Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Meditatie

8 minuten leestijd

En als Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Lukas 19 : 41, 42.

De stad die in deze tekstwoorden bedoeld wordt, is Jeruzalem, de stad des groten Konings. De heilige stad genaamd, omdat daar het heiligdom des Heeren stond, de tempel. Daar woonde de God des eeds en des verbonds, in het heilige der heiligen, boven de ark met het verzoendeksel.

Jezus zag die schone en beroemde stad, waar Hij dagelijks leerde in de tempel. Hij zag al de ongerechtigheden, die in haar midden bedreven werden. Inzonderheid ook al de eigenwillige godsdienst, die zich in haar openbaarde. Onder dat mom werden allerlei zonden bedreven en leefde men alsof er geen God in de hemel was, Die het aanschouwde. Dus een stad, waar met ongerechtigheid en eigengerechtigheid de levende God getergd werd en Zijn wraak opgewekt. Waar men de enige Zaligmaker verwierp en zijn hoop der zaligheid bouwde op zandgronden, die bij het sterven en in de oordeelsdag worden weggespoeld door de watervloeden van Gods rechtvaardige toorn. Hij zag dat zij de dag der zaligheid niet wilden bekennen, om te overdenken wat tot hun vrede was dienende; tot hun tijdelijke vrede, maar ook tot hun geestelijke en eeuwige vrede.

Dat uitwendig bevoorrechte volk was niet in het (rechte) spoor, maar zij waren uit het spoor en buiten het spoor, ja het spoor geheel bijster. Niet alleen door het bedrijven der gruwelijke zonden, maar ook door hun eigenwillige godsdienst, daar ze met hun eigen inzettingen Gods gebod krachteloos maakten. Zo bleven zij in de duisternis, want al wat niet is naar Gods Woord zal geen dageraad hebben. Zij wilden de waarschuwingen, vermaningen en leringen niet ter harte nemen. Want bekennen betekent: iets ter harte nemen, het hart daarop zetten, of in overweging nemen. Het wil zeggen: alle knopen der ongerechtigheid losmaken en alle eigengerechtige en eigenwillige vroomheid laten varen, die een walg in des Heeren heilige neusgaten is. Het houdt ook in een wederkeren en zich niet langer verharden met een verstokt hart.

Hoe menigmaal had Jezus hun kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen. Maar zij hadden niet gewild. Vanwege de vreselijke afwijkingen en al hun vleselijke godsdienst, en dat zij de dag der zaligheid niet achtten maar verachtten, en niet overdachten wat tot hun tijdelijk welzijn en bovenal tot hun eeuwig welzijn was dienende, daarom weende Jezus over haar en klaagde Hij: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient. Maar ook vanwege de vreselijke oordelen, die boven Jeruzalem hingen en die zeker uitgegoten zouden worden. Want de Heere haat alle ongerechtigheid en vleselijke godsdienst. Hij weende, omdat er een vreselijke verwoesting voor de deur stond, zodat er niet één steen op de andere zou gelaten worden.

Waarin de ware vrede en behoudenis lag, dat was voor hen verborgen. Er staat in de tekst: Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Wat is er groter zegen in het natuurlijke, dan vrede: vrede in het gezin, vrede in de familie, vrede in de maatschappij, onder de burgers, onder elkander. Zoals van Israël staat geschreven, wanneer zij in des Heeren inzettingen zouden wandelen en Zijn getuigenissen onderhouden, dat een ieder dan zou zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom. Maar wat is er nu bestendiger dan vrede in de ziel te hebben met een rechtvaardig God, Die we vertoornd hebben door onze zonden; dan genadige vergeving, op grond van recht; dan zalige vrede in de ziel krachtens eeuwige verkiezende liefde, vanuit de stilte der nooitbegonnen eeuwigheid. O, wat is dat verborgen voor elk godsdienstig mens en voor al degenen die een zogenaamde bevinding hebben, veel kunnen vertellen, vast menen dat het waar is, en toch de rechte kenmerken van de ware bevinding van Gods volk, door de Heilige Geest gewerkt, missen. Zo het spoor bijster zijnde, zou dat uitlopen op een

nameloze ellende en verwoesting van stad en land, van jong en oud, zodat hun bij dit woord van Christus de haren wel te berge mochten rijzen. O, arm, ellendig Jeruzalem, dat zo blindelings de ondergang tegemoet ging. Dat spoor zou eindigen in een naar gejammer, gehuil en vreselijk gekerm. Dat zag Jezus, omdat Hij als waarachtig God alles weet en ziet; en als waarachtig mens weende Hij, daar al die ongerechtigheid en eigenwillige godsdienst Zijn rechtvaardige ziel kwelden. Zij hadden des Heeren Woord verworpen; wat wijsheid zouden zij dan hebben.

Als Jezus nu Neerlands volk ziet, moet Hij dan niet wenen en met een klaaglijke stem uitroepen: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient; maar nu is het verborgen voor uw ogen. We waren toch weleer een beweldadigd volk, daar de Heere onder ons woonde. Een volk,

waaraan Hij Zijn daden betoond had, tot Zijn eer en des lands behoudenis; dat Hij begiftigd had met de zuivere, zielsbevindelijke leer der Waarheid. Waar de praktijk der godzaligheid beoefend werd door de vele kinderen en knechten Gods, die er in Neerlands kerk waren. Waar God op het hoogst verheerlijkt werd in Zijn vrije soevereiniteit, in het zaligen van dode doch uitverkoren zondaren. Waar de zonde en de eigengerechtige godsdienst bestraft, en de waarschuwende stem gehoord werd. Toen men bekende wat tot zijn vrede was dienende, en het fijne goud niet verdonkerd was.

Maar nü is men godloos afgeweken van die God, Die hier zoveel wonderen heeft gedaan. Nu verwerpt men Zijn dierbaar Woord en Zijn heilige wet; die wordt van elk vertreden, van hoog tot laag, van klein tot groot. O, de Springader des levenden waters is verlaten, en we hebben ons bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden. Alle gruwelijke zonden worden vrijuit bedreven, op de vreselijkste wijze. Overal komt deze geest openbaar: dood is dood, geen God en geen meester meer; laat ons eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij. Alles wat nog enigszins met God en Zijn Woord rekent, moet uitgebannen worden, zodat de boosheid van Neerlands inwoners ten hemel is geklommen, gelijk als weleer bij Ninevé. Wij zien Adams rampzalige val steeds meer openlijk uitleven. Het land is vervuld met wrevel. Niets anders dan een nameloze ellende en verwoesting hebben we te verwachten. Maar we zijn allen met blindheid geslagen. Gods slaande hand gaat op ons drukken. Hij gaat het werk uit onze handen nemen; de vreselijke werkloosheid zal misschien leiden tot revolutie. Arm land, dat zo beweldadigd was; wij mogen wel uitroepen: O land, land, land, hoor des HEEREN Woord!

Op godsdienstig terrein is het al niet beter gesteld. Onder de dekmantel van godsdienst en zelfs onder die van zuivere rechtzinnigheid, kan men alle ongerechtigheid bedrijven. O, we weten nog niet half wat er op de kansels van Nederlands kerk staat. De zuivere, zielsontdekkende en bevindelijke prediking wordt helaas maar al te zeer gemist, zodat bijna heel godsdienstig Nederland 'bekeerd' is. Velen gebruiken bevindelijke uitdrukkingen, om toch maar de naam te hebben dat men bij Gods volk en knechten hoort. Men schermt met Justus Vermeer, met Comrie, Ds. Kersten en Ds. Zandt enz. Maar men strooit de schare zand in de ogen en verblindt ze. Een geweldige rede, schone en rechtzinnige woorden, en meer hoort men niet. En de menigte zegt dan: Nooit heeft een mens alzo gesproken. Maar men hoort en leest van dezulken niet, hoe God een mens bekeert, hem als een schuldige en vervloekte zondaar tot Jezus brengt, hem als een godloze doemeling rechtvaardigt en hem tot Gods eigendom in Christus maakt. Ook zal men hen bijna nooit horen over de vrije verkiezing des Vaders in Christus. En ook niet daarover, dat het met een wedergeboren, levendgemaakte zondaar, met al zijn schuld, vervloeking, tranen, gebeden en worstelingen, onder des Rechters rechtvaardige toorn, in zijn waarneming maar één kant uit kan vallen: voor eeuwig naar de hel. Dat onvoorwaardelijk over te nemen, zodat de duivel zijn prooi moet loslaten, en Christus verheerlijkt wordt als de enige Zaligmaker, dat is bijna uitgestorven. Dat daar de ziel in verwondering wegzakt, in de vergevende, verlossende en omhelzende liefde van een drieënig God, dat wordt gemist. O, eigenlijk is alles maar: Vrede, vrede en geen gevaar. Terwijl een haastig verderf ons zal overkomen. O, arm godsdienstig Nederland.

De donkere wolken van Gods toorn pakken zich boven ons samen. Als die zich ontlasten, zal dit spoor in verschrikkelijke ellende voor jong en oud eindigen. Daarom zullen we hiermee eindigen: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Eer de verwoesting komt en het voor eeuwig te laat is. Keert weder tot den HEERE. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983

In het spoor | 20 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983

In het spoor | 20 Pagina's

PDF Bekijken