Bekijk het origineel

Psalm 139

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Psalm 139

6 minuten leestijd

3 BIJBELSTUDIE

Psalm 139: 1-6

Gij gaat vele musjes te boven (Lukas 12 : 7)

De musjes die op de markt verkocht werden, waren zo weinig waard, dat ze niet eens per stuk verhandeld werden maar per paar. Twee voor een armzalig penninkje en vijf voor twee penninkjes.

Alleen de allerarmsten kwamen erop af omdat ze weinig geld hadden en veel honger. Wat zullen we eten? Als we maar wat te eten hebben! Verder sloeg geen mens acht op die dode musjes, evenmin als op de fladderende en hippende vogeltjes rondom hen. Maar God heeft zonder ophouden Zijn oog op elk levend musje; niet één valt op de aarde buiten Zijn wil.

Mensen lopen dode musjes voorbij, maar niet één van die is voor God vergeten (Lukas 12 : 6). Mensen tellen musjes per twee of per vijf, maar God telt ze per stuk. Vreest dan niet, zegt de Heere Jezus tegen Zijn discipelen; gij gaat vele musjes te boven (Mattheus 10:31). Al hebben de mensen geen belangstelling voor musjes, al hechten zij er geen waarde aan. God kent ze en zorgt voor hen - hoeveel te meer voor u. Is niet één van hen voor God vergeten - hoeveel te minder u.

Telt Hij de musjes per stuk, weet Hij hoeveel er zijn, óók de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Valt er niet één musje op de aarde zonder de Vader (Mattheus 10:30), zo min zal één haar van uw hoofd vallen zonder Zijn wil. Wat zijt gij dan bezorgd voor uw leven, bekommert over wat u eten en drinken zult en waarmee gij u kleden zult? Wat vreest gij de mensen die u vervolgen om Mijns Naams wil? Zullen ze zonder Uw Vader iets kunnen doen? Zullen ze u zonder Hem kunnen beschadigen of doden? Vreest dan niet, gij gaat élk musje te boven, gij gaat véle musjes te boven, gij gaat al de vogels ver te boven (Lukas 12:24)!

Zijn dat geen wonderlijke woorden? Hebt u zo wel eens op die kleine vogeltjes mogen letten? Heere, ga ik een musje, vele musjes te boven? Zij hebben Uw wet niet overtreden, staan aan geen van Uw geboden schuldig, tsjilpen onwetend tot Uw eer, elke dag weer. Ik was jaloers op hen omdat zij geen ziel hebben, omdat ze voor U niet moeten verschijnen. Ze klagen mij aan omdat ze om mijnentwil der ijdelheid onderworpen zijn. Zegt Gij, Die mij doorgrondt en kent, dat ik vele musjes te boven ga? Legt U dit woord in mijn hart als een woord des levens? Ben ik veel minder van U vergeten dan zij? Vindt een mus een huis in Uw woningen en ik een plaats bij U? Gij weet mijn zitten en mijn opstaan. Gij weet van het modderspoor dat achter mij ligt. Gij verstaat van verre mijn gedachte en weet hoe verdorven mijn hart is. Maar Gij zegt dat ik vele musjes te boven ga. Hoe ga ik hen dan verre te boven! Uw verkiezende liefde is eeuwige liefde, Uw Gave tot zaligheid van een kind des toorns is onuitsprekelijk, Uw goede Geest zal nimmermeer van mij wijken.

De kennis is mij te wonderbaar; zij is hoog, ik kan er niet bij. Laat mijn ziel leven en zij zal U loven. Leer mij van alles afzien en op U hopen. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan - leer mij Uw weg.

Hebt Gij, o Schoonste van alle mensen, gezegd dat ik vele musjes te boven ga en voor God niet vergeten kan zijn? Hebt Gij kleingelovigen niet getroost met dat onnaspeurlijke woord: "Vrees niet, gij klein kuddeken; want het is Uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven"? Gij weet wat van Uw maaksel is te wachten. HEERE. Ook verstaat Gij van verre mijn gedachte - laat tong en mond, en 's harten diepsten grond, U weibehaaglijk wezen.

De alwetende God en al onze wegen - Saul

De ezelinnen van Kis, Sauls vader waren zoek, daarom zond hij zijn zoon met een jonge knecht er op uit: Maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen (1 Samuel 9:3). Na drie dagen onafgebroken speuren, wilde Saul het opgeven. Ze waren zover van huis geraakt, dat verder zoeken wel tevergeefs zou zijn. Bovendien zouden ze thuis ongeruster worden over hun wegblijven dan over de verdwenen ezelinnen. De ellende zou dan alleen maar groter worden. Nee, in heel de zaak was geen enkel voordeel. Al hun inspanningen waren tevergeefs. Alleen verlies bleef er over. Ja, zo scheen het, maar toch werd Saul door God geleid van stap tot stap. Leek het voor hem maar wat zoeken en dolen, ondertussen ging

Mensen lopen dode musjes voorbij, maar niet één van die is voor God vergeten (Lnkas 12:6).

Ihij rechtstreeks naar de plaats waar God wilde dat hij komen zou. Wel had Saul er een besef van dat God alles weet, want hij sloeg het voorstel van zijn jonge knecht niet af: "Zie toch, er is een man Gods in deze stad... al wat hij spreekt komt zekerlijk. Laat ons nu derwaarts gaan, misschien zal hij ons onze weg aanwijzen, op denwelken wij gaan zullen" (1 Samuel 9:6). Dat de ezelinnen inmiddels terecht waren wisten ze niet. Evenmin dat de Heere een dag tevoren aan Samuel bekend had gemaakt dat Saul er aankwam: "Morgen omtrent deze tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin; dien zult gij ten voorganger zalven over Mijn volk Israël en hij zal Mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand..." (1 Samuel 9:16). Het begon met ezelinnen die weggelopen waren. Vervolgens ging Saul heen om ze te zoeken. Uiteindelijk bleef alleen de alwetendheid Gods over en werd de gang naar Samuel gemaakt. Zo bracht God Saul bij Samuel en werd hij daags daarop gezalfde met olie uit een kruik: "Is het niet (alzo), dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft? " (1 Samuel 10:1).

Saul besefte dat God alles wist, anders was hij niet naar de profeet des Heeren gegaan om raad te vragen. Ongetwijfeld heeft hij na zijn zalving heel het gebeuren met diepe indrukken overdacht. Wonderlijk was immers alles verlopen, ook op de terugweg - alles wat Samuel hem voorzegd had, was nauwkeurig uitgekomen. Toch heeft Saul nooit werkelijk geloofd: "...eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al hun gangen" (Spreuken 5:21). Nooit heeft hij in kinderlijke vreze beleden: Gij doorgrondt en kent mij. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan... O, had hij het maar oprecht doorleefd! Wat zou hij uitgeroepen hebben: "Ik weet, o HEERE! dat bij de mens zijn weg niet is; het is niet bij een man die wandelt, dat hij zijn gang richte" (Jeremia 10:23 en 24). Wat zouden zijn wegen anders zijn geweest. Maar nu was zijn weg zonder God en tegen God, al meer, om zich ten laatste te werpen in de eeuwige dood. (wordt vervolgd)

Barneveld,

ds. C. Hogchem

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 2009

De Saambinder | 16 Pagina's

Psalm 139

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 2009

De Saambinder | 16 Pagina's

PDF Bekijken