Bekijk het origineel

Rondom het gehoorzame kind (7)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Rondom het gehoorzame kind (7)

5 minuten leestijd

We beëindigden de vorige maal ons artikeltje met de eerste wenk van wijlen ds. A. Hellenbroek voor zijn catechisanten. We hopen dat u ze inmiddels alle negen doorgenomen hebt. Zo niet, dan raden we u aan: doe het alsnog. Lees ze zelf, lees ze met uw grotere kinderen. Hellenbroek spreekt daar ook over „strikvragen" en over „waanwijsheid". Ook onze oudere jongeren dienen gehoorzaamheid te betrachten en dat in overeenstemming met Hebreeën 13 vers 17: „Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u nuttig". Wat is Gods Woord toch rijk aan antwoord. Wat zoeken we veel uitvluchten. Het kan helaas ook wel eens voorkomen, dat de ouders aan hun kinderen dingen vragen waaruit blijkt dat zij (de ouders) de wereld (hun wereld) meer liefhebben dan God. Een godvrezend kind zal dan wel eens „neen" moeten zeggen en Gode meer gehoorzaam moeten zijn dan de mensen. Maar ook in zulke gevallen blijft het kind kind van zijn ouders en zal met de gebreken van vader en moeder geduld moeten hebben.

Krachtens hun verantwoordelijkheid mogen en moeten de ouders hun kinderen bevelen geven. Nu wil dat woord bevelen en bevel er bij velen niet meer in. Een bevel is immers een opdracht, een gebod. Onder bevel staan betekent onder gezag staan. Dit klinkt zo hopeloos ouderwets. Toch moeten we het bevelen van onze kinderen in een ander licht zien dan in bovengenoemde betekenis. Het bevelen van de ouders is een „helpend" bevelen, soms een terechtwijzend bevelen. Het veronderstelt de verantwoordelijkheid van de ouders. De ouders mogen hun kinderen niet loslaten. In het bevelen van de ouders moeten we dan ook de goddelijke opdracht zien. De autoriteit van de ouders kunnen we niet zonder meer gelijk stellen met de autoriteit van bijvoorbeeld „Vadertje Staat". Het bevelen van de ouders staat in het teken van de hulp aan het kind. In raadgeven en terechthelpen beladen de ouders zich met de last van him kinderen. Nog hoger is het, als we onze kinderen Gode mogen bevelen. Dit betekent dan aan God mogen toevertrouwen. Laten onze kinderen het maar weten en horen in welke zin wij ze bevelen. Het gaat om hun bestwil. In Colossensen 3 vers 21 lezen we niet voor niemendal: „Gij vaders! tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden". Deze vermaning toont ons hoe we onze kinderen dienen te bevelen. Lees daarbij ook Efeze 6 vers 4: „En gij vaders! verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren".

Door te grote hardheid kan mismoedigheid ontstaan. Ook wel een weerzin van de kinderen tegen de ouders. Anderzijds gebiedt God ook om in sommige gevallen behoorlijke strengheid te gebruiken, inzonderheid tegen de grote gebreken die we allen wel ontdekken bij onze kinderen. Zo lezen we dan ook in Spreuken 13 vers 24: „Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon, maar die hem Liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging". Let vooral op dat vroeg zoeken. Omreden in het jonge kind nog wel wat te bedwingen is. Zo speken we ook over het buigen van het boompje als het jong is. Wat leert het boek Spreuken ons veel. We citeren nog enkele teksten. Zo Spreuken 19 vers 18: „Tuchtig uw zoon, als er , nog hoop is; maar verhef uw ziel niet om hem te doden". En onze kanttekening (u leest ze toch? ) vermeldt hierbij dat dit tuchtigen zowel met woorden als met slagen is. j

In dat verband citeren we ook Spreuken 23 vers 14: „Gij zult hem met de roede slaan en zijn ziel van de hel redden". Hoort u de duidelijke taal? De Schrift laat ons niet in het onzekere. Het is niet mis te verstaan. We mogen onze verantwoordelijkheid niet afschuiven, ook niet schuwen. Menige ouder vreest de konflikten die het bevelen van hun kinderen kunnen oproepen. Dan worden ze week en verloochenen ze in feite dat ze ouders zijn. Het is onbegrijpelijk als de ouders ook de tucht op de school verwerpen en tegenwerken. O wee, als hun jongen eens een pak slaag gehad heeft op de school. Dan zijn ze zo bij de meester en bovenmeester. Je hoort het op de school verkondigen: „mijn vader zegt zelf, dat de meester met slaan mag". Moet de meester zulke kinderen opvoeden? Dan zullen eerst de ouders opgevoed moeten worden. Hoe was het vroeger anders. Als vader te horen kreeg dat zoonlief een klap had gehad op de school, dan deelde hij thuis er nog een paar uit, met de motivering: als de meester jou moet slaan, dan zal dat wel nodig zijn. Vader stond achter de meester. Gelukkig staan nog vele ouders achter de opvoeders van hun kinderen op de school, maar het tegendeel komt meer en meer openbaar.

Op dit droeve teken van onze verworden tijd willen we hier nu niet nader ingaan. Zowel ouders als kinderen zijn geroepen Gods geboden te betrachten. En de ouders moeten die geboden van God hun kinderen inscherpen. Luister maar naar Deuteronomium 6 vers 7: „En gij zult ze uw kinderen inscherpen en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op de weg gaat, en als gij nederligt, en als gij staat". Laten we hiermee dit keer besluiten, het alles eens overdenken en drijve het ons maar veel uit tot Gods genadetroon.

Dordrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1973

De Saambinder | 4 Pagina's

Rondom het gehoorzame kind (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1973

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken