaante en schoonheid geven. En evenzo wijst ten slotte de uitspraak van de .Heere Jezus, als Hij gewaagt van een wedergeboorte aller dingen, in Matth. 19 : 29, niet op een vernietiging, maar alleen op een door vernieuwing een nieuwe gedaante der dingen tevoorschijn te brengen. Zo Zal de wereld, de zichtbare hemel en de aarde, door het vuur omgekeerd en in die weg vernieuwd worden, waarbij dus niet de substantie, het wezen van de dingen wordt weggenomen, maar de bestaande hoedanigheden er van. Hoever de vernieuwing zich zal uitstrekken is niet met zekerheid te zeggen en vormt dan ook een punt van verschil. Sommigen zeggen, dat de sterrenhemel en de hemel der hemelen er vrij van blijven, anderen, zoals a Marck, sluiten alleen de hemel der hemelen er van uit, omdat die nooit door de zonde bezoedeld is geworden. En wat de benedenwereld betreft, zal volgens Openb. 21 : Ib de zee er'niet meer zijn. Of op de nieuwe aarde planten en dieren zullen zijn, of aan de hemel wolken, zon, maan en sterren zullen schitteren, is niet vast te zeggen, maar ook niet onwaarschijnlijk, waar de oorspronkelijke schepping, voor de val dus, goed was, en daarom wat het wezen betreft niet behoeft, noch ook zal veranderd worden, al kunnen zij in een andere verhouding gesteld worden. Overigens wijst reeds Calvijn er op, dat men in deze niet al te nieuwsgierig moet zijn, als hij bij Rom. 8:21 zegt: Hoedanig echter deze volkomenheid .zijn zal, zo in "dieren als in planten en in metalen, is noch nuttig noch oorbaar, nieuwsgierig na te vorsen. .Wijl het vergaan een voornaam deel der verderfenis is, vragen spitsvondige, maar min bedachtzame heden, of dan ieder geslacht van dieren onsterfelijk zal zijn. Wanneer men aan zulke speculaties de teugel viert, waarheen zullen zij ons eindelijk vervoeren? Laat ons dus met deze eenvoudige leer tevreden zijn: Er zal zulk een regelmatigheid en zulk een sierlijke orde wezen, dat er zich niets wanstaltigs of vervallens voordoet. En evenzo wijst ook Brakel vragen af als deze: Of er dieren zullen zijn; of er ook dood zal plaatshebben in beesten en

gewassen; of de dieren zullen voorttelen enz. Zoveel is echter zeker, dat de Heere Zich op het hoogste zal verheerlijken door deze nieuwe planting van Zijne handen, die verlost zal zijn van alle verderf en gevolg der zonde. En al zal dan de hemel der hemelen de vaste woonplaats der gezaligden zijn, zij zullen ook de vernieuwde^aarde erfelijk bezitten en zich er op mogen verlustigen in de Heere op volmaakte wijze.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1949

De Saambinder | 4 Pagina's

De laatste dingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1949

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken