Bekijk het origineel

De Christinnereis [2]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Christinnereis [2]

De man met een mesthark

4 minuten leestijd

In het Huis van Uitlegger komt Christinne met haar gezelschap in verschillende betekenisvolle kamers, waarin ook Christen onderwijs verkregen had.

Zo ziet Christinne de man in de kooi, de man met zijn bange droom over de wederkomst en de man die zijn weg baande door de vijanden naar het paleis.

Daarna neemt Uitlegger haar en de anderen mee naar een andere kamer. Ze zien daar een man met een mesthark in zijn hand. Hij is druk bezig om allerlei strootjes en takjes naar zich toe te vegen. Het opmerkelijke van dit tafereel is dat boven het hoofd van de man een prachtige kroon blinkt, die door een hemelse hand wordt vastgehouden. Maar daar heeft de man helemaal geen oog voor, omdat hij zo druk is met zijn mesthark.
Christinne begrijpt de betekenis van dit tafereel. Ze zegt:’Dit is het beeld van een man van deze wereld, is het niet, meneer?’ Uitlegger beaamt dat en geeft nadere uitleg. Zijn hark openbaart zijn aardsgezindheid. De kroon boven zijn hoofd ziet op de hemelse dingen. Ze hebben geen waarde voor deze man, omdat ze slechts een fabeltje voor hem zijn. En dat hij zo druk is met stro en takken, laat zien dat hij geen oog heeft voor de waardeloosheid van al het aardse goed.

Beschamend

Wat een beschamend beeld voor velen van ons! Hoeveel van onze ouderen verslijten hun kostbare genadetijd met’stro en takken? Alleen maar bezig met wat voorbijgaat. En geen enkel oog voor hun kostbare ziel op reis naar de eeuwigheid. Ja, schrijft de apostel niet: ‘Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?’
Het beeld uit deze kamer mocht ook onze jonge mensen wel aangrijpen. Hoe gemakkelijk gaan we mee met de geest van de tijd en zitten we grote delen van de dag (en soms ook van de nacht) op onze mobiel te kijken naar …’stro en takken; of naar vuil en drek. En dat terwijl er zo’n grote zaligheid te verkrijgen is! Daar hoeft men niet eens een hark voor te hebben, want die wordt alleen uit genade, om niet, geschonken. Wat zijn we van nature uit de aarde aards en nameloos blind voor ons verdorven hart.

Ontdekkend

Maar welke les ligt er in deze kamer nu voor Gods kinderen? Wel, luister dan eens goed naar de woorden die Christinne uitspreekt:’O, bevrijd mij van die hark!’ In dit korte, maar krachtige gebed openbaart Christinne allereerst haar zielekwaal! Door het ontdekkend licht van de Heilige Geest had Christinne geleerd dat ze een verdorven hart omdraagt. Een hart, dat naar de wereld trekt, en naar de zonde en de weelde. Dat geeft haar zoveel verdriet. Maar in dit gebed vinden we ook haar onmacht getekend! Christinne had ongetwijfeld geprobeerd zichzelf van die hark te verlossen, maar dat was haar niet gelukt. Daarom smeekt ze om ervan verlost te worden. Tenslotte laat dit gebed ook haar ootmoed zien. Nee, Christinne staat niet boven de wereldling die maar bezig is in het aardse slijk. Hier vinden we niet de taal van de vrome farizeeër:’Ik dank U, Heere, dat ik niet ben als deze man’. O nee, hier ontmoeten wij een arme zondares, die ootmoedig moet erkennen:’Ik lijk sprekend op die man, die met zijn mesthark over de aarde schraapt’.
Zijn er onder de lezers die de strijd van Christinne verstaan met hun hart?

Onderwijzend

Letten we ook op het onderwijs dat Uitlegger nog geeft. Het gebed dat Christinne opzendt, noemt hij een ‘wapen dat bijna verroest is’. Hij bedoelt dat velen van Gods kinderen zo aardsgezind geworden zijn, dat ze niet eens meer voelen hoe ze aan de aarde verkleefd zijn.
Eenvoudig worden we gewezen op het Bijbelse van het gebed van Christinne. Agur bad immers hetzelfde:’Geef mij geen rijkdom’. Wat is en blijft ontdekkende genade toch nodig in ieders leven. Mochten we daarom maar veel in dit kamertje de spiegel voor ogen krijgen en onszelf afvragen: Waar leef ik nu voor?
Wie de les van de man met de mesthark mag leren, gaat ook Groenewegen verstaan, toen hij dichtte:

‘k Benmetrijkdom overladen,
Wereldling, ik heb een schat,
‘k Mag mij in de weelde baden,
Dien geen wereldling bevat.

(…)

God, het algenoegzaam Wezen,
Is mijn overvloedig goud,
En mijn zilver uitgelezen,
Daar mijn ziele zich
op bouwt.

(wordt vervolgd)

ds. B.J. van Boven, De Valk-Wekerom

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2017

De Saambinder | 20 Pagina's

De Christinnereis [2]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2017

De Saambinder | 20 Pagina's

PDF Bekijken