Bekijk het origineel

Toelichting op de Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Toelichting op de Nederlandse Geloofsbelijdenis

6 minuten leestijd

II.

De bekende Rotterdamse taalgeleerde Erasmus maakte onderscheid tussen de religieus-etische en historische gedeelten der H. Schrift, welke laatste dan volgens hem onderworpen waren aan menselijke dwalingen. Maar toch in het algemeen was men het in die tijd wel eens over de goddelijke oorsprong van de Bijbel. Wat is daarna in ruim vier eeuwen, die daarna verlopen zijn, de H. Schrift in de maalstroom der critiek gekomen, zowel in protestantse als in roomse kringen. Wat de roomse kerk en de Schriftcritiek betreft kunnen we opmerken dat zowel het grote concilie van Trente (1545- 1563) als het Vaticaansconcilie (1870) hebben vastgehouden aan de inspiratie van de H. Geest. God is de auteur en als zodanig is de H. Schrift aan de kerk zelf overgeleverd. Toch is er in de laatste 50 jaren in de boezem der roomse kerk een harde strijd geleverd over de inspiratie, zodat zelfs door de paus een Bijbelcommissie benoemd is geworden. Tot nu toe houdt de roomse kerk vast aan de goddelijke inspiratie der Schrift, maar de kerk is de uitlegster er van, en wie zich daarvoor niet buigt, zal als Rome de macht eenmaal in handen heeft, ook in ons land, (denk alleen maar wat er heden in Spanje gebeurt), het aan den lijve ondervinden, dat de inquisitie uit de 80-jarige oorlog nog dezelfde is. Van de goddelijke inspiratie waren de profeten en apostelen bewust. Zij gaven er zelf getuigenis van dat zij verkondigen moesten: „des Heeren Woord, des Heeren last, des Heeren rede". Deze inspiratie was een woordelijke en niet slechts een zakelijke, d.w.z. daf slechts de zaken in de harten Zijner knechten gegeven waren en zij deze in hun eigen woorden weergaven. Zulk een zakelijke inspiratie wordt voorgestaan door de ethische richting, die zich beroept op 2 Tim. 3 : 16: Al de Schrift is van God ingegeven. Zij vedraaien deze woorden in: Al de Schrift, die van God ingegeven is. Oppervlakkig bezien moge dit geen groot verschil zijn, maar wezenlijk is dit verschil groot, daar men dan verder leest: in zo verre de Schrift van God ingegeven is en tenslotte eindigt met de leuze: Gods Woord is! in de Bijbel. Men kan er dan uithalen en uitlaten wat men zelf wil, zoals de Leidse bijbelvertaling van: Brouwer-Obbink dan ook gedaan heeft. Wat blijft] er echter dan over van de hoge waardij van de Heilige Schrift. Zij toch behelst een onfeilbare openbaring: van God in Zijn Wezen en werken, alsmede van al het geschapene. Een onfeilbare openbaring van de enige weg der zaligheid, zoals God een God der zaligheid kan zijn in Christus Jezus voor diep gevallen schepselen. Zij wijst ons aan de weg der behoudenis voor schuldigen, in de enige Naam onder de hemel gegeven en die op alle bladzijden van de Heilige Schrift wordt voorgesteld.

We hebben ook te wijzen op de huidige Schriftbeschouwingen van Barth en van Niftrik. Dezen willen van een éénmaal door de Heihge Geest geïnspireerde Heilige Schrift niet weten, want dit zou volgens hen de Bijbel maken tot een papieren paus. God zou dan Zijn vrije, souvereine openbaring vastgelegd hebben in een onfeilbaar boek. Daarom is voor Barth en zijn volgelingen de Bijbel niet geïnspireerd, maar wordt hij het telkens weer. Telkens als God dat boek, wat Bijbel heet, wil gebruiken, daalt Hij af met Zijn Geest in de Bijbel en maakt het dan tot Gods Woord. De apostelen en profeten waren mensen, zondige mensen, ook als openbaringsgetuigen. Zij konden falen en hebben ook in ieder woord gefeild. Voor een dergelijke theorie uit des mensen bedorven brein stellen wij de apostel Petrus: 2 Petrus 1 : 21: Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.

De goddelijke inspiratie geldt zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Ook het Oude Testament is Gods Woord. De Heere Jezus heeft Zich herhaaldelijk op het Oud Verbond beroepen. Hij sprak er van: gelijk geschreven is, en noemde het Oude Testament in zijn geheel: „de wet". Joh. 10 : 35.

Om zich niet aan de letter van het beschreven Woord te binden, maar alleen „de geest" der Schriften te behouden, moet zeer dikwijls dienen een beroep op 2 Cor. 3 : 6, waar staat: Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Deze letter is de letter van de wet, die de dood werkt, d.w.z. die wet die met letteren in stenen tafelen is geschreven. Deze wet overtuigt ons van onze overtreding en diensvolgens dat wij de dood, die den overtreders wordt gedreigd, waardig en onderworpen zijn (kanttekening van St. Vert.). Het evangelie, zowel in het Oude Testament nog in dienst der schaduwen, als in het Nieuwe Testament in de vervulling in Christus Jezus, wijst de weg tot het leven en de zaligheid, door het geloof in Jezus Christus, maar is ook vergezelschapt met de kracht des Heiligen Geestes, waardoor het geloof in de uitverkorenen gewrocht en bewaard wordt, en zij uit de dood der zonden opgewekt en levend gemaakt worden.

Dit 3de artikel wijst er ons ook op, hoe God Zelf als met Zijn Vinger de twee tafelen der wet geschreven heeft. Deze wet munt in voortreffelijkheid uit boven alle andere wetten. Het is Gods werk alleen wetten te geven die het geweten van de mens tot altoosdurende gehoorzaamheid verplichten. Het is het grote voorrecht van al de Zijnen, die gekocht zijn met het dierbaar bloed van Christus, dat die wet ingeplant wordt in hun harten,  waaruit het de satan met al zijn trawanten, met al zijn kracht en listen, niet mogelijk is weder uit te halen. Maar dit is het verbond, dat ik van die dagen met den huize Israels maken zal, spreekt de Heere. Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. We willen deze toelichting van dit artikel besluiten met datgene wat Joh. a Marck in „Het Merch der Gotgeleertheit" over deze wetgeving zegt: Op een zeer statige wijze heeft God deze zedelijke wet wederom gegeven aan de Israëlieten, als Hij die tot Zijn bijzonder volk aannam. En hier merken wij aan: Dat de Wetgever was de Heere, de God van Israël, niet alleen de Vader, die van de Zoon spreekt als van de Engel van Zijn aangezicht, in wiens binnenste Zijn naam was (Ex. 23 : 20, 21), maar ook in het bijzonder de Zoon als Middelaar en Koning van Zijn kerk (Hand. 7 : 30, 38), daar aan de Engel des hemels de wetgeving wordt toegeschreven (Hebr. 12 : 25, 26), alwaar Jezus ons voorkomt als nu niet alleen sprekende, maar ook bij Sinaï door Zijn stem de aarde bewegende.

Lisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1950

De Saambinder | 4 Pagina's

Toelichting op de Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1950

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken