Bekijk het origineel

ACTUALITEITEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ACTUALITEITEN

12 minuten leestijd

ACTUALITEITEN Van historische kanttekeningen voorzien

De SGP haalt dr. Abr. Kuyper links in!

Het laatste nummer van de GezinsGids in 1998 bevatte een artikel waarin op het begrip 'gezin' in de politieke praktijk van vandaag werd ingegaan. Dat artikel was in feite een weerslag van het gesprek dat de schrijver van dat artikel gevoerd had met mr. G. Holdijk, lid van SGP-fractie in de Eerste Kamer en medewerker van de SGP-fractie in de Tweede Kamer.

Uit de inleiding van dat artikel blijkt dat het vorige paarse kabinet onder het begrip 'gezin' verstond: "elk leefverband van één of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van één of meer kinderen". Deze definitie is zodanig ruim dat zelfs een homo of lesbisch paar met één of meer kinderen als een gezin wordt aangemerkt. Het zal duidelijk zijn dat zo'n ruim gezinsbegrip niet strookt met een Bijbels zicht op huwelijk en gezin. In de jaren zestig en zeventig, toen de eerste stappen op weg naar een ruimer gezinsbegrip werden gezet, stemde de SGP dan ook tegen die voorstellen die uitgingen van zo'n ruim gezinsbegrip. Dit consequent tegenstemmen acht mr. Holdijk echter nu niet meer verantwoord. We zullen hem hierover zelf aan het woord laten:

"Laat ik zeggen, politiek gesproken - en 'politiek' met een dikke streep eronder - denk ik dat we vandaag niet anders kunnen dan dit ruimere begrip 'gezin' aan te houden. Als het gaat om de politieke aandacht voor gezinsverhoudingen - en daarmee bedoel ik met name verhoudingen tussen ouders en kinderen - is het, gegeven de huidige stand van zaken in onze samenleving en de samenlevingspatronen die je daarin tegenkomt, denk ik niet meer verantwoord om gezinsverbanden, die niet als kern het huwelijk hebben, volstrekt te negeren. (..) Als je vandaag tegen élke regeling zou zijn waarin, expliciet of impliciet, wordt uitgegaan van dit ruime gezinsbegrip, dan blijft er weinig over waar je vóór zou kunnen zijn. (..)

Je moet hier gewoon zeggen dat de feiten zozeer de hoofdrol zijn gaan spelen, dat de normen zijn bijgebogen, zijn bijgesteld. Hoewel wij als SGP nooit een pleidooi zullen voeren voor aanpassing van de normen op zich - integendeel zelfs - komen we wel keer op keer te staan voor de vraag, hoe wél te opereren. (..) Ik denk dat de beschermwaardige positie van de kinderen voorop moet staan. Dat part, dat aspect van zo 'n 'gezin' kun je als wetgever niet maar laten, dat erkennen we niet, dus ze zoeken het zelf maar uit. Als de belangen van kinderen in het geding zijn, moeten óók homoparen op hun verantwoordelijkheden kunnen worden aangesproken. Je kunt niet zeggen, omdat we de relatie van de ouders niet willen honoreren laten we ook de positie van de kinderen in de verhouding tot die ouders maar ongeregeld." 1 '

Wie schrikt niet van zo'n stellingname? Zo'n regeling ter wille van de kinderen waarop mr. Holdijk hier doelt, is in wezen toch niets anders dan een bekroning van gruwelijke zonden? Op deze wijze integreert en legaliseert men de onbijbelse samenlevingspatronen in de maatschappij. Meewerken aan dergelijke noodmaatregelen maakt ook het protest tegen die onbijbelse samenlevingspatronen ongeloofwaardig. Het is dan ook onbegrijpelijk dat SGP-senator Holdijk hierin meegaat.

Dr. Abr. Kuyper liet in 1917 in een situatie die weliswaar niet geheel, maar wel in grote lijnen vergelijkbaar was, een geheel ander geluid horen. Hij stelde zichzelf de volgende vraag:

"Ligt het nu, zoo sta hier de gewetensvraag, ligt het nu op den weg van wie zich aan Gods Woord bindt, om voor zulk een demoralisatie van de saamleving uit den weg te gaan, en met oog daarop onze staatkundige rechtsverhoudingen in te richten " ? 2 '

Zijn antwoord luidde, kort samengevat: geen inschikkelijkheid betrachten, maar het uitgebroken kwaad in de wortel aantasten!

Hier bracht men echter tegenin: "...alles goed en wel, doch dien innerlijk bedorven en gedemoraliseerden toestand kimt ge niet op slag en stoot omzetten, en daarom moet wel voorshands de toevlucht genomen tot een noodmaatregel".

Kort maar krachtig reageerde dr. Kuyper hierop. Hij antwoordde dat: "een noodmaatregel die 't kwaad bestendigt, ja, zelfs kroont, en daardoor aanmoedigt, onder geen voorwaarde ooit toelaatbaar of voor verdediging vatbaar is"!

Dat is andere taal! Kennelijk heeft de SGP op dit punt dr. Kuyper links ingehaald!

Ds. W. Silfhout en een leugen om bestwil

In het vorige nummer van dit blad was een artikel opgenomen over de zogenaamde noodleugen, ook wel 'een leugen om bestwil' genoemd 35 . In dat artikel werd het gebruiken van een noodleugen op grond van de Schrift als zonde veroordeeld. Nu was het geenszins de bedoeling om hier nogmaals op in te gaan, ware het niet dat ds. W. Silfhout onlangs in een artikel in de GezinsGids het tegenovergestelde beweerde 4 '. De directe aanleiding voor zijn artikel vormde een brief van een lezer. Die lezer reageerde op een eerder verhaal in de GezinsGids over een zekere Gert, de vader van een gezin, die in zijn huis een jodenmeisje verborgen had. Deze Gert nam zijn toevlucht tot een noodleugen toen Duitse soldaten, kennelijk door een verrader ingelicht, zijn woning binnenstormden en aan hem vroegen: "Waar is die vuile jodin? " Hij antwoordde daarop: "Wij een jood in huis? U bent vast en zeker verkeerd ingelicht! Zoekt u maar, in mijn hele huis zult u niemand anders vinden dan mijn vrouw en ons dochtertje." Deze noodleugen van Gert, die ten doel had het leven van het jodenmeisje te redden, werd in het vervolg van het verhaal als geoorloofd verdedigd. De briefschrijver kon zich hiermee niet verenigen. Hij voerde onder meer aan dat we niet mogen kiezen tussen twee zondige kwaden "omdat we de zonde van harte vijand moeten zijn". Ds. Silfhout neemt het in zijn artikel echter voor Gert op. Ter verdediging van noodleugens die ten doel hebben het leven van zijn naaste te redden, beroept hij zich met name op een aantal voorbeelden uit de Schrift waar van een noodleugen sprake is. We laten hem zelf aan het woord:

"Nu is het niet van het eerste belang hoe 'men' tegen deze dingen aankijkt, maar het gaat er vooral en primair om hoe Gods Woord over de noodleugen spreekt. Waar in de Bijbel van de noodleugen gebruik wordt gemaakt, lezen we nergens een veroordeling van deze leugen. De vroedvrouwen in Egypte Sifra en Pua worden zelfs door de Heere gezegend. In Exodus 1:20 lees ik dat de Heere aan de vroedvrouwen goed deed. Rachab de hoer gebruikte ook een noodleugen om het leven van de verspieders te redden (Jozua 2). Andere voorbeelden zijn die van Jaël en Sisera (Richteren 4) en de vrouw die Jonathan en Ahimaaz verborg en vervolgens de knechten van Absalom met een leugen de verkeerde kant opstuurt (2 Samuël 17)."

Ds. Silfhout stelt hier dus in feite dat wij ons op de handelwijze van deze mensen mogen beroepen, omdat hun handelwijze in de Bijbel niet veroordeeld wordt. Dit is echter niet juist, want we mogen ons ter navolging alleen op die voorbeelden in Gods Woord beroepen "die Godt prijst ende voor goet kent", zoals Voetius in zijn Catechisatie 5) opmerkt.

Ds. W. Silfhout meent dat dit het geval is bij de vroedvrouwen. "De vroedvrouwen in Egypte Sifra en Pua worden zelfs door de Heere gezegend. In Exodus 1:20 lees ik dat de Heere aan de vroedvrouwen goed deed", zo schrijft hij. Doch de kanttekenaren tekenen hierbij aan dat God de vroedvrouwen goed deed "niet om eenige leugen, maar omdat zij God vreesden en de kinderkens lieten leven". Dit leidden zij onder meer af uit het volgende vers, waar staat: En het geschiedde, dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij hun huizen (Ex. 1:21). De noodleugen van de vroedvrouwen werd dus niet door God gezegend!

God kon met eerbied gesproken de noodleugen van de vroedvrouwen niet zegenen 6 ', want iedere leugen, in welke omstandigheden dan ook gesproken, is in strijd met de natuur van God. God is waarheid en Hij kan Zichzelf niet verloochenen! Iedere leugen, ook al is het onze bedoeling om daardoor onze naaste te redden, is dus zonde. En wij mogen nooit een zonde doen opdat het goede eruit voortkome (Rom. 3:8). Zelfs voor de zaak Gods mogen wij niet liegen zoals blijkt uit Job 13:7, laat staan dan om een mens te bevoordelen!

Kortom, op grond van de Schrift moet het gebruik van een noodleugen worden afgewezen. Noodleugens van Bijbelheiligen waarvan ds. Silfhout er enkele genoemd heeft, worden in Gods Woord nergens goedgekeurd. Zij dienen aangemerkt te worden als zwakheden en gebreken in de heiligen en die mogen wij nooit navolgen. Op die lijn zitten ook vrijwel alle Gereformeerde theologen uit de tijd van de Reformatie en Nadere Reformatie.

Tegenover Gerts noodleugen kan met recht het voorbeeld gesteld worden dat Augustinus aanhaalt in zijn verhandeling over de leugen. Augustinus wijst in die verhandeling de lezer op een zekere Firmus, Bisschop van Tagasten, die een man verborgen had die gezocht werd door de ambtenaren van de keizer om hem in de gevangenis te zetten. Toen deze bisschop ondervraagd werd, kon hij met een leugen zich uit de moeilijkheid redden en de man behouden die zich onder zijn bescherming bevond. Hij verklaarde echter ronduit dat hij niet mocht liegen, noch de schuilplaats van de man ven-aden. Toen legde men hem op de pijnbank, maar hij doorstond alle folteringen met een wonderlijke standvastigheid. Daarop bracht men hem voor de keizer, die, hoe heidens hij ook was, zich over de onverzettelijkheid van die heilige bisschop verwonderde en genade bewees aan de man die door de bisschop beschermd was. 7 '

Een sprekend voorbeeld, maar wie van ons zal staande blijven als wij in zo'n situatie geplaatst zouden worden? Niet voor niets schreef Calvijn met het oog daarop:

"laten wij God dan bidden, dat als een bekommernis ons kwelt of vrees terneerslaat, Hij ons de geest der onderscheiding en van gezonde raad schenkt, en laten wij tot Hem alleen opzien, van Hem alles wat nuttig is verwachtend, opdat wij welke gevallen zich ook voordoen, waarheid en gerechtigheid zonder de voet te stoten volgen." 8 '

De reden waarom we zo uitvoerig op deze zaak zijn ingegaan, is dat sommigen binnen de SGP iedere strohalm aangrijpen om 'het kiezen tussen twee zondige kwaden' en 'het gebruik van onwettige middelen ten bate van een goed doel' te rechtvaardigen. Men schroomt bijvoorbeeld niet om een situatie als bij Gert, die naar men meent niet om een noodleugen heen kon, te gebruiken als bewijs dat het geoorloofd is een vrouw op de gecombineerde Euro-lijst toe te laten als daardoor de samenwerking tussen SGP, RPF en GPV gered kan worden en zo één of meerdere vertegenwoordigers van die partijen in het Europees Parlement zitting kunnen nemen. Omdat we geen zonde mogen doen opdat het goede eruit voortkome (Rom. 3:8), dient echter, evenals Gerts noodleugen, het in bijzondere situaties toelaten van vrouwen op gecombineerde kandidatenlijsten Bijbels gezien van de hand gewezen te worden. Rom. 3:8 wordt echter door de SGP niet serieus genomen. Het resultaat hiervan is dat binnenkort D.V. alle Nederlanders een gecombineerde Euro-kandidatenlijst van SGP, GPV en RPF onder ogen krijgen die uitstraalt dat een vrouw een taak en roeping heeft in de actieve politiek, ja zelfs in internationale verbanden! Wie wil nu voor zo'n lijst nog propaganda maken? En des te meelis het een reden om bij de aanstaande Europese verkiezingen niet te stemmen! Het beginsel laat het niet toe!

Noten:

1) A. de Heer jr., "Fundamenten? Over het gezin in politieke zin", in: de GezinsGids, 31 december 1998 2) A. Kuyper, "Het Vrouwenkiesrecht voor Gods Woord", in: de Standaard, 23 juni 1917 3) "Ds. J. d'Outrein en de noodleugen", in: In het Spoor, december 1998 4) W. Silfhout, "Gerts keuze. Een leugen om bestwil? ", in: de GezinsGids, 14 januari 1999

5) G. Voetius, Catechisatie, dl. 2, 1890, p. 1079, 1080 6) Of de vroedvrouwen werkelijk een leugen gesproken hebben, trekt ds. Matth. Henry, en meerderen met hem, in twijfel (Verklaring van het Oude Testament, dl.1, 1995, p. 290). Eveneens twijfelt hij eraan of erbij Jaël (Richteren 4) sprake is van een noodleugen. In Richteren 4 vers 17 lezen we: Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet... en in vers 18: Jaël nu ging Sisera tegemoet en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet. Hij week tot haar in. Zij gaf hem te drinken en dekte hem toe. Maar toen hij sliep sloeg zij een pin door zijn hoofd. Ds. Silfhout gaat er kennelijk vanuit dat haar nodiging: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet een noodleugen geweest is. Ds. Matth. Henry acht het echter "zeker wel de vraag, of zij reeds dadelijk voornemens was hem het leven te benemen, of dat God het haar later in het hart gaf'. (..) "Jaël betoonde hem de goedheid eener vriendin, en wellicht heeft zij op dat oogenblik ook niets anders dan vriendelijkheid bedoeld, totdat God door een onmiddellijke werking of aandrift in haar hart (..) haar neigde om gansch anders te handelen." (Verklaring van het Oude Testament, dl. 2, 1995, p. 147 en 156)

7) Genomen uit: B. Pictet, De Christelyke Zedekunst, ...., vertaald door F. Halma, dl. 2, zesde boek, 1780, p. 553 8) J. Calvijn, Verklaring van de Bijbel. I Samuël, dl. 2, 1996, p. 267

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 1999

In het spoor | 44 Pagina's

ACTUALITEITEN

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 1999

In het spoor | 44 Pagina's

PDF Bekijken