Bekijk het origineel

De brief aan de gemeente van THYATIRE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De brief aan de gemeente van THYATIRE

5 minuten leestijd

En schrijf aan de engel der gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk: Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste. Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zichzelf zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten. En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. Zie, Ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken. En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en'al de gemeenten zullen weten, dat Ik het ben. Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uw werken. Doch Ik zeg tot ulieden, en tot de anderen die te Thyatire zijn, zo velen als er deze leer niet hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geen andere last opleggen. Maar hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen. En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart. Ik zal hem macht geven over de heidenen. En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf, zij zullen als pottebakkersvaten vermorzeld worden, gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb. En Ik zal hem de morgenster geven. Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Openbaring 2 : 18—29

De stad Thyatire lag in het noorden van Lydië, niet ver van Pergamus, en was een kolonie der Macedoniërs, die zeer kundig waren in het verven van stoffen met purper. Thyatire was ook de stad, waar Lydia woonde, toen zij te Filippi door de prediking van Paulus tot bekering kwam. De geschiedenis vermeldt, dat de gemeente te Thyatire zeer veel verdrukking heeft moeten verdragen, dat zij zelfs door de vijanden geheel verwoest werd, omstreeks honderd jaar na de hemelvaart van Christus. Zij is later echter weer opnieuw gesticht, en heeft toen zelfs bijzonder gebloeid. Wie de engel der gemeente is, tot wie de Heere deze ernstige woorden spreekt, is niet bekend; de Schrift vermeldt het ons niet. Het is opmerkelijk, dat de Heere Jezus Zichzelf bij de aanhef van deze brief de Zoon van God noemt: „Dit zegt de Zoon van God". Hij gebruikt hier Zijn hoogste erenaam, omdat die Zijn onbegrijpelijke eeuwige generatie naar Zijn Goddelijke natuur inhoudt. Hij is de verheerlijkte Immanuël, de Bruidegom van Zijn van eeuwigheid beminde bruid. Hij is het. Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt en Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt. Die dood geweest is en weder levend is geworden, en Die nu alle macht heeft in hemel en op aarde.

„Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs"; met zijn alziend oog blikt Hij door tot in de diepste schuilhoek van het hart. Ja, Hij ziet met Zijn vlammende ogen de verborgen zonden van de gemeente, zelfs van de voorgangers der gemeente te Thyatire. Niets is voor Hem verborgen; Hij ziet uit het ongenaakbaar licht het gans gedrag der stervelingen. Hij zal ook naar het gezicht Zijner ogen richten en straffen, want: „Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk!" Met die heilige voeten zal Hij niet alleen al Zijn vijanden vertreden, maar zal Hij ook het onkruid, dat zich in Zijn wijngaard bevindt, vertrappen. Hij, de Heilige, de Machtige, kan de zonde niet dulden, ook niet de zonde van Zijn kinderen. Zijn voeten zijn gelijk koper, dat — tot de hoogste graad van hitte opgevoerd — onbuigzaam wordt. Hy zal als de Leeuw uit de stam van Juda Zijn volk bewaken en beschermen, tot verschrikking van de antinomianen, die de valse profetes Jezabel aanhangen. Maar ondanks de zeer ernstige aanhef van Zijn brief, begint Christus de genade die nog in de gemeente bloeit, te prijzen. Hij wijst haar liefdevol op het werk dat de Heilige Geest heeft gewrocht, en dat in de vrucht naar buiten openbaar komt.

„Ik weet uw werken". Christus prijst de gemeente om haar werkzaamheden. Hij weet, dat zij die werken doet uit liefde en door het geloof. Het zijn ook hier weer niet de wettische werken die Christus bedoelt, want daarover zou Hij de gemeente nimmer geprezen hebben. Het gaat over die werken, die in Galaten 5 de vruchten des Geestes worden genoemd. Die werken vloeien uit de zuivere bron van de genade die de Heere Zelf in het hart gewerkt heeft. Hij wijst dus eigenlijk op Zijn eigen werk, tegenover het werk van de vorst der duisternis. „En liefde". De Heere weet hoe de liefde in de gemeente bloeit. Hij kent de harten; Zijn alziend oog ziet niet alleen de verborgen zonden van de mensen in Thyatire, maar ook de liefde die bloeit in de harten van Zijn kinderen. De liefde was steeds de drijfveer van hun werkzaamheden. Wel is er — evenals in Efeze — een krankheid ontstaan in de gemeente, zodat door velen de liefde niet meer beoefend wordt, maar er zijn toch nog kinderen Gods in de gemeente van Thyatire, van wie de eeuwige Zoon van God kan zeggen: Ik weet uw liefde.

Rotterdam-Z

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961

De Saambinder | 4 Pagina's

De brief aan de gemeente van THYATIRE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken