Bekijk het origineel

Gedachten uit het verleden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gedachten uit het verleden

Willem Teelinck

5 minuten leestijd

Reeds maakte ik er in mijn vorig artikel op attent, dat ik Voetius nog eens wilde laten spreken in verband ook met Teelincks opvatting over de viering van de Sabbat. Men krijgt altijd een onzuiver beeld van iemands standpunt, wanneer er maar stukken en brokken uit diens geschriften of redevoeringen worden gebruikt. Dat was in de dagen van Voetius ook reeds het geval, en daarom moet men altijd iemand beoordelen naar het geheel van zijn standpunt. „Van Teelinck werd er ook gemeumelt", zo zegt Voetius, „achter zyne rugge". Verdachtmaking en onbewezen beschuldigingen werden geuit omtrent de man, doch Voetius nam het voor Teelinck op, zonder dat hij het met Teelinck geheel eens was. Hoort eens welk een prachtig getuigenis Voetius geeft: „Wat hij, nl. Teelinck, in het hoofd of in het hart had en weet ik niet, maar één ding weet ik wel, dat hij met zijn geschriften nevens tallooze anderen mijn oogen geopent en het hart door Godes genade geraakt heeft om vele dingen nader te verstaan en in bedenking te nemen, daar tevoren niet met al, of immers zeer aan gedacht werd". Verder schrijft hij: „Dat hij daar drijft en duidelijk uit zijn boezem schudt, is niet nieuws of singuliers, maar is het oude nieuw, daar wij allen de hand aan moeten houden zoo er maar een druppel van ware christelijkheid in ons is".

Dan neemt Voetius enkele werken van Teelinck bijzonder onder handen om ze in het juiste licht te bezien. Daarvan zijn vooral zijn beschouwing over Teelincks verhandeling over Romeinen 7 en over de Sabbat van belang. Het eerste zou buitengewoon nuttig zijn om na te gaan, vooral in onze dagen. In die verhandeling neemt Teelinck vooral stelling tegen wettisch streven omtrent de heiligmaking. Vooral in onze dagen zou dat van veel nut kunnen zijn, indien men althans nog objectief weergeven en oordelen wil en kan. Hij leert de heiligmaking niet als voortkomende uit de mens, en als een werk van de mens, maar als vloeiende uit de gemeenschap aan Christus en als een werk Gods in de mens, dat noodzakelijk naar buiten kenbaar worden moet. Kostelijk mooi beschrijft hij daarin de worsteling en de armoede van Gods volk, waarin zij kenbaar worden in de evangelische heiligmaking. Hoe vreemd zijn wij daarvan in deze benauwde tijden. Ik moge in dit verband verwijzen naar het buitengewone speciale werk op dit gebied van Marshall. Ik moet mij echter bepalen tot de zienswijze van Teelinck omtrent de sabbat. Wanneer ik echter deze dingen naga, bekruipt mij altijd de lust om daar dieper en breder op in te gaan. De Heere heeft mij daarin een weinig lust gegeven. Ik volg dus weer Voetius over zijn beschouwing van Teelincks boek over de Sabbat. Hij schrijft:

„Boven alle heeft men het licht der praktijk van dezen eerwaardigen man aangestoken, willen verduisteren, met voorwenden van zijn nieuwe opiniën van de Sabbath of christelijken rustdag. Wat hij hiervan gevoeld heeft, kan ik niet vatten dan uit zijn geschriften en eenig mondeling bericht, dat hij op mijn voorstellingen en vragen daarover gedaan heeft. Over den rustdag kan gedisputeerd worden, over de praktijk en zijn heiliging, of over de dag zelf en zijn oorsprong. Aangaande de praktijk, daarvan hebt gij opening in zijn boek, genaamd De Rustdag, het welk geapprobeert is van de eerwaardige faculteit van Leiden en de gedeputeerden van de classe Walcheren, alsook van de hooggeleerde Franciscus Gomarus, met een brief aan Willem Teelinck, daaromtrent geschreven, dewelke ter zijner tijd bij de erfgenamen tevoorschijn kunnen gebracht worden. En als men op een woordeken of bepaald punt (die mogelijk de één of ander liever anders zou stellen) zoo niet subtiliseeren wil, wat drijft dat boek anders dan de praktijk en oefening der godzaligheid, gepast op dien dag, tegen welke niemand zal streven zonder de profaniteit toe geven. Aangaande de oorsprong en instelling van den rustdag, zoo in het Oude als in het Nieuwe Testament, daarvan heeft hij zijn gevoelens in zijn geschriften genoegzaam verklaart, hetwelk van de meening van eenigen onzer leeraren verschilt, alzo ook wederom met de meening van anderen, die niet de geringsten zijn, wel overeenkomt, zoodat hij hier op zijn eigen hand niets bijzonders of eigens gevonden of gedisputeerd  heeft, veel minder dat zijn gevoelen of van de Gereformeerde Kerken in het algemeen; of van onze kerken hier te lande zoude veroordeelt zijn. Zoo iemand een goed  bericht wil hebben van deze zaken, die late het op geruchten en praterijen niet staan, maar leze zelf de post- acta der Nationale Synode 1619, of de voorstellingen en disputatiën der professoren te Leiden, te weten Tyssius en Rivet en de tractaten van Gomarus en Wallaeus". Ik wil het voor ditmaal hier bij laten. Er zal nog duidelijker uit het woord van Voetius blijken, welk een waardering hij voor Teelinck had, van wie de ijver tot een godzalige viering van de sabbat hogelijk geprezen  wordt. Hadden wij er in onze dagen wat meer van.

Utrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1950

De Saambinder | 4 Pagina's

Gedachten uit het verleden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1950

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken