Bekijk het origineel

Hij moet wassen, maar ik minder worden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hij moet wassen, maar ik minder worden

Hij moet wassen, maar ik minder worden Johannes 3:30

6 minuten leestijd

Wat heeft Johannes de Doper in de heilsgeschiedenis een bijzondere plaats mogen innemen. Tegen alle menselijke berekening in mochten de oude priester Zacharias en zijn vrouw Elisabet een zoon uit s Heeren hand ontvangen.

De boodschap van de engel Gabriël hield een rijke en een troostvolle belofte in: ‘Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elisabet zal een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.’ Al kon de oude priester het niet geloven en volgde er straf op zijn ongeloof, Gods raad is volvoerd. De wegbereider, door de laatste oudtestamentische profeet reeds aangekondigd, is naar Gods belofte gekomen. Na een lange opleiding in de eenzaamheid van de woestijn, lezen we van zijn prediking. Als de wegbereider heeft hij in alle getrouwheid gewaarschuwd en opgeroepen tot bekering. In alle ernst klinken zijn woorden: ‘En de bijl ligt ook alrede aan de wortel der bomen.’ (Lukas 3:9a) Maar wat heeft hij zijn hoorders ook mogen wijzen op het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt. ‘Ik ben de Christus niet’, zo beantwoordt hij de vraag van de joodse priesters en Levieten. Johannes wijst daarbij van zichzelf af in vers 28: ‘ik ben de Christus niet, maar dat ik vóór Hem heen uitgezonden ben.’ Nu komt alle eer aan Christus toe en Johannes mag zichzelf vergelijken bij een ‘vriend van de Bruidegom’. Deze figuur was in het joodse volksleven zo heel bekend. Wij kennen dit ook als we denken aan een ceremoniemeester op een bruiloft. Zo’n vriend had de taak om de bruid voor te bereiden op en haar voor te stellen aan haar bruidegom.
De vriend van zo’n bruidegom stond dan te wachten en te luisteren of hij de bruidegom al hoorde komen. Wat een vreugde was dat voor de vriend als hij dan getuige was hoe de bruidegom en de bruid elkaar ontmoeten om zich aan elkaar te verbinden.
Geliefde lezer(es), daarbij vergelijkt Johannes de Doper zich nu in vers 29: ‘Die de bruid heeft, is de Bruidegom, maar de vriend des Bruidegoms, die staat en Hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des Bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.’ Als een ‘bruidswerver’ mag Johannes zijn opdracht volvoeren en het is hem tot grote blijdschap. Bij Abraham mocht Eliëzer oudtijds zo’n ‘bruidswerver’ zijn voor Izak. Het was Eliëzers taak te letten op haar afkomst, haar geslacht, haar vaardigheden, haar ijver. Hij mocht er ook aan doen wat hij kon om ze voor zijn heer Izak voor te bereiden. Echter, Rebekka was bestemd om de vrouw van Izak te worden. Wat een blijdschap en verwondering bij die oude knecht toen deze vereniging ook daadwerkelijk mocht plaatsvinden. Zo heeft nu ook Johannes van zichzelf mogen afwijzen en de Zoon van God als de grote Bruidegom mogen aanwijzen. ‘Hij was eer (vanuit het Grieks mogen we ook lezen: waardiger!) dan ik.’ Als de discipelen van Johannes dan waarschuwen dat Christus veel meer hoorders krijgt dan Johannes, zoals we dat in vers 26 lezen, is dat voor de Doper tot blijdschap en verwondering. Moet hij dan treuren als gezien mag worden dat de grote Bruidegom een bruid ontvangt? Als een echte wegbereider is hij hartelijk verblijd! Als het goed is mag dat nog zo zijn.
Jongeren en ouderen, als het goed is behoort daar iets van te worden gezien bij elke evangeliedienaar. Johannes was ‘verblijd met blijdschap’, zoals we dat meer tegenkomen in de Hebreeuwse taal: ‘dubbel op’ als het ware. Wat een verwaardiging om voor deze grote Bruidegom een bruid te mogen werven. Geliefde lezers, dat is de wonderlijke vreugde in het ambtswerk. Te mogen horen dat er onder jongeren en ouderen hoorders zijn die niet meer weten hoe zij zalig kunnen worden. Die het niet meer weten hoe ze ooit met God kunnen worden verzoend. Waar het echt waar is geworden in het leven: de bijl ligt alrede aan de wortel van de boom. En die laatste slag zou rechtvaardig zijn. Kom, weet u/jij dat al? Is dat al onze nood geworden? Hoor het dan de Doper uitroepen: ‘Zie het Lam Gods’. In Hem is er redding. Door de verdienste van dit Lam is er doen aan voor de grootste der zondaren. Als er dan zulke zondaren in hun verlorenheid en schuldigheid de toevlucht leren nemen tot deze Christus, als het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt, wat geeft dit een blijdschap! ‘Hij moet wassen, maar ik minder worden.’ Er staat niet: de mindere zijn, maar ‘minder wórden’. Wat is de praktijk van deze woorden echter een les, ja, een levensles! Dat heeft Johannes moeten, maar ook mogen leren. Wat denkt u, als hij nog geen jaar heeft gepreekt en dan in de gevangenis. Daar heeft ook de bestrijder niet stilgezeten, leest u maar mee in Lukas 7 vers 19: ‘En Johannes, zekere twee van zijn discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: ‘Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een ander?’ We zouden wellicht denken: Maar Johannes, u heeft Hem toch zo mogen aanwijzen en aanprijzen? En dan nu deze vraag? Of herkent u dit juist? Wat kan het in het leven der genade alles weer bedekt liggen en de storm van bestrijding hevig zijn! Dan niets meer te kunnen bezien van wat eertijds mocht worden geloofd!
Misschien zijn er wel lezers die er blij om zijn dat ook dit in de Heilige Schrift is opgetekend! Dan gaat de praktijkles soms door een diepe en onbegrepen weg, maar als het wordt geleerd is het wel tot Gods verheerlijking. Wat een wonder, al is Johannes het vergeten, de Bruidegom vergeet Zijn kind niet. Christus maakt waar: ‘Ik heb voor u gebeden.’ Aan Johannes’ arbeid komt al zo snel een einde en hij moet zelfs letterlijk zijn hoofd verliezen. Dan wordt echt waar ‘Hij moet wassen, maar ik minder worden.’
Maar wat een wonder: het Hoofd Christus verliest Zijn kind en knecht niet uit het oog en Johannes was met één slag voor eeuwig bij Zijn Bruidegom. Daar mag hij zich al eeuwen verblijden naar de ziel en is zijn blijdschap werkelijk vervuld geworden (vers 29).
Lezer(es), gelukkig diegene die alles van zichzelf mag kwijtraken en Christus mag overhouden. Dan is onze zaak werkelijk in goede handen, in Zaligmakershanden! Het zij ons aller deel!


Utrecht, ds. A.J. de Waard

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 2013

De Saambinder | 12 Pagina's

Hij moet wassen, maar ik minder worden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 2013

De Saambinder | 12 Pagina's

PDF Bekijken