Bekijk het origineel

Het leven in de bijbelse landen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het leven in de bijbelse landen

6 minuten leestijd

(21)

Brood

Ik ben het Brood des levens Joh. 6:35.

Vruchten en koren, zo van het veld, vormden oorspronkelijk het voedsel van de mens. Al spoedig begon men het koren tussen twee stenen stuk te wrijven; dit gaf in een later stadium aanleiding tot de uitvinding van molens.

De handmolen bestond uit twee op elkaar gelegde stenen, waarvan de bovenste om een as draaide. De onderste was de zwaarste en hardste (Job 41:15) en had van boven een bolvormig, ruw oppervlak, waarop een asje bevestigd was. De bovenste was wat uitgehold, zodat hij als een deksel op de onderste paste. Van boven was hij voorzien van een opening waardoor het graan erin gestort werd en tussen de stenen terecht kwam. Er was ook een houten steel aan waarmee hij in de rondte gedraaid werd. Die werden meestal door vrouwen of slaven, soms door ezels in beweging gebracht. Meestal deden twee vrouwen dit werk samen, waarbij ze beiden met één hand de bovenste steen ronddraaiden en met de andere steeds wat tarwe in de opening gooiden. Die vrouwen vormden zo wel een eenheid. Toch kon het voorkomen dat de ene voor eeuwig verloren ging en de andere behouden werd. (Matth. 24:41). Wat is zalig worden toch een persoonlijke zaak!

Hoe belangrijk zo'n molen voor het levensonderhoud was blijkt uit de regel in Deut. 24:6. Men zal beide molenstenen, immers de bovenste molensteen, niet te pand namen; want hij neemt de ziel te pand. Geroost koren at men tegen de oogsttijd; men droogde dan de bijna rijpe aren in de zon of roosterde ze boven een kolenvuur. Toen Ruth op het veld van Boaz aan de maaltijd genodigd was "langde hij haar geroost koren" (Ruth. 2:14). Het werd vaak gebruikt als voedsel op reis.

Doorgaans gebruikte men voor de bereiding van brood tarwemeel.

Gerstebrood was het voedsel der armen. Meestal bakte men gezuurd brood. Dit werd gemaakt van deeg bereid van vers meel, zout en water waaraan men zuurdeeg toevoegde dat men van een vorig baksel overgehouden en in water bewaard had. In gevallen van grote haast, (zoals bij de uittocht uit Egypte) was men met ongezuurde broden tevreden. Nadat het deeg in een trog gekneed was, maakte men er platte, ovale koeken van.

Geestelijk gezien had zuurdeeg of zuurdesem een ongunstige gevoelswaarde. Er werd dan de zonde of de eigengerechtigheid mee bedoeld, in het algemeen: ederf. Het brood van het spijsoffer moest dan ook ongezuurd blijven. In Matth. 16:11 en 12 zegt de Heere Jezus: oe verstaat gij niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zeide, dat gij u wachten zoudt van de zuurdesem der farizeeën en Sadduceeën? Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van de zuurdesem des broods, maar van de leer der farizeeën en Sadduceeën. En Paulus schrijft in 1 Cor. 5: Weet gij niet dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

Zo laat ons dan feest houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid". Deze opwekking mag elke Avondmaalganger voor elke gang naar de Verbondsdis zeer ter harte nemen. In gunstige zin noemt de Heere het zuurdeeg in de gelijkenis van het zuurdeeg in de drie maten meel. (Matth. 13). Hij bedoelt hier de krachtdadige werking van Gods Woord in de hand van de Heilige Geest in het hart en leven van een zondaar.

Het bakken kan op drie manieren gebeuren:

1. Op de gloeiende as. Men legde dan het platte deeg in de vorm van een pannekoek of op een verhitte steen en op het baksel hete as, of men bakte het tussen twee aslagen: an moest men uit het warme brood eerst de stukjes as verwijderen. Zo werd het brood door Elia in de woestijn gegeten (1 Kon. 19:6) en door de Heiland met de discipelen na de wonderbare visvangst (Joh. 21).

2. Op een bakplaat dat is een ronde schaal van gesmeed ijzer. De bakplaat rustte op een paar stenen en daaronder was een vuurtje van takjes en mest.

3. In de bakoven: dat was een kruik van gebakken klei zonder bodem. Onderaan was een opening voor luchttoevoer. Het bovengedeelte onder de rand was naar binnen gebogen om het mogelijk te maken de broodkoeken tegen de binnenwand te doen kleven. In Hosea 7 wordt het beeld van een bakoven gebruikt. De bakker stookt tegen de avond zijn oven op; vervolgens maakt hij het deeg klaar. Maar hij moet wachten tot het deeg geheel doorzuurd is. De bakker gaat slapen. Ondertussen brandt de oven en rijst het deeg. Tegen de morgen hoeft hij het vuur maar op te porren en de vlammen zullen eruit slaan. Het deeg is dan ook klaar en de gegiste deegkoeken kunnen boven de gloeiende as tegen de wanden van de oven geplakt worden. Zo wordt het gebakken. Zo, zegt Hosea, wachten de sluipmoordenaars hun tijd af om de koning te kunnen vermoorden.

Zo wacht de duivel zijn tijd af wanneer hij het smeulende zondevuur kan doen oplaaien in het hart en leven van een zondaar. Onherstelbare schade kan er dan aangericht worden, Markus 13:37: En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik allen: aakt".

In vers 8 staat: "Efraïm is een koek die niet is omgekeerd". Die is niet te eten; aan de ene kant verbrand en aan de andere zijde niet gaar. Omdat de bakker verzuimd had de koek in de bakoven tijdig om te keren. De Heere wil ons hiermee leren dat eenzijdigheid hoogst gevaarlijk is.

Het brood was smakelijk, maar moest vers gegeten worden. Het werd niet gesneden maar gebroken; de stukken werden vaak in olie of in azijn gedoopt. Elke morgen was het een van de eerste taken van de vrouw, koren te malen en brood te bakken. Brandstoffen waren houtskool, gedroogd gras en bij gebrek aan beter, gedroogde dierenmest. In Johannes 6 noemt de Heere Jezus Zichzelf het Brood des levens. Hij is verbrijzeld als broodkoren en heeft de hitte van Gods oneindige toom doorstaan. Zo is Hij geworden de enige, maar ook de algenoegzame Spijze voor de gelovige eter. Die tot Mij komt zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Joh. 6:35.

Scherpenzeel,

Iz. den Dekker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990

De Saambinder | 12 Pagina's

Het leven in de bijbelse landen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990

De Saambinder | 12 Pagina's

PDF Bekijken