Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BEZONNEN OF VERZONNEN?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BEZONNEN OF VERZONNEN?

9 minuten leestijd

In het augustusnummer van dit blad is al melding gemaakt van de bezinningsnota Principieel Samen Verder van de zogenoemde SGP-Bezinningsgroep te Boskoop. In een advertentie in De Banier (het partijorgaan) van 29 juli jl. werd via een "Bericht aan alle SGP-kiesverenigingen, leden en kiezers" de verschijning van deze nota aangekondigd als "een Bijbels gefundeerde afweging inzake de discussie binnen onze partij over de politieke betrokkenheid van de vrouw".

Vooruitlopend op een nadere bespreking van de nota, is reeds gewezen op een belangrijke onjuistheid op pagina 6 ervan. Daar werd gesteld dat de beslissing van het hoofdbestuur in 1983 om de toelating als partijlid aan de kiesverenigingen over te laten, op de huishoudelijke vergadering van april 1989 niet door de partij werd afgekeurd. Op de onjuistheid daarvan mede door anderen geattendeerd, heeft de bezinningsgroep deze alinea via een errata-vel d.d. 31 augustus 1993 ingetrokken en rechtgezet. Het betrof toen namelijk een procedurele beslissing, niet een inhoudelijke. Deze wijze van omgaan met feiten en het daaraan verbinden van conclusies, is overigens kenmerkend voor de hele nota.

Aanleiding tot het uitbrengen van het 32 pagina's tellende, ordelijk opgezette boekje, was voor de 10 opstellers het verzoek van de toenmalige partijvoorzitter, ds. Hovius, aan de leden van de kiesverenigingen om na te denken over de betrokkenheid van de vrouw bij de politiek. In het "Woord vooraf' wordt gezegd: "Als beginselpartij kan de SGP het zich niet veroorloven in deze kwestie geen Bijbels verantwoord standpunt in te nemen".

"Onduidelijkheid ten aanzien van deze kwestie veroorzaakt innerlijke onzekerheid bij kiezers en partijleden en vertegenwoordigers in bestuursorganen".

Deze overwegingen kunnen van harte worden onderschreven en daarom is nagegaan of de nota aan deze hoge pretentie voldoet. Mede omdat op de themamiddag van de bezinningsgroep en de werkgroep "Bouwen" in Rotterdam op 4 september jl. het boekje werd geprezen als een "metterdaad Bijbels gefundeerde uiteenzetting" in tegenstelling tot de

brief van het hoofdbestuur van 22 juli jl., die slechts voor die gelegenheid bijeengezochte Bijbelteksten zou bevatten.

Lezing van het boekje heeft ons echter van geen van beide beweringen overtuigd. Het getuigt qua opzet en indeling van een behoorlijke studie, maar inhoudelijk is het zwak, vaak onjuist beargumenteerd en daardoor niet overtuigend.

Drie fundamenteel belangrijke dingen vallen op. 1. De schrijvers gaan in feite eraan voorbij dat de regeerambten (in kerk en staat) dateren van na de val. Artikel 36 wijst hier in het begin op. De regeerambten zoals die er nu zijn, zijn niet los te zien van de zondeval. God heeft die ambten onderworpen aan de straf die op de zondeval is gevolgd. Voor de verhouding man-vrouw geldt in verband hiermee: hij zal over u heerschappij hebben. Overal waar in deze wereld sprake is van regering - voornamelijk in kerk en staat - is dus sprake van een ondergeschikte positie van de vrouw.

2. De opstellers komen al interpreterend (op grond van 1. onjuist) en (dus verkeerd) concluderend daar waar zij bij voorbaat willen wezen, namelijk dat "de man weliswaar het primaat heeft, maar dat dit niet inhoudt dat de vrouw buitengesloten moet worden".

3. De aloude interpretaties worden niet weerlegd, maar omzeild en daaraan wordt voorbijgegaan.

Op beknopte wijze geven we daarvan een aantal voorbeelden: God schiep de mens naar Zijn beeld; mannelijk en vrouwelijk, waarbij de vrouw als een hulp tegenover de man, met de opdracht de aarde te vervullen en onderwerpen. Deze opdracht in Genesis 2 (dus voor de val) trekken de schrijvers in het gehele boekje door naar de regeertaak in kerk en staat, alsof er geen Genesis 3 is geweest, waarin God de vrouw een leidende plaats heeft ontzegd. Ook het huwelijksformulier wijst hier nadrukkelijk op.

Dit gevolg van de zondeval wordt veelal miskend. Met name ook door het feminisme. Het onbijbelse van het feminisme blijkt met name hieruit dat het deze uitspraak van God van zich werpt, er geen boodschap aan heeft. Daarom is het feminisme zo verfoeilijk. En een Gereformeerd feminisme bestaat echt niet! De kanttekenaren zeggen bij Genesis 3:16: "gij zult zoeken door zijn beleid geregeerd te worden. En hij zal macht hebben u te gebieden, dat uw vlees nu lastig zal zijn, daar het voor de val niet dan lieflijk was". De gezamenlijke taak uit Genesis 2 wordt na Genesis 3 dus niet op dezelfde voet voortgezet alsof de val en de gevolgen daarvan niet bestaan; de dooide zondeval erbij gekomen nieuwe regeertaken in kerk en staat worden de man toebedeeld.

De door de schrijvers aangehaalde voorbeelden die het tegendeel zouden bewijzen, hebben vrijwel alle geen betrekking op dit regeerambt: het aren lezen van Ruth, het erfrecht van de dochters bij ontstentenis van een man om het stamgebied bijeen te houden.

Wat betreft de deugdzame, ten voorbeeld strekkende, dus door allen na te volgen huisvrouw uit Spreuken 31 kan naar het vorige nummer van In het Spoor worden verwezen. Mirjan gaf leiding aan reizang; toen zij meer wilde, werd zij zwaar bestraft (Num. 17). Van Deborah wordt gezegd dat zij Israƫl richtte, dat is: des Heeren wil bekend maakte (Richt. 4:5), maar de eigenlijke richter was Barak; aan hem had God een opdracht gegeven (Richt. 4:6) en hij wordt in de rij in Hebr. 11 genoemd. Bathseba herinnerde slechts op het juiste moment David aan zijn besluit dat Salomo zijn opvolger zou zijn, maar toen zij met haar eigen geest te werk ging, zou zij het koninkrijk bijna in de handen van Adonia hebben gespeeld.

De schrijvers vinden het wel opvallend dat vrouwen nooit genoemd worden voor een priesterfunctie of als rechter, krijgsoverste of regerend vorst. Als een moeilijkheid hiervoor wordt de reinigingswetgeving genoemd. Zou het echter niet zo zijn dat het is omdat God het priesterambt beloofde aan de zonen van Aaron en het koningschap aan de zonen van David? De opstellers van de nota schrijven terecht dat in het Nieuwe Testament de vrouwen niet op een plekje ergens achteraf worden geplaatst. Christus sprak met de Samaritaanse vrouw, gaf de vrouwen opdracht Zijn opstanding te vertellen, Paulus had hulp van Phebe in de vorm van ziekenverzorgster of herbergster van de apostelen, van Euodia en Syntyche door-

dat zij samen met hem verdrukkingen verdroegen. Wij vermogen echter niet in te zien dat deze voorbeelden een bewijs zijn van een leidinggevende positie van de vrouw in kerk of staat. Evenmin in maatschappelijke posities door het enige door de schrijvers daarvan gegeven "bewijs" van Lydia de purperverkoopster.

Wanneer de schrijvers de verhouding man-vrouw in het huwelijk behandelen, wordt het gezagsverschil juist weer verkleinend voorgesteld. Onderdanigheid wordt gereduceerd tot "niet boven de man maar als gelijkwaardige, die tot hulp tegenover hem is". Bij Efeze 5:22, 21 wijzen de kanttekenaren echter niet op gelijkwaardigheid, maar dat de man Christus' beeld draagt in het regeren van de vrouw. Dat er een wezenlijk verschil is blijkt ook uit de vergelijking "gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is". Niemand zal toch durven stellen dat de gelovige op enigerlei wijze als gelijkwaardige een hulp tegenover Christus is!

Aan 1 Tim. 2 "Adam is eerst gemaakt, daarna Eva" en 1 Kor. 11 "de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw uit de man" ontlenen de opstellers dat "de man niet belangrijker is, maar de eerste onder gelijken", en had de naar Rome gekomen Phebe daar een bepaalde gezagspositie. Zie echter de kanttekeningen 8 en 3 bij Rom. 16 de verzen 1 en 2: de zaken die zij deed en te doen had, waren zieken verzorgen en apostelen herbergen.

Opgemerkt wordt dat de vrouw niet als oudste optreedt, maar dat verhindert de schrijvers niet om te concluderen dat de vrouw "samen met de man de haar door God opgelegde taken in gezin en gemeente (een dubbele taak dus! Is dat wel billijk? Moet het begrip huisman onder ons ook niet worden ingevoerd? ) "mag en moet" vervullen.

Volgens de opstellers is het niet "de emancipatiebeweging die ruimte voor de vrouw eist, maar de Schrift die ruimte aan de vrouw geeft". Dat onze Godzalige voorgangers in de partij dat niet hebben opgemerkt! "Dank zij" de emancipatiebeweging - "extern-maatschappelijke oorzaken" zeggen de schrijvers - "is onder ons nu echter beter nagedacht", zodat "thans Gods Woord onder ons de plaats kan krijgen die het toekomt". Een zeer ver gaande uitspraak, die wij niet gaarne voor onze rekening nemen.

Wij hopen met het vorenstaande voldoende te hebben aangegeven dat naar onze mening deze nota niet "de wijsheid is die van boven is", integendeel, aan hetgeen zo vaak diegenen wordt verweten die vast willen houden aan de beproefde beginselen van Gods Woord, namelijk de Schrift uitleggen naar eigen vooropgesteld idee, gaat de nota in ernstige mate mank. Een "metterdaad Bijbels gefundeerde uiteenzetting", hetgeen van de inhoud van de nota werd beweerd, wordt helaas niet geboden.

De strenge bevelen van Paulus, dien stichter en organisateur in de kracht des Heiligen Geestes van de eerste Christen-gemeenten, zijn bekend. Wel verre van de Oud-Testamentische bepalingen aangaande de vrouw, als louter wettisch en dus in het rijk der genade en in de Christelijke gemeente niet meer geldend, op te heffen, verscherpt hij ze op onverdachte wijze. Welke Christen zou het tegenwoordig wagen, wanneer het niet geschreven stond, te zeggen: 'Gij vrouwen! weest aan uwe eigene mannen onderdanig, gelijk aan de Heere!' (Efeze V:22), en als rotsen zet hij de woorden neer: 'Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij leere, noch over den man heersche, maar wil, dat zij in stilheid zij' (! Tim. 11:12). 'Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen: want het is haar niet toegela ten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. Want het is schandelijk voor eene vrouw, in de vergadering te spreken' (Grondtekst 1 Corinthe XIV:34 en 35). Deze zijne zienswijze en bevelen grondt Paulus niet op eene verwijzing naar de toenmalige toestanden of naar Romeinsche, Grieksche en Joodsche zeden, doch daarop, dat de vrouw niet eerst, maar na den man, en dat niet de man terwille van de vrouw, maar de vrouw terwille van den man geschapen werd; en eindelijk dat 'Adam niet verleid is geworden, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.' - Is dat op den huidigen dag minder waar dan destijds?

-F. Bettex, Natuur en Wet, z.j. p. 344-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1993

In het spoor | 44 Pagina's

BEZONNEN OF VERZONNEN?

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1993

In het spoor | 44 Pagina's

PDF Bekijken