Bekijk het origineel

Sabbatsrust op zondag [3]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Sabbatsrust op zondag [3]

4 minuten leestijd

In twee afleveringen hebben we geluisterd naar stemmen uit het verleden over de wekelijkse rustdag. We concludeerden op grond van uiteenlopende bronnen dat de jonge kerk op de opstandingsdag van Christus, de dag des Heeren, sabbatsrust genoot.

De eerste eeuwen betrof het alleen een zaak van de ‘kerk’. Maar in de derde eeuw moesten ook de heidenen de zondagsrust in acht nemen. Het was Constantijn de Grote (280-337; de man die een visioen zou hebben gezien, voorafgaand aan een beslissende veldslag met zijn zwager Maxentius) die als eerste wetgeving met deze inhoud uitvaardigde. In 321 vaardigde deze keizer (die overigens niet het christendom tot staatsgodsdienst heeft verheven; dat gebeurde pas tachtig jaar later onder Theodosius I) het eerste edict over de zondagsviering uit.
In het hele Romeinse Rijk zou de ´tweede dag van de Romeinse planetenweek´ - de zondag – een algemene rustdag zijn. Op 3 maart 321 schreef de keizer, die op dat moment in Illyricum verbleef, aan de bestuurder Helpidius in Rome: ‘Alle rechters, de bevolking van steden en allen die in de nijverheid werkzaam zijn, moeten rusten op de vererenswaardige dag van de zon. Alleen de boeren zullen vrij en ongehinderd het werk op de akkers verrichten, omdat het vaak voorkomt dat geen dag geschikter is om het zaad aan de voren toe te vertrouwen of de wijnstokken te planten in de gaten die daarvoor gegraven zijn. Aan de gunst van het ogenblik, waarvoor de hemelse voorzienigheid gezorgd heeft, mag niet voorbijgegaan worden’.
Korte tijd later, in juni, schreef de keizer dat de vrijlating van slaven en de daarbij behorende juridische handelingen niet onder het gebod tot rusten vallen. Er is geen absolute zekerheid over het motief dat Constantijn had voor het invoeren van de zondagsrust (zie dr. W.H.Th. Moehn, Reformatorisch Dagblad, 24 oktober 2012).
Sommigen denken dat Constantijn het om politieke redenen – om christenen en heidenen aan zich te binden – heeft gedaan. Anderen menen dat hij het deed vanuit zijn persoonlijke overtuiging als christen dat de zondag voor een ieder als rustdag heeft te gelden.
(Mogelijk was hij aanvankelijk – net als zijn vader – een aanhanger van het geloof in de Sol Invinctus, de onverwinnelijke zon).
Lezenswaardig is in dit verband de biografie die bisschop Eusebius van Caesaréa over zijn tijdgenoot Constantijn heeft geschreven (”Keizer Constantijn, Zijn levensbeschrijving door Eusebius van Caesaréa”, uitg. Verloren, 2012). Uit deze biografie blijkt dat de keizer reeds voor het jaar 321 aan het hof een speciale gebedsruimte had ingericht, waar hij de Schriften ter hand nam en zich wijdde aan de overdenking van de goddelijk geïnspireerde beloften.
Volgens Eusebius verlangde de keizer er naar dat uiteindelijk alle onderdanen God zouden gaan aanbidden. Soldaten die reeds christen waren, werden in de gelegenheid gesteld om ongehinderd de kerkdiensten bij te wonen. De soldaten die nog geen deel hadden aan het goddelijk Woord, gaf hij in een tweede wet bevel om op de zondagen naar een open veld te gaan en daar op een afgesproken teken gemeenschappelijk een ingestudeerd gebed tot God te richten. Dit gebed had als inhoud: ‘U alleen erkennen wij als God, U erkennen wij als Koning, U roepen wij als Helper aan; van U hebben wij de overwinning ontvangen’.
Latere edicten leggen nog meer de nadruk op de beoefening van werken der barmhartigheid. Zo werd in 409 wettelijk verankerd dat gevangenen op zondag uit de gevangenissen moesten worden gehaald, naar hun verzorging moest worden geïnformeerd, hun het nodige moest worden verschaft en hen gelegenheid gegeven moest worden om zich te baden.
In het jaar 386 werd uitdrukkelijk bepaald dat op zondag geen publieke vermakelijkheden mochten worden gehouden, opdat niemand daardoor van de christelijke godsdienstoefening zou worden afgetrokken.
Ook de positieve aandacht op het gericht zijn op de dienst van de Heere werd benadrukt in de Romeinse wetgeving. In 425 werd in wetgeving vastgelegd dat alle aandacht van de christenen gericht behoort te zijn op de dienst van de Heere.
Onder de Franken was het vooral Karel de Grote (742-814) die zich met de viering van de zondag heeft beziggehouden. In de dagen van deze koning/keizer werd het houden van de zondag ook expliciet in verband gebracht met het vierde gebod. Een wet uit 789 begint als volgt: ‘Wij stellen vast, volgens hetgeen de Heere in de wet heeft bevolen, dat slafelijke werken op de dag des Heeren niet worden verricht’.
De oude kerk was hierin nog tamelijk terughoudend geweest, omdat men bevreesd was voor ‘verjoodsing’ van het christendom. Karel de Grote ging in zijn wetten uit van de gedachte, dat de christelijke zondag de voortzetting was van de joodse sabbat.

(wordt vervolgd)

W.A. Zondag, Nunspeet

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 2015

De Saambinder | 20 Pagina's

Sabbatsrust op zondag [3]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 2015

De Saambinder | 20 Pagina's

PDF Bekijken