Bekijk het origineel

De “Kommapreek” uit Elberfeld [2]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De “Kommapreek” uit Elberfeld [2]

Vijfdelige serie over bekend gebleven preken

4 minuten leestijd

Is het nu: vleselijk verkocht? Of: vleselijk, verkocht? Over die woorden uit Romeinen 7:14a hield Herman Friedrich Kohlbrugge op 31 juli 1833 een voor velen bekende en voor anderen beruchte preek. Afgezet door de kerkenraad van de Hersteld Lutherse Gemeente in Amsterdam, week hij uit naar Duitsland waar hij op 29-jarige leeftijd in Elberfeld de Kommapreek hield over Romeinen 7:14a: Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.

Kohlbrugge schrijft dat hij aanvankelijk de komma achter het woord ‘vleselijk’ niet heeft opgemerkt. Hij dacht dat de tekst bedoelde dat hij naar het vlees verkocht was onder de zonden, maar van de wet der zonde geestelijk was vrijgemaakt door Christus en daarom in staat was goede werken te doen. Maar door onderzoek van de tekst ‘werd mij de gerechtigheid Gods geopenbaard’ en ‘leed mijn gerechtigheid totale schipbreuk’. Toen zag hij pas de ware bedoeling van de tekst, dat hij in zichzelf volkomen vleselijk was en hij ook na ontvangen genade de wet noch inwendig noch uitwendig kon houden. Kohlbrugge schrijft later: ‘Ik weet niet dat mij in mijn leven iets meer heeft aangegrepen, als die komma te zien’.

Deze ‘Kommapreek’ heeft echter wel de verhoudingen met de vertegenwoordigers van het Reveil ernstig geschaad. Da Costa beschuldigde Kohlbrugge zelfs van antinomianisme als zou hij leren: ‘Weg met de wet, wij worden niet beter, maar al erger’, en dat door Kohlbrugge wel ellende en verlossing gepreekt worden, maar geen dankbaarheid zodat ‘de leer der heiligmaking verzaakt wordt’.

Is die kritiek terecht? Laten we eerlijk luisteren naar wat Kohlbrugge schrijft. Reeds in zijn voorrede snijdt hij alles af van de ‘praatchristenen en vrome huichelaars met hun farizeeschen trots, als maakten zij zich met hunne deugdelijkheden bij Christus verdienstelijk’. En ‘opdat de verootmoedigde ziel hare zaligheid geheel en al in de handen des barmhartigen Gods en Zaligmakers overgeve’.

Kohlbrugge werkt in zijn preek uit wat het betekent dat de wet geestelijk is, maar Gods kinderen in zichzelf vleselijk zijn, ja verkocht onder de zonde. Kohlbrugge had bevindelijk geleerd wat hij schrijft: ‘Heden niet heilig, na een jaar nog onheiliger; heden onwaardig, na tien en dertig jaren nog onwaardiger’.

Wat we leren moeten? ‘Werpt uwe heiligheidskrukken weg, verre van u weg! gij komt er de berg Sion niet mede op en wacht reikhalzende op Zijne genade, die u aangebracht is in Christus, Zijnen Zoon’. Daartoe is de wet geestelijk en drijft hij hard, maar lokt toch ook zo lieflijk ‘opdat zij op de teederste wijze tot Christus getrokken worde, om alleen in Hem te worden gevonden’.

Toch blijft de mens in zichzelf vleselijk en kunnen wij Gode niet behagen. Daarom is er voor de ontdekte Kerk nergens rust en vrede ‘dan alleen door en in de gerechtigheid en heiligheid van Christus, Die met een offerande in eeuwigheid voleind heeft alleen, die geheiligd zijn’. Maar als de ziel Hem heeft, ‘dan bekommer ik mij om mijne heiliging niet, neen, maar ik jage Hem na en acht alle dingen schade te zijn voor de tegen alles overvloed hebbende kennis van Christus Jesus, mijnen Heere’.

Hoe meer dat geleerd wordt, hoe meer ik ‘een gruwen en walg aan mijzelven’ krijg en ‘zoveel te afschuwelijker wordt en vertoont zich aan mij de zonde, en ik ween van stille blijdschap, dat de Vader aller barmhartigheid mij heeft wedergeboren tot eene hope, levende door de opstanding van Jesus Christus uit de dooden’.

Hier is geen plaats voor werkheiligheid. Integendeel, in plaats van vooruit te gaan, gaan we steeds verder achteruit, omdat we niet alleen vleselijk zijn maar ook ‘onder de zonde als slaven verkocht’, zodat we onze harde heer (de duivel) tegen onze wil moeten dienen. Maar ‘hebt gij waarlijk vergiffenis uwer zonden in het bloed van Christus, zeg dan vrijmoedig: ‘Ik ben heilig!’ wanneer gij ook niets dan onreinheid in u ziet’.

Is de beschuldiging van antinomianisme terecht? Kohlbrugge predikt voluit wie de mens is en blijft, ook in het stuk der heiligmaking. Omdat we in onszelf vleselijk zijn, verkocht onder de zonde, is strijd tegen de zonde nodig en heeft hij gedurig de Zaligmaker nodig. Of zoals de ouden wel zeiden: Bij de laatste snik verliest de Kerk haar eigen ‘ik’.

Hierin ligt de diepste samenvatting van Kohlbrugge's ‘Kommapreek’. Een samenvatting die waar is in het leven van al Gods kinderen, ook vandaag! Of zoals Kohlbrugge het zelf getuigde vlak voor zijn sterven: ‘Wat is het toch goed dat men de weg gevonden heeft, als men jong is; want dan behoeft men niet meer te zoeken, als men oud is geworden’.

ds. E. Hakvoort, Norwich

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 2016

De Saambinder | 20 Pagina's

De “Kommapreek” uit Elberfeld [2]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 2016

De Saambinder | 20 Pagina's

PDF Bekijken