Bekijk het origineel

HET KOMEN TOT CHRISTUS (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET KOMEN TOT CHRISTUS (3)

"Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke". Joh. 6 : 44

6 minuten leestijd

MOGELIJK BIJ GOD

Als goddelijk genadelicht de ziel beschijnt ziet de ziel de grootheid van zijn schuld en ongerechtigheid. Dan wordt het zonderegister geopend en wordt de staat der ellende ontdekt, waarin wij allen van nature om eigen schuld verzonken en verdronken liggen. Blikkend in de spiegel van Gods heilige Wet, die vervloekt een iegelijk die niet blijft in hetgeen in dat Boek der Wet geschreven is, leert zulk een ziel zich kennen gans melaats van de hoofdschedel tot de voetzool toe, zodat aan hem geen geheel is. Daar wordt geleerd dat wij van nature kinderen des toorns zijn, gelijk al de anderen en dat we elk ogenblik in gevaar zijn van om te komen en verloren te gaan. Zulk een wordt het zo'n eeuwig wonder, dat de hemelen hem nog dekken en dat de aarde hem nog draagt, ja, dat hij nog niet is weggeworpen in de diepten der eeuwige rampzaligheid. O, die verwondering over de lankmoedigheid, goedertierenheid en verdraagzaamheid van die God, tegen Wie zo zwaar en zo menigmaal misdreven is. Gezondigd te hebben tegen een heilig, rechtvaardig, maar ook goeddoend Wezen, waardig om Zijns Zelfs wil ten innigste geliefd en ten hoogste verheerlijkt te worden, is de oorzaak van bitter leedwezen en hartelijke droefheid. Zulke zielen is de taal van de dichter niet vreemd: Ik voel Uw slagen klemmen Ik doe mijn bedde zwemmen In tranen, al den nacht. Doch verstaan ook, wat Asaf zingt in Psalm 86: 'k Zocht Hem in mijn bange dagen, 'k Bracht de nachten door met klagen, 'k Liet niet af mijn hand en oog Op te heffen naar omhoog.

Door de trekkende liefde Gods worden zij geveerd met smeking en geween tot de Troon der genade, in de erkentenis: Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog, dies ben ik Heer' Uw gramschap dubbel waardig. Zulke zielen zijn onbekeerd, lezer, diep ongelukkig, ja ongelukkiger dan de dieren des velds die tegen God niet gezondigd hebben en geen ziel te verliezen hebben voor de eeuwigheid. Zij zijn God kwijt. Zijn beeld, Zijn gunst en gemeenschap. En dat is alles kwijt. En dat om eigen schuld. Kent u daar iets van? Het is zo noodzakelijk hier iets van te leren. Wij moeten weten, bevindelijk weten, hoe groot onze zonden en ellenden zijn. Hoe anders zal er ooit plaats zijn voor en behoefte aan de kennis der verlossing? Hoe ooit anders Gode voor zulk een verlossing dankbaar zijn? Wij moeten weten uit hoe grote nood. en dood we verlost zijn. Hoe anders ooit tot Christus vluchten? Wat moeten we dan met Jezus doen ? Als wij Hem aanzien is er toch geen gestalte of begeerlijkheid, dat we Hem ooit zouden begeren. Tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke. Namelijk tot Christus, in Wie al het welbehagen des Vaders is. In Wie gerechtigheden en sterkten zijn, tot Wie alle vlees komen zal. O, naar Hem leert de Heere Zijn volk hongeren en dorsten en naar Zijn gerechtigheid, om met God verzoend te worden en in Zijn gemeenschap te mogen hersteld worden. Dat volk kan niet meer in hun tenten blijven, in de tenten der ijdelheid en der zondedienst. Die gaan zij gewillig verlaten. Ruth kon het in Moab niet meer uithouden, zij kon beter sterven. En Mozes niet meer aan het hof van Farao, hij wilde liever met Gods arme volk kwalijk gehandeld worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben, achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten van Egypte. Wereld, zonde en satan worden onvoorwaardelijk de dienst opgezegd. De wereld wordt waardeloos, de zonde wordt de dood. Ja, zij worden aller zonde vijand. Het is: henen uit, henen uit, wat heb ik meer met de afgoden te doen?

Er is een zoeken geboren naar stilling van hun zielehonger, naar lessing van hun zieledorst. Hun ziel dorst naar God, naar de levende God. Het is als met de verloren zoon: Ik verga van honger; ik zal nu opstaan en tot mijn vader gaan en ik zal zeggen: Vader ik heb gezondigd, maak mij maar als een van uw huurlingen". Soms denken zij in eeuwige honger en kommer nog te zullen omkomen. De vrees kan zo groot zijn, de strijd zo hevig, de weg te veel. Maar de Heere is goed over Zijn volk. Hij zal hen nimmer om doen komen, in dure tijd en hongersnood. Hij doet hen wel eens hier en daar aren oplezen, onder het lezen van Zijn Woord en in de eenzaamheid. Hoe wonderlijk kan soms hun ziel gesteld zijn, als de Heere van de daken doet prediken wat in de binnenkamer doorleefd is.

Maar in dit alles ontwaart de ziel een tekort. Zij wordt gewaar, dat er nergens'ware bevrediging in is, in hun lezen, bidden, kerkgaan, mediteren, enz., enz. En dat is zo gelukkig, lezer, al kan de ziel dat niet bezien en vreest ze vaak alles te missen en dat haar werk geen waarheid is. De ware verzadiging ligt immers niet in hetgeen van Jezus is, maar in de geloofsgebruikmaking van Christus Zelf. Hij is het ware Brood, dat uit de hemel is neergedaald. En die van Zijn vlees eet en van Zijn bloed drinkt, zal niet hongeren noch dorsten in der eeuwigheid. De trekking des Vaders leidt tot Christus. En die geschiedt in een weg van afbraak, van verlies en van sterven aan alles wat geen Christus is. „Gelijk een beest afgaat in de valleien, alzo heeft hun de Geest des Heeren rust gegeven." De Heere doet een afgesneden zaak op aarde, wat Hij gebouwd heeft, breekt Hij af en wat Hij geplant heeft, rukt Hij uit, zelfs dat ganse land. Dan wordt het voor zulk een ziel een verloren zaak, met alles wat geschied kan zijn. Voorwaar, bange stonde. Daar wordt doorleefd, wat de dichter zingt: „Als mij geen hulp of uitkomst bleek. Wanneer mijn geest in mij bezweek. En 'k overstelpt werd door ellend' Hebt Gij, o Heer', mijn pad gekend".

Wie zal die verwondering ooit, verklaren, als het de Heere behaagt in de traliën van Zijn Woord de mogelijkheid te ontsluiten en de weg te openbaren, buiten zichzelf in die dierbare Christus, voor Wie het oog des geloofs geopend wordt, om buiten zichzelf te zien en ingeleid te worden in de verborgenheid van deze gezegende Persoon, die het ware Brood des Levens is. Dan wordt zulk een ruimte van zaligheid in Hem aanschouwd, dat de gehele wereld zou kunnen zalig worden, waar het bloed van Christus toch genoegzaam is tot reiniging van de zonden der ganse wereld. O, dat niet de ganse wereld zalig wordt, is niet omdat dat bloed niet genoegzaam zou zijn. De beperking tot de zaligheid ligt in het vrije souvereine welbehagen des Vaders. Dit te zien maakt de verwondering nog des te groter. Hoe dierbaar wordt Christus dan zulk een ziel, in wie het de Heere behaagt Zijn Zoon te openbaren. Paulus predikte terstond Christus in Zijn dierbaarheid en beminlijkheid, gepastheid, algenoegzaamheid en onmisbaarheid. Ja, dan is al wat aan Hem is, toch zo gans begeerlijk.

Zeist

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1973

De Saambinder | 4 Pagina's

HET KOMEN TOT CHRISTUS (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1973

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken