Bekijk het origineel

HOE MOET MEN STAAN TEGENOVER DE HUIDIGE SCHRIFTKRITIEK? 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HOE MOET MEN STAAN TEGENOVER DE HUIDIGE SCHRIFTKRITIEK? 2

6 minuten leestijd

Letten wij nu eerst eens met aandacht er op, dat in tegenstelling van alle geschriften, hoe betekenisvol deze mogen zijn en hoe geëerd boven vele andere boeken, de Bijbel hier zeer ver bovenstaat en geen ander werk daarmede zelfs te vergelijken is.

De Heilige Schrift is immers ontstaan door de gans bovennatuurlijke werking van de Heilige Geest, Die de schrijvers daartoe woordelijk heeft geïnspireerd, beide zowel in de keuze en verdeling van hun stof, als in hun denken en uitdrukkingen, en op zulk een wijze geheel bestuurde, dat zij de openbaring Gods van letter tot letter feilloos uitdrukten. Deze bijbelschrijvers waren van God geheiligde en gewijde mensen wier oor en hart door God geopend was, zie Jesaja 50 : 4, 5, wier tong en mond door God gereinigd en geheiligd was, Jes. 6: 7, Jeremia 1 : 9, 2 Sam. 23 : 2.

Deze inspiratie moet wel onderscheiden worden van vele openbaringen, die verschillende bijbelheiligen gehad hebben, denk hiertoe b.v. aan Abraham, Jakob enz., maar die tot schrijven niet geïnspireerd werden. Ook moet de inspiratie onderscheiden worden van de geestelijke verlichting in wedergeboorte en heiligmaking, die de uitverkoren kinderen Gods tot zaligheid gegeven wordt. De inspiratie heeft een geheel eigen karakter, stellende de geschriften van de geïnspireerde heilige mensen Gods tot een onfeilbare regel van geloof en leer en leven, waarvan wij geen duimbreed mogen afwijken. De Schrift is derhalve volmaakt, want de Wet des Heeren (en dat is gans Zijn Woord) is volmaakt, Ps. 19 : 8. In Deut. 4 : 2 lezen wij: Gij zult tot dit Woord, dat Ik u gebied, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen, opdat gij bewaart de geboden des Heeren, uws Gods, die Ik u gebied.

Hoewel dit Woord Gods door mensen geschreven is, hebben wij de Goddelijke factor van de inspiratie des Heiligen Geestes in deze wel heel goed op te merken. Wie aan de inspiratie, die volkomen bovennatuurlijke ingeving Gods, tornt, miskent de Bijbel als het Woord Gods, dat ons Gods eeuwige raad ontdekt, tot Zijn eer en zaligheid van al de Zijnen. De verwerping van dit Woord getuigt alleen van de blindheid en verharding des harten. Paulus waarschuwt voor de ijdele filosofie die ten hemel op klimmen wil langs denkladders van het menselijk vernuft, met miskenning van de waarheid Gods in Zijn Woord. Het betaamt ons dat Woord aan te nemen in zijn geheel, niet als der mensenwoord, maar gelijk het waarlijk is als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft, 1 Thess. 2 : 13.

De menselijke factor hebben wij bij de beschrijving van dat Woord echter niet uit te sluiten. De inspiratie, hoewel woordelijk, was niet „mechanisch", de geïnspireerde schrijvers van de Bijbelboeken waren daarbij geen machines, geen onbewuste werktuigen in des Heeren hand. Integendeel, zij hebben geleefd in hetgeen God hun openbaarde en hebben zich in die openbaring verheugd en zich anders weer er over bedroefd. Zij schreven ook naar eigen aanleg, karakter en stijl, waardoor zij ook kenbaar waren. De inspiratie was alzo „organisch". De Heilige Geest bewoog hun wil tot schrijven en onderzoeken, zie Luk. 1 : 3, en deed in hun bewustzijn hun gedachten en woorden zó opkomen, zoals het Hem behaagde, waarbij Hij hen behoedde voor dwalingen, en wel zodanig, dat de schrijvers het geopenbaarde feilloos hebben te boek gesteld.

God riep alzo het verleden in hun geheugen en ontdekte het toekomende. Zij waren zich dit bewust en droegen naar hun eigen getuigenis „des Heeren last" en spraken , , des Heeren rede" en verkondigden„des Heeren Woord". De inspiratie wordt daarom terecht genoemd: „een openbaren", „ingeven", „gedreven worden" en „in de waarheid geleid worden". Het oordeel Gods is daarom zeker over al degenen, die afdoen van de woorden dezer profetie. Op. 22 : 19, alzo ook over alle bijbelkritiek.

Hoe schrikkelijk is het daarom dat velen zich nog noemende gereformeerden, zelfs in het openbaar, het Woord Gods als voorwerp van twijfelachtige diskussie durven te stellen. Zo zou volgens sommigen de Bijbel oud-oosterse geschiedschrijving zijn. Anderen weer willen de eerste drie hoofdstukken van de Bijbel als een mythe zien, dus als een vertelling of verhaal, dat geen letterlijke waarheid bevat en wat men toch voor waarheid uitgeeft. Zo zouden een werkelijke Adam en Eva, een paradijs en de slangen de zondeval er nooit geweest zijn.

Komt echter in al die gruwelijke miskenning van de openbaring Gods, in Zijn Woord ons gegeven, niet de bittere vijandschap van de van God afgevallen mens uit, die ondanks al zijn godsdienst zichzelf tegenover God als een god wil handhaven, doch daarmede tegelijk zijn diepe val in "Adam duidelijk openbaart? Wat zou er van terecht moeten komen als de mens, hoe hoog in wetenschap ook verlicht, maar totaal verbinnd en verduisterd krachtens zijn val en bondsbreuk in Adam, uit zou moeten maken wat wel en niet van God is en geloofwaardig is? De Bijbel zou als zodanig totaal waardeloos zijn tot enige regel in leven en sterven.

En ieder die aan bijbelkritiek durft te doen, hoe wetenschappelijk hij of zij moge zijn, zal eens zeker ervaren dat dat Woord in zijn geheel van Genesis tot en met Openbaring Gods onfeilbaar Woord is, wat in het minst nooit straffeloos kan worden aangetast.

God Zelf heeft Zijn Woord bij geschrifte laten stellen en die Schrift is geheel en alleen Zijn Woord. Zij is ook verre van een dode letter, zoals sommigen stellen, maar is het levend en eeuwig blijvend Woord van God en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten, Hebr. 4 : 12. De eigenschappen van de Heilige Schrift zijn alzo, dat deze is 1. van Goddelijk gezag, 2. volkomen, d.i. daar mag niets af of toe gedaan worden, enten 3. is deze alzo duidelijk daar zij bevat al wat tot Gods eer en tot zaligheid van verloren doodschuldige Adamskinderen van node is.

Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is, want de tijd is nabij. Op. 1 : 3.

Rotterdam-W

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1967

De Saambinder | 4 Pagina's

HOE MOET MEN STAAN TEGENOVER DE HUIDIGE SCHRIFTKRITIEK? 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1967

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken