Bekijk het origineel

Een wenend volk opgewekt tot blijdschap

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een wenend volk opgewekt tot blijdschap

6 minuten leestijd

Bijbelstudies

Nehemia 8

(3)

Blijdschap

We zagen, dat het volk weende, toen zij de woorden horen van Gods Wet, voorgelezen door Ezra vanaf zijn hoge houten stoel. Toen het de voorlezing hoorde van de vijf boeken van Mozes, zag het volk de grote schuld, die er was tegenover Gods Woord en Wet. Vandaar, dat het volk zo weende. En nu zouden we verwachten, dat Ezra en Nehemia bijzonder verblijd waren, toen zij de tranen van het volk zagen. Als de vrucht van de prediking is dat velen in de gemeente gaan zien hoe schuldig zij staan tegenover Gods Wet en Gods Woord, zou er dan bij de prediker geen blijdschap en verwondering zijn? Maar nu is het opmerkelijke, dat Nehemia en Ezra het volk opwekten hun rouwbeklag te staken en vreugde te bedrijven. En Nehemia (dezelve is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is de HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw en weent niet." (vers 10). Waarom toch die opwekking om het treuren te staken? Heeft Christus Zelf niet in de zaligsprekingen de treurenden zalig gesproken?

Geen oppervlakkige vreugde

Nu zijn er mensen, die beweren, dat dit Schriftgedeelte er een bewijs van is, dat het onjuist is om zoveel te spreken over het stuk der ellende. Laten de predikers van het Woord toch niet teveel spreken over zonde en schuld, maar laten zij hun hoorders opwekken tot blijdschap. Men ontmoet steeds weer verzet tegen de prediking van het stuk der ellende. Men verwijt ons dat wij het stuk der ellende en de noodzaak van het berouw over de zonde teveel accent geven. Heeft men geen gelijk, wanneer we erop letten dat we hier lezen dat Nehemia en Ezra het wenende volk opwekten tot blijdschap? Laten we er oog voor hebben, dat Gods Woord wel degelijk spreekt over de droefheid over de zonde. Denk alleen maar aan de Psalmen. Maar ook Paulus spreekt over een hartelijke droefheid naar God. En dezelfde apostel benadrukt, dat de kennis der zonde door de Wet is. Nergens neemt de Schrift het op voor een oppervlakkige blijdschap, zonder bekering en zonder berouw. Dan zegt Jakobus tegenover die oppervlakkige blijdschap: "Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid. Vernedert u voor de Heere, en Hij zal u verhogen." (Jak.4:9-10). Laat het duidelijk zijn dat er bij de Heere geen plaats is voor die oppervlakkige blijdschap. Laat het duidelijk zijn dat de Heilige Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel en een hartelijke droefheid over de zonde in het hart verwekt om zo plaats te maken voor Christus en Zijn Middelaarswerk. Maar toch, de droefheid is het hoogste niet! Ezra en Nehemia riepen het volk op tot blijdschap. Het hart van de dienst des Heeren is blijdschap. Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel. Zij zullen in Uw Naam zich al de dag verblijden. "Verblijdt u in de Heere te allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u." (Filipp. 4:4). Al in de droefheid over de zonde ligt iets wonderlijk zoets, dat u voor heel de wereld niet zou willen ruilen. En hoeveel te meer als de Heere dan komt met de vertroostingen van Zijn genade. Gods genade is meer dan onze droefheid, geeft troost in de droefheid en neemt de droefheid weg.

Blijdschap tot Gods eer

Ezra en Nehemia riepen het wenende volk op tot blijdschap. Waarom? Omdat deze dag de Heere heilig was. Het moest een feestdag zijn. Het ging om de eer des Heeren. De Heere moest verheerlijkt worden. Dat moest een zaak van vreugde zijn. De Heere vernieuwt Zijn volk immers tot Zijn eer. Daarom zegt Hij het dat Hij dit volk geformeerd heeft, opdat het Zijn lof zou vertellen. Dat is het hart van de zaak. De heerlijkheid is eeuwige blijdschap. Daarvan worden hier de beginselen gekend. Gaat het niet om Gods eer? Is dat niet meer dan de gestalten van ons hart? Wij zijn vaak zo vervuld van onszelf, ook na ontvangen genade. We moesten meer van Hem vervuld zijn. Als we daarop letten, blijft er alleen maar schaamte over. Hij is het zo waardig dat we ons in Hem verblijden en wij komen er alles aan tekort, ook, ja juist ook na ontvangen genade. Wat zijn Gods kinderen menigmaal bedrukt, mismoedig en terneergeslagen. Terwijl de Heere tot Zijn volk zegt: Verblijdt u te allen tijd! Het hart van de dienst des Heeren is toch blijdschap. Als Gods kinderen altijd maar een droevig gelaat tonen, moeten anderen daardoor dan jaloers worden op de dienst des Heeren?

Niet te goedkoop?

Maar de zonde dan? We kunnen toch zomaar niet over de zonde heen stappen? Dat geeft toch droefheid in het hart als de Heere ons daaraan ontdekt? Is die oproep tot vreugde niet veel te gemakkelijk en veel te goedkoop? Zeker, het is waar dat de Heere niet zomaar over de zonde heen stapt. Christus heeft ervoor moeten bloeden! Het is ook waar, dat al Gods kinderen leren rouw bedrijven over hun zonde. Laten we er daarbij op letten dat de oproep van Ezra en Nehemia geschiedde tot wenende zondaren en niet tot een volk dat aan de zonde wilde vasthouden. Voor wenende zondaren is er vertroosting. Zo vinden we hier uit de mond van Ezra en Nehemia tot het wenende volk een opwekking tot vreugde. Waarom? Omdat Ezra en Nehemia niet in de eerste plaats rekening hielden met het hart van mensen, maar wel met het hart Gods. Daar kwam hun oproep uit op. In het hart Gods is alles wat een zondaar nodig heeft om zich te verblijden met een eeuwige vreugde. In het hart Gods in onveranderlijke trouw voor een ontrouw zondaarsvolk. De Heere was immers de Gods des Verbonds, de God van Israël? "Deze dag is de HEERE, uw God, heilig." De Heere was hun God, zo spraken Ezra en Nehemia. Hij had Zich verbonden om met het oog op de komende Christus dat volk te verlossen. Daarom spraken zij: üw God! Ondanks alle zonde bleef Hij dat. Onveranderlijk in Zijn trouw. Hoe kan dat? Alleen in het offer. Onveranderlijk in Zijn trouw voor onverbeterlijke zondaren. Met die God kon en mocht het volk op deze feestdag het nieuwe jaar in. En als het geloof daaraan houvast heeft, en dat had het geloof in het hart van Ezra en Nehemia, zou er dan geen blijdschap zijn? Dan wordt het waar: Ik zal mij in Uw Naam al de dag verblijden. Was er in het hart van Gods kinderen toch meer geloof in de onveranderlijke trouw Gods, er zou ook meer blijdschap zijn.

(Wordt vervolgd )

Zeist,

ds.J.J. van Eckeveld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 2002

De Saambinder | 12 Pagina's

Een wenend volk opgewekt tot blijdschap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 2002

De Saambinder | 12 Pagina's

PDF Bekijken