Bekijk het origineel

Christus’ zalving ter begrafenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Christus’ zalving ter begrafenis

„Laat af van haar, zij heeft dit bewaard tegen de dag Mijner begrafenis". Joh. 12 : 7.

8 minuten leestijd

Waar het hart verwond is door een gevoel van^ tegen God gezondigd te hebben en de ziel in vlam staat door een gezicht op de stervende liefde van Jezus, daar zal de zalfolie vloeien. Daar drupt de nardus der boetvaardigheid op Jezus' voeten. Op geen andere wijze kunnen wij de Zaligmaker eren, dan tot Hem te komen met onze schuld en zonden. Wij kunnen Hem nooit meer eren dan door aan al het onze te wanhopen en ons met al onze kwalen tot Hem te wenden. Het zich keren tot de Zaligmaker met alleen maar armoede, naaktheid, schuld en zonde, is het ware eren van Hem als de van God aangestelde Verlosser.

Het grote werk Gods is immers te geloven in de Eniggeboren Zoon Gods. Het geloof is dan ook een eren van Christus als de enige en volkomen Zaligmaker. Het komt met schuld en vloek tot Hem, belijdende: „Tot Wien zullen wij anders heengaan. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens".

O, er is geen gezegender plaats op aarde dan als een boetvaardig, verbroken zondaar te liggen aan de voeten van een genadige Zaligmaker. Het is de laagste plaats en tevens de hoogste plaats. Niemand kan ooit dieper buigen en niemand ooit hoger stijgen.

Gelukzalig is dan ook de mens, die veel op deze plaats mag vertoeven en zondaar mag zijn aan de voeten van de Zaligmaker van zondaren. O, brak toch maar eens meer de kruik van ons hart om Jezus te zalven met een mengsel van boetvaardigheid en liefde, vernedering en verwondering. Gewis, de Zaligmaker zou ons toeroepen: „Zij heeft een goed werk aan Mij verricht".

Er zou dan ook meer geur van geloof en liefde verspreid worden in onze gesprekken en in onze harten. Christus woont immers in een verbroken hart en verslagen geest, want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont: „Ik woon in de hoogte en in het verhevene en bij dien, die van een verbrijzelde en nederige geest is". Alleen waar het hart gedurig breekt onder een gevoel van schuld en boetvaardigheid, geurt de genade van Christus. De nardus van Jezus' zoen- en kruisverdiensten kan op geen andere wijze zijn geur in ons leven verspreiden dan in de weg van het gebroken en verslagen hart. Alleen waar zondaren zijn, daar wil Jezus zijn om zulken toe te roepen: „Zoon, dochter, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven". Ja, waar het hart breekt onder schuld en boetvaardigheid, daar geurt het ook van de liefde van Christus. Er was echter ook een andere reuk in het huis van Simon de melaatse dan de geur van liefde tot de Zaligmaker Jezus Christus.

Wij lezen dat Judas, de Iskariot zei: „Waarom is deze zalf niet verkocht Voor driehonderd penningen en de armen gegeven? " Judas keurde de daad van Maria af. Hij kon niet begrijpen, hoe een mens zo dwaas kon zijn om een hele fles kostbare zalf zomaar te verspillen. Judas kende niets van die liefde die alles wel aan de Heere zou willen offeren. Judas had slechts één liefde, en dat was de liefde tot het geld. Als hij dan ook ziet hoe zo maar een gehele fles van de kostbaarste zalf over Jezus wordt uitgegoten, zegt hij: „Waartoe dit verlies? " Judas beschouwt het als verlies en meer niet. Hij ziet geen winst en begeerlijkheid in het Jezus zo liefhebben, dat men Hem het kostbaarste zou opofferen. Judas rekent alleen met de harde cijfers, en zo gerekend is alles wat een mens voor de zaak van Christus opoffert en prijsgeeft verlies!

Hij volgde de Heere Jezus dan ook niet omdat de Heere Jezus dit zo waardig was, maar omdat hij daar uiterlijk voordeel in zag. Judas hoopte door middel van Jezus machtig en rijk te worden. Voor hem is de vergoten zalfolie niets dan verlies. In zijn wereldse rekenkunde had hij het vlug becijferd. De zalf had wel voor driehonderd penningen verkocht, en aan de armen gegeven kunnen worden, zegt hij, maar hij bedoelt: Ik was dan weer driehonderd penningen rijker geweest.

Judas, die hier door Johannes een dief wordt genoemd, had de opbrengst der zalf liever in eigen zak gestoken dan over het hoofd van Jezus uitgegoten. Ook de andere discipelen worden door Judas' opmerking aangestoken en ook zij keerden zich tegen Maria, met de woorden: Waartoe dit verlies?

De daad van Maria werd dus alom veroordeeld als dwaas en verkwistend. Wat was dit krenkend voor Maria. Zij had het uit liefde tot Christus gedaan. Zij was ertoe gedrongen geworden, omdat zij gevoelde, dat dit de laatste maal was, dat Hij in him midden was en nu werd zij alom veroordeeld over wat zij had gedaan.' Met haar gehele hart had zij het gedaan en nu ontmoet zij niets dan veroordeling.

Tedere harten, zoals Maria, worden nogal eens verkeerd beoordeeld. En dit niet alleen door naamchristenen zoals Judas, maar ook wel door ware christenen, zoals we dit hier lezen van de discipelen. Gods kinderen kunnen elkaar soms zo verwonden. De daden der liefde van oprechte, boetvaardige Maria's worden dan zo vlug veroordeeld. De uitgangen des harten tot de Heere Jezus, die toch getuigen van een oprechte, ongeveinsde liefde tot de Zaligmaker, worden dan veroordeeld. Zo vlug wordt zulke schuchtere harten toegeroepen: Wat zou u nu van Jezus weten? U bent nog niet diep genoeg aan uw schuld ontdekt, u bent nog maar zo kort op de weg des levens, het heeft allemaal niets te betekenen.

Het was echter vooral voor de Heere Jezus krenkend, wat de discipelen over de daad van Maria zeiden. Waartoe dit verlies? Het was in hun ogen slechts verlies. Het was niet welbesteed. De Heere Jezus was dit niet waard. In de ogen van Maria was al de zalfolie der wereld nog te weinig, vergeleken met de heerlijkheid die Jezus toekwam, maar de discipelen, aangestookt door Judas, zeggen: Waartoe dit verlies?

Maar de Heere Jezus neemt Maria dan ook in bescherming en zegt: Laat af van haar, zij heeft dit bewaard tegen de dag Mijner begrafenis. Maria werd door allen veroordeeld, maar door

Christus werd haar daad der liefde aanvaard en geprezen. Wij lezen ervan in het evangelie van Mattheüs: Voorwaar, zeg Ik u, alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft. Zie hier eens, hoe Jezus Maria eert! De Heere neemt het op voor de oprechten. Wat een troost als de Heere Jezus onze liefdedaad goedkeurt die door anderen niet begrepen of afgekeurd wordt. Het gaat immers in de eerste plaats niet om de goedkeuring van mensen, maar om de goedkeuring Gods.

Wat zou het ons baten, al zetten mensen, ja zelfs bekeerde mensen, het zegel op onze bekering en de Heere zette er Zijn zegel niet op. Maria verkreeg de goedkeuring des Heeren die veel meer waard is dan de goedkeuring der mensen. Jezus bevestigde verder wat Maria door haar geloof had aangevoeld, dat Hij voor het laatst in hun midden was. Zijn sterven, ja zelfs zijn begrafenis was nabij. Jezus zegt dan ook: Zij heeft dit bewaard tegen de dag Mijner begrafenis.

God heeft Maria die daad in het hart gegeven, zegt de Heere Jezus. De zalving is de voorbereiding tot Mijn begrafenis. De zalving van Maria is het zinnebeeld van Jezus' naderend einde. Het overgoten worden met de zalf, is een beeld van de dood en het graf, waarin de Heere Jezus zal afdalen. Het opstijgen van de geur is het beeld van Zijn opstanding en verrijzenis.

Zoals de Heere Jezus nu door Maria bedolven wordt onder de nardus, zo zal Jezus bedolven worden onder het geweld des doods. En gelijk de geur opsteeg in de feestzaal, zo zou Hij uit de dood herrijzen met de geur der onsterfelijkheid en onverderfelijkheid. De Heere Jezus zou ondergaan in dood en graf, maar ten derde dage wederom opstaan.

Maria heeft door een onverklaarbare liefdedrang gedreven Hem gezalfd, omdat zij er iets van gevoelde dat Jezus voor het laatst in hun midden was. Maar Jezus wist: dat dit ter voorbereiding van Zijn begrafenis was. Hij zag de dood en het graf vóór Zich, en wist dat Zijn sterven geen verlies maar eeuwige winst zou opleveren voor een volk, dat nu nog zo blind is dat zij zeggen: Waartoe dit verlies?

Zo is Jezus als een Onbegrepene door Zijn eigen discipelen de weg van het kruis gegaan, omdat Hij wist, dat Hij uit de dood zou ver­rijzen en een eeuwige zegepraal voor Zijn Kerk zou verwerven. Ja, opdat dan de discipelen met een Thomas zouden uitroepen: Mijn Heere en mijn God.

Dordrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1976

De Saambinder | 8 Pagina's

Christus’ zalving ter begrafenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1976

De Saambinder | 8 Pagina's

PDF Bekijken