Bekijk het origineel

Het boek Esther

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het boek Esther

5 minuten leestijd

HOOFDSTUK IV (vervolg)

Gelukkig had Esther een persoon aan het hof, die zij volkomen vertrouwde, één van des konings kamerlingen, Hatach geheten. Waarschijnlijk was deze kamerling al meer gebruikt om het kontakt te onderhouden tussen Esther en Mordechai. Ook hierin was de hand der Goddelijke voorzienigheid, en door Hatach het Esther informeren bij Mordechai naar de rede van zijn buitengewone droefheid.

Ook Mordechai gaf zijn vertrouwen aan de door Esther gezonden kamerling, toen zij samen wandelden op het plein voor het paleis. Wonderlijk, een deftige hoveling en een Jood in zijn gescheurde klederen liepen fluisterend te spreken over het moordplan van Haman, de gunsteling des konings. Ook vertelde Mordechai voor welk een fantastisch hoog 'bedrag Haman zich garant stelde, om die in de rijksschatkist te storten. Zelfs gaf Mordechai een afschrift van het bloedplakkaat aan Hatach mee, opdat Esther zichzelf kon overtuigen. Bovendien gaf Mordechai door middel van de kamerling aan Esther de opdracht, dat zij bij Ahasvéros tussen moest treden voor de Joden en dat zij als pleitbeslechtster moest doen wat ze kon om het bloedbad te verhinderen.

Mordechai had nu gedaan wat hij kon, tot de koning had hij geen toegang, alleen kon hij de Joden overal wakker roepen, en verder moest nu Esther optreden. Maar helaas, zij zag geen mogelijkheid van tussenkomst bij Ahasvéros. Al had zij met eigen ogen gezien de bewijzen van Hamans onmenselijke wreedheid, en dat haar man zich door de Amelekiet ook had laten overhalen tot die gruwelijke massamoord, en al had Mordechai het haar geboden met vaderlijke autoriteit, zij weifelde, want er was groot levensgevaar aan verbonden, wanneer zij tot de koning zou gaan. Mordechai had haar door zijn gebod in grote zorg en moeilijkheid gebracht. Zeker, zij zou zich wel hebben willen nederbuigen als zij daarmee wat bereiken kon ten voordele van de Joden, doch als zij gevaar moest lopen om als 'een misdadigster ter dood te worden gebracht, dan was de eis en het gebod van Mordechai wel heel zwaar. En de kamerling was ook al bang voor het leven van koningin Esther, en die wist hoe streng de paleiswetten gehandhaafd werden. Anderzijds was het, alsof het maar steeds in haar oren klonk: Redt gij onze zielen. Gij hebt alleen maar een kans, al is zij niet groot. Als u het niet doet is alles onherroepelijk verloren. Dacht zij aan Mordechai, die haar had opgevoed, van wie zij zoveel hield, en dat hij met al de andere Joden gedoodvonnist was, dan kromp haar ziel ineen. Maar dacht zij aan de andere kant wat haar lot zou zijn als Ahasvéros haar de gouden schept er niet zou toereiken, dan durfde zij ook niet tot de koning te gaan.

Reeds lang was onder de Meden die wet gewekt, die van het koninklijk paleis een koninklijke gevangenis maakte. De koningen waren een schrik voor de onderdanen en zij waren een last voor zichzelf. Het oogmerk van die wet was ten eerste de veiligheid van de strenge despoot, en ten tweede om des temeer eerbied voor de vorst te veroorzaken bij het volk, dat in hem meer dan een mens moest zien. Het was een zware, onzinnige wet, waardoor de koning" geheel onkundig 'bleef van de wezenlijke belangen zijner onderdanen. Alles-hing af van de staatsdienaren. Op het ongenodigd binnentreden van de koninklijke troonzaal stond de doodstraf, want de tirannen vertrouwden niemand en waren steeds in voortdurende vrees voor hun leven.

Gelukkig is het zo niet aan het hof van de Koning der koningen. Gods volk mag vrijmoedig naderen tot de voetbank van Zijn genadetroon. Op de smeking des waren zaligmakenden geloofs verkrijgt dat volk van Christus een antwoord des vredes. Zelfs wil de Koning van Sion Zijn volk voor Zijn aangezicht zien, zij zijn temeer welkom naarmate hun behoefte aan Zijn gunst te groter is. Juist de grote afstand vanwege ongeloof en slaafse vrees is zo schadelijk en 'behaagt Hem niet. Indien er geen dagelijkse en vrije toegang is tot Hem, en de geloofsgemeenschap wordt gemist, liggen de oorzaken bij de Zijnen en niet bij Hem Zelf.

Ondanks de inklevende verdorvenheid en het eindeloze gebrek in hen, mag Gods volk tot Hem komen en alles goeds van Hem begeren en verwachten. Het was voor Esther geen geringe zaak om Ahasvéros te bekennen, dat zij behoorde tot het volk der Joden, die de koning juist ter verbanning en uitroeiing had overgegeven. Om van hem te begeren 'de intrekking van het edikt, daarmee stond of viel zijn koninklijke eer en tevens de val van zijn eerste staatsdienaar en gunsteling. Het is niet te verwonderen, dat haar vrouwelijk gemoed een grote schrik kreeg, toen Hatach het bevel. van Mordechai aan haar overbracht. Want niet Esther, maar Jehova moest de eer van de verlossing krijgen, gelijk we later nog zullen bemerken uit het verloop der geschiedenissen. Hoe donker was voor Esther de toekomst, de koning scheen haar geheel vergeten te hebben, want sedert dertig dagen was zij niet geroepen om tot dé koning in te komen. En toch was in dat alles Gods voorzienig bestel, want daardoor werd zij wel te meer beproefd, maar daardoor zou Gods goedheid in de gunst, die zij van Ahasvéros verkreeg, des te helderder uitkomen.

Rotterdam-Z

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1958

De Saambinder | 4 Pagina's

Het boek Esther

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1958

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken