Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

7 minuten leestijd

En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt. Exodus 3 : 3.

Het symbool van de Schotse Kerk is een groot brandend bos, met daarboven de Latijnse woorden: Nee tarnen consumebatur, hetgeen betekent: En tóch niet verteerd. Daarmee beduidende, dat deze kerk, die tot de allerheerlijkste der aarde behoord heeft, ondanks alle loutering en vervolging, niet vergaan is.

Deze woorden zouden we ook kunnen schrijven boven de geschiedenis van het braambos, waarbij Mozes zich bevond, zoals beschreven is in Exodus 3. Dat wel brandende, maar niet verbrandende braambos strekt tot een bemoedigende onderwijzing voor Mozes, tot een bemoediging voor een komende ziel tot Christus, en tot vertroosting van de levende Kerk in Hem.

Toen Mozes 40 jaar was, dacht hij dat God hem wel zou kunnen gebruiken om Israël te verlossen. Maar God keurde het beter, dat hij eerst 40 jaar de woestijn inging, om de schapen van zijn schoonvader te hoeden. Hoe is hij daarin een type van Christus, Die de schapen Zijns Vaders in de woestijn van dit leven hoedt. Mozes leidde de kudde achter de woestijn. Christus leidt de kudde Zijns Vaders achter de woestijn der zonde, dood, hel en alle ellende van dit aardse tranendal, tot eeuwige heerlijkheid. Tot aan de berg Gods, Horeb; de berg van de heerlijke en vreselijke wet Gods, die in Christus een verzoende liefdeswet is.

Aan die berg Horeb, als Mozes de leeftijd der zeer sterken heeft bereikt, verschijnt de Engel des HEEREN (Christus, de Engel des Verbonds) hem in een vlam des vuurs uit het midden van een braambos, hetwelk wel brandt, maar niet verbrandt, niet verteerd wordt.

Dat er een braambos brandde, was vooral in het hete oosten niets bijzonders; dat had Mozes al zovele malen gezien. Maar het wonderlijke was, dat het niet verbrandde; het bleef branden. Daarom zegt Mozes: Ik zal mij nu daarheen wenden. Dat is Mozes, die trekt aan op dingen die nooit kunnen gebeuren en die toch gebeuren, op dingen die nooit kunnen geschieden en toch plaatsvinden. Mozes had eertijds een andere keus gedaan. Die uitdrukking (een andere keus doen) wordt nogal eens gebruikt, maar dikwijls ten onrechte. Wat is de andere keus van Mozes? Verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben. Hebt u dat ook liever? Kwalijk behandeld, verdrukt, vervolgd, gevangen genomen, desnoods uitgemergeld te worden door vreemde Farao's, liever dan zondigen? Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte. Dat is de nieuwe keus van Mozes; de versmaadheid van Christus, Zijn lijden en sterven had voor hem meer waarde dan al de aardse schatten. Dat is een weg van verlies, van ondergang en sterven. Mozes heeft door het geloof geweigerd een zoon van Farao's dochter genaamd te worden. Dat is het zaligmakende, met Christus verenigende geloof. En dan een andere keus; dan staat het goed op zijn plaats. De keus van Mozes was een keus in Christus, en daarom mocht hij daarin volharden. Daarom is deze brandende maar niet verterende braambos hem tot een bemoedigende onderwijzing, omdat Christus erin is; en Die is immers gisteren en heden en tot in der eeuwigheid Dezelfde.

Maar dat braambos ziet ook op het volk van Israël, dat in de tichelovens zuchtte onder het zware juk der dienstbaarheid van Farao. Maar ondanks alle druk groeide en vermenigvuldigde dat volk. De Egyptische vroedvrouwen vreesden God en achtten het gebod des konings niet, zodat de jongskens bleven leven.

Dat braambos zegt ook wat omtrent het Israël van nu. Het is er nog en het zal er ook blijven. Vele malen is het met de ondergang bedreigd, door oorlogen geteisterd, door de heidenen soms bijna uitgeroeid, weggevoerd naar Babel, verstrooid over de hele wereld, maar God heeft het als bij vernieuwing doen herrijzen en wederkeren, door wegen van onmogelijkheid. Ze hebben sinds 1948 een eigen staat. Alles brandt wel tegen Israël, maar niemand krijgt ooit Israël meer weg. Integendeel, 4als we letten op de tekenen der tijden, dan moeten we denken aan wat Ds. Deetman in zijn voorwoord in het boek van de tot God bekeerde Joodse rabbijn Salomon Duijtsch schrijft: "En wanneer gij bidt in uw binnenkamer voor de blinde heiden, vergeet dan Israël niet. Smeek de Heere dat Hij het genadig zij. En waarom? Omdat de eindbeslissing der wereldgeschiedenis geschieden zal door dat vergeten Israël, dat zijn naam draagt naar die grote worstelaar aan de Jabbok". Dat schreef hij in 1869, bijna 80 jaar vóórdat de staat Israël er was. Vele en wonderlijke beloften liggen er nog voor dat volk, voor die beminden om der vaderen wil, bovenal ook betreffende hun zaligheid. Met grote menigte, zeggen de Kanttekenaren bij Romeinen 11, zullen ze zich

tot Christus bekeren. En vele godzalige oudvaders uit ons land en daarbuiten hebben het op grond van de Schrift geleerd: de bekering der Joden tot God in Christus, in het laatste der dagen. Zijn bloed komt nu nog als het bloed der wraak rechtvaardig over hen tot verharding en verblinding, maar eenmaal, op Gods tijd en wijze, zal het in ongekende mate over hen komen tot verzoening.

De mens van nature is één grote zondebrand, maar hij weet en voelt het niet. Hij voelt ook de brandende toorn Gods niet. Hij denkt dat hij wel behouden wil worden, maar hij weet niet dat hij brandt van vijandschap tegen God en Christus. Maar als God gaat werken met Zijn Geest, tot overtuiging, dan gaat alles branden vanwege de zonde, en dan wordt het een wonder dat hij door de brandende toorn Gods nóg niet is verteerd. Eén ding wordt noodzakelijk: bekeerd worden. Maar één zaak is nog veel belangrijker: de deugden Gods, omdat God de Waarheid is. Ze worden zó eerlijk gemaakt, dat ze liever nooit bekeerd worden als het moest gaan ten koste van de deugden Gods. En de Geest gaat door, ontdekkend, ontledigend, ontblotend, plaatsmakend. Die Geest werkt op de ere Gods aan, Die gaat hen plaatsen voor het heilig recht. O, die onsterfelijkheid der uitverkorenen vóór hun bekering, o die verborgen onderhouding en ondersteuning. Laat ons toch zien dat grote gezicht, waarom dit uitverkoren braambos niet verbrandt en hoe die mens blijft bestaan door de onmogelijkheid heen. Bij wie het krachtens verkiezing in Christus is, gaat het door en zal onder het toevallend recht die Persoon geopenbaard worden. Maar zij bij wie het gemene werkingen des Geestes zijn, die worden en blijven hier bekeerd mee, en straks is alles opgebrand. Maar bij een enkeling gaat het door. Die leren hun brandende vijandschap tegen het Borgwerk van Christus kennen; die moeten in inleving voor eeuwig verbranden, met een geopenbaarde Borg; vanwege hun ongeloof, en omdat ze zich met alles nog buiten Christus zien. Maar wanneer ze in het omhelzend recht de deugden Gods lief krijgen boven alles, ook boven hun eigen zaligheid, in dat punt des tijds, waarin zelfs geen gedachte is aan hel of hemel, aan verdoemenis of zaligheid, ja dan,

als in haar laatste vreugde (het eren van Gods deugden), de deugd van 't recht het wint, al eist zij: Dood het kind, - o, stonde van 't gericht, o dood'lijkst tijdsgewricht - dan wordt verloren gaan door God niet toegestaan,

maar dan worden ze achter de woestijn geleid en ontvangen ze Christus, Die de wet Gods draagt in het midden Zijns ingewands, uit handen van de Rechter. Daar wordt een vertoornd Rechter hun een verzoend Vader in Christus. Want uiteindelijk: Christus heeft de volle brandende toorn Gods gedragen en is niet vergaan. In Hem is de hitte van Gods gramschap geblust. Gestorven, maar ziet, Hij leeft. Daarom zingt de Kerk:

Is 't dat mijns vijands gramschap brandt, Uw rechterhand (Christus) zal redding geven.

Laat ons nog éénmaal zien het grote en huiveringwekkende gezicht, waarom het helse braambos niet verbrandt. Namelijk omdat God daarin is in Zijn oneindige toorn, en de toorn des Lams daar brandt en het maakt tot een onuitblusselijk vuur, dat blijft branden tot in alle eeuwigheid. O, ziet toch toe, gij lezer, dat gij daar niet voor eeuwig in nederstort. Maar dat ge uw ziels voeten uit vrije genade nog leerdet zetten in het spoor der gerechtigheid, in Christus.

Boven, in het hemelse braambos, zal het liefdesvuur van de drieënige God tot Zijn volk, en de wederliefde van dat door bloed en recht verloste volk tot hun God in Christus, nooit worden uitgedoofd, maar tot de ere Gods branden in de liefde tot in der eeuwen eeuwigheid.

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 augustus 1983

In het spoor | 20 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 augustus 1983

In het spoor | 20 Pagina's

PDF Bekijken