Bekijk het origineel

Wonderlijk zijn Uw werken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wonderlijk zijn Uw werken

Psalm 139:2

6 minuten leestijd

Twee partijen in Christus verenigd: Gij...mij...mijn...; ik...Uw...Gij... (Psalm 139 : 2-13). Ik loof U! Hier is een hoogtepunt in de psalm. David is een Juda, een Godlover. God verheerlijkt Zich in David, en David verheerlijkt zijn God. God heeft Zijn doel bereikt!

Weet u ook van de onderwijzingen van Gods Geest en verlichte ogen des verstands? De zielsogen moeten immers geopend worden, en wat gezien wordt, moet verklaard worden.
Was het in woorden weer te geven: de verdorvenheid van het hart, de leegheid buiten God, de majesteit van Gods recht? Of het welbehagen Gods in Christus, de vrede die alle verstand te boven gaat? Bent u ook wel eens aan het stamelen geraakt, diep in schuld? Of wegsmeltend in het dal van ootmoed vanwege Gods genade? O, in alles is trap en maat.
De Geest deelt een iegelijk gelijkerwijs Hij wil. Maar ook wanneer de minste in het Koninkrijk Gods er een kruimel van ontvangt, kan hij de psalm voor de opperzangmeester niet meer meezingen. Dan wordt zijn lied een tranenlied, God tot eer. Ook al kon hij misschien kort daarna niet meer geloven dat juist dát lied in Gods fles vergaderd was.

Wie kan de zon aanzien?
Wie kan de zon zelf aanzien?Maar in de zee weerspiegelt zij indrukwekkend haar fonkelend licht. Dat licht is de zon zelf niet, maar maakt bekend hoe groot dat grote licht is.
Alzo schitteren in al Gods werken Zijn almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid en barmhartigheid helder en klaar uit. De wereld, door God geschapen en onderhouden, is ‘voor onze ogen als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, als de apostel Paulus zegt (Romeinen 1:20) en ook de Nederlandse geloofsbelijdenis (artikel 2).
Het boek is er, maar wie kan het lezen? Wie zegt: Wonderlijk zijn Uw werken, ook weet het mijn ziel zeer wel? Zeker, in de mens zijn na de val kleine overblijfselen van de ingeschapen Godskennis overgebleven, enige splinters van het eens zo schitterende schip. Daardoor heeft hij, ziende Gods werken, een zwak besef dat er meer moet zijn dan hij ziet; dat er een hogere wezen bestaat van wie ook hij afhankelijk is.
De dieren hebben deze indrukken niet, daarom wordt ook nergens ter wereld een spoor van godsdienst bij hen gevonden. Maar waar mensen zijn, is godsdienst.Daar zijn tempels, beelden, rituelen, offeranden, enz.
Waar mensen zijn die de Schrift niet hebben, toont de mens dat hij God niet kent; hoewel hij weet dat er een God is, dient hij zijn afgoden. En waar het licht van het Evangelie eens heeft geschenen, maar naar Gods rechtvaardig oordeel is weggenomen? Daar roept de verharde en de zich uitlevende mens in alles uit: Daar is geen God!

O dwaas, begin eens bij uzelf en let op uw wording! Bent u zelf niet het bewijs dat God God is? Wie bedekte en maakte u in de buik van uw moeder? Zie op uzelf en verneder u voor God, want ‘ulieder omkeren is alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zeide van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde vat van zijn pottenbakker zeide: Hij verstaat het niet’ (Jesaja 29:16).

Wonderlijk zijn Uw werken
Uw Naam worde geheiligd; dat is: Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken heiligen, roemen en prijzen (Heidelbergse Catechismus, vraag 122). Is het niet een wonder van genade als een mens in God verwonderd mag belijden: ‘Wonderlijk zijn Uw werken; ook weet het mijn ziel zeer wel’?
Met verlichte ogen des verstands las David het boek van Gods schepping.
In de nacht blikte hij in het onmetelijke heelal en zag de schoonheid van de maan en talloos pinkelende sterren. Hem werd als toegeroepen: ‘Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept...’ (Jesaja 40:26).
De zwijgende hemel vertelt onwetend Gods eer. Het is een sprake die door David werd gehoord. Vol eerbied riep hij uit: ‘HEERE, Gij, Die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen... Als ik Uw hemel aanzie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt?’ (Psalm 8:2, 4 en 5).
De God der ere dondert! Zijn stem is met grote kracht en majesteit! De geweldige cederen van de Libanon worden versplinterd, eeuwenoude bergen als losgerukt van hun fundamenten. Terwijl Zijn stem vuurvlammen uithouwt en uitéén splijt, siddert de wildernis en werpen de hinden vol schrik hun jongen. Maar David mag luisteren als kind. Hij hoort het donderen van de God der ere, en zegt vol vreugde: Dit is de stem des HEEREN! Hij zal Zijn volk sterkte geven en zegenen met vrede (Psalm 29:11). Wonderlijk, HEERE, zijn Uw werken in natuur en in genade!
Ook de ziel van de dichter van Psalm 104 wist het zeer wel. Hij zag het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, en zei: Dit is een werk van God. Dezelfde, Die op de derde dag scheppend gesproken heeft: ‘Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaad zaaiende...’ (Genesis 1:11). Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! In de natuur, in de voorzienigheid en in de genade. Ik zal mijn God psalmzingen terwijl ik nog ben (Psalm 104:14, 24 en 33).
David zag de duisternis al meer en meer wijken voor het morgenrood.
Dichte nevels zwaar van water, golfden in de ochtendschemering laagsluierend boven de grond. Druipend werd de aarde doorvochtigd en het kruid met talloze druppels bekleed.
Dan op eenmaal rijst de zon, uitgaande vrolijk als een held. Al hoger en hoger klimt zij, verlichtend en verwarmend de aarde. Het duurt niet lang of de nevels zijn als weggeveegd, en zie, de dageraad heeft de kostelijke dauw uit haar baarmoeder voortgebracht. Weergaloos schoon tintelen en parelen in het stralende zonlicht de ontelbare druppels op gras en bloemen, als een onmetelijke menigte van sieraden. Dan worden Davids gedachten geleid naar de beloofde Messias en Zijn Koninkrijk. Hoe zéker zal de scepter van Zijn sterkte heersen tot zaligheid in het hart van vijandige, doodschuldige zondaren! Ja, Zijn onderdanen zullen zijn als zand aan de oever der zee en als sterren des hemels – als druppelen van de dauw op het kruid bij het aanbreken van de nieuwe dag! Zijn gerechtigheid zal hen bekleden, Zijn heiligheid hen versieren. Zeer sierlijk zullen ze zijn in en door de Zon des heils. Dan roept hij uit: Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht, in heilige sieradiën; uit de baarmoeder des dageraads zal U– o grote Koning! – de dauw van Uw jeugd zijn (Psalm 110:3). Uw loon, Uw bruid, Uw vreugde – tot Uw eer!
(wordt vervolgd)

Barneveld, ds. C. Hogchem

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 2009

De Saambinder | 16 Pagina's

Wonderlijk zijn Uw werken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 2009

De Saambinder | 16 Pagina's

PDF Bekijken