Bekijk het origineel

BIJBELSTUDIES

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

BIJBELSTUDIES

6 minuten leestijd

De brief aan de gemeente van Sardis

Openb. 3:1-6.

(1)

De gemeente van Sardis

Sardis was vroeger een belangrijke stad geweest. Het was de oude hoofdstad geweest van het Lydische Rijk, waarvan de bekende Croeses de laatste koning geweest was. In vroeger tijden was Sardis tweemaal bij verrassing door vijanden ingenomen, omdat de inwoners zorgeloos waren geweest. Daarna had een aardbeving de stad geheel verwoest. In het jaar 17 werd de stad echter op last van keizer Tiberius herbouwd. Toch was de stad bij lange na niet meer wat zij vroeger geweest was.

Ook in deze stad was dus een gemeente. Hoe die gemeente ontstaan is weten wij niet. Het getuigenis van Christus over deze gemeente is verschrikkelijk: ondanks alle uiterlijke bloei was de dood in de pot. Ook aan deze gemeente stelt Christus Zich voor: "Dit zegt, Die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren" (vers 1). Deze naam is wonderlijk vertroostend voor de gemeente Gods. Wat is Christus dan goed! Sardis was een dode gemeente. Maar nu maakt Hij Zich juist met deze naam aan die gemeente bekend.

De zeven Geesten

Met die zeven Geesten doelt Chrisms op de Heilige Geest. Waarom spreekt Hij dan in het meervoud over die Geest? Omdat het werk van de Heilige Geest zo veelzijdig en zo rijk gevarieerd is. En waarom zeven Geesten? Omdat zeven het getal van de volheid is. Als Christus hier dus spreekt over de zeven Geesten Gods dan wordt daarmee aangeduid de volheid van het werk van de Heilige Geest. Die volheid heeft Christus in Zijn handen. De Heilige Geest is dan ook de Geest van Christus. Christus heeft op de Pinksterdag de Geest uitgestort. Hij beschikt over de volheid des Geestes. Hij zendt de Geest uit en Hij heeft het van die Geest gezegd, dat Deze Hem verheerlijken zal. Christus heeft het zaligmakende werk van de Heilige Geest verworven. Wat een wonder, dat Hij de gemeente van Sardis in deze brief daarop wijst. Die gemeente was in geestelijk opzicht dood. Maar nu zegt Christus hier als het ware: Ik heb de volheid van de Geest; daarom kan Ik die dood verdrijven. Christus zegt dit opdat de gemeente van Sardis met haar nood en dood tot Hem zou vluchten. Bij Hem is de levendmakende Geest. Hij deelt die Geest uit aan wie Hij wil en waar Hij wil.

Werkt de Heilige Geest nog?

Er is in onze tijd veel geestelijke dodigheid. Wij horen zo weinig van het leven van de Geest. Maar Christus wijst boven al die dodigheid uit, wanneer Hij zegt: Ik heb de zeven Geesten Gods. Alle geestelijke nood en dood staat Hem niet in de weg. Waar Hij Zijn Geest zendt, daar vindt die Geest nooit anders dan de dood. Altijd werkt de Heilige Geest het leven midden in de dood. Is dat bij u al gebeurd? Hoe u dat weten kunt? Dan hebt u uw nood en dood leren kennen. Dan hebt u leren kennen de droefheid naar God, de droefheid over de zonde. Maar dan kwam er ook dat hongeren en dorsten naar Christus. Dat is een onbedrieglijk kenmerk van het waarachtige leven, dat er een honger en een dorst is naar Christus. Want de levendmakende Geest is de Geest van Christus. Hij neemt het uit Christus en Hij drijft heen naar Christus. Hij slaat de zondaar van alle rustbanken buiten Christus af en Hij rust niet voordat de zondaar door het geloof met Christus verenigd is. En laten wij nu nooit zeggen, dat die Geest niet meer werkt. Want bij alle geestelijke dodigheid in onze tijd, geldt ook nu nog, dat Christus de zeven Geesten Gods heeft. En Hij zendt die zeven Geesten nog uit. Daarom kunnen dode zondaren nog levendgemaakt worden. Daarom kan het ook voor u, al moet u nog zo klagen over de doodsheid van uw zondaarsbestaan.

De zeven sterren

Met de zeven sterren duidt Christus hier de zeven gemeenten aan. Hij heeft dus ook de volheid van Zijn kerk in Zijn handen. Het is waar dat in bepaalde gemeenten het licht uit kan gaan, dat de kandelaar van de gemeente verplaatst kan worden. Maar het volle getal van Zijn gemeenten ligt in Zijn handen. Heel de kerk in haar volheid, verspreid over de ganse aarde, zal behouden worden. En dan bedoel ik natuurlijk de Kerk met een hoofdletter, de levende kerk, de uitverkoren gemeente des Heeren die gekocht is met de prijs van het bloed. Het kaf zal weggeblazen worden, maar de volheid van het koren komt in de schuur. Het volle getal van Zijn kinderen ligt in Zijn handen. Wij zul­

len nog zien, dat er zelfs in Sardis kinderen van God waren. En wat in Zijn handen ligt, laat Hij nooit meer los. Geen klauw zal er achterblijven van de gemeente Gods. Satan probeert de Zijnen uit Zijn handen te rukken. Gods kinderen vrezen zo vaak uit Zijn handen te vallen. Maar Hij heeft de zeven sterren. Hij houdt ze vast. Dat is de troost voor de weinige getrouwen in Sardis. Dat is ook de troost voor de kerk van alle tijden, die te kampen heeft met machtige doodsvijanden.

Hij weet het

Dus Christus stelt Zich hier voor met een vertroostende en bemoedigende naam. Maar direct daarop volgt een ontdekkend woord: "Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, doch gij zijt dood" (vers 1). Wat betekenen die woorden? Wel, er ging een goed gerucht van de gemeente van Sardis uit. Die gemeente stond goed bekend. Naar het scheen was er sprake van een levende en gezegende gemeente. Er waren geen vervolgingen. Er was geen sprake van een dwaalleer, zoals in sommige andere gemeenten. Er was al evenmin sprake van schandelijke levenspraktijken. Niet van dat alles. Er was in alle opzichten rust. Men kon 's zondags rustig naar de kerk. Niets werd de gemeente in de weg gelegd. Men was rechtzinnig in de leer. Altijd was de kerk vol. Naar het scheen was er sprake van een bloeiend gemeenteleven. Alles was zo te zien in orde. Er was niets op de gemeente aan te merken. Daarom stond de gemeente zo goed bekend.

Maar nu zegt Christus hier: Ik weet! Hij ziet verder dan alle uiterlijke schijn. Hij weet de werkelijkheid. Die werkelijkheid was zo heel anders dan de schijn: "Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, doch gij zijt dood". Erger kan het niet. Gij zijt dood! Er waren er nog enkelen in de gemeente, die God vreesden, maar als geheel was de gemeente dood. Geestelijk dood. Uiterlijk was alles in orde, men was in Sardis zuiver in de leer, en toch dood. Uiterlijk was er sprake van een bloeiende gemeente, de kerk was altijd vol, en toch was de gemeente dood. Het hart klopte in dat alles niet. Er was geen geloof, hoop en liefde. De polsslag van het geestelijke leven ontbrak. Er was geen levende gemeenschap des geloofs met Christus. Wat een vernietigend oordeel dan uit de mond van Christus. Wat een ontdekkend woord van de alwetende Koning van de kerk. Die door alle uiterlijkheid heenziet. Dan heeft dit ontdekkende woord ook ons zoveel te zeggen. Daarover D.V een volgende maal.

Zeist,

ds. J.J. V. Eckeveld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1997

De Saambinder | 12 Pagina's

BIJBELSTUDIES

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1997

De Saambinder | 12 Pagina's

PDF Bekijken