Bekijk het origineel

PLANTENZIEKTEN EN GEWASBESCHERMING -2-

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PLANTENZIEKTEN EN GEWASBESCHERMING -2-

17 minuten leestijd

In het licht van Gods Woord bezien

Inleiding

Wij eindigden de vorige maal met de uitspraak van de Heere bij de profeet Hoséa: Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld (Hos. 6:7). De Heere wijst altijd terug naar de plaats waar wij ontrouw geweest zijn, teneinde ons te overtuigen hoe dwaas het is Hem te verlaten. De Psalmdichter zegt ervan: Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen (Ps. 32:5 ber.). Adam heeft trouweloos gehandeld tegen Gods verbond, dat de Heere zo goedgunstig met hem had opgericht. Voordat Adam in het Paradijs van God afviel en wij in hem, was alles volmaakt en in harmonie, geen plant en geen dier was ziek. Daarbij willen we in dit artikel eerst stilstaan om vervolgens in te gaan op de gevolgen van onze val en hoe in Gods Woord over plantenziekten wordt gesproken.

De schepping was volmaakt

In het begin van de Bijbel lezen we hoe de Heere op de zesde dag alle grote en kleine dieren der aarde heeft geschapen: De aarde brenge levende zielen voort naar haar aard, vee en kruipend en wild gedierte der aarde naar zijn aard. En het was alzo. (...) En God zag dat het goed was (Gen. 1:25). Daarna schiep de Heere de mens op diezelfde dag naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis om heerschappij te hebben over al het geschapene, ook over de dieren, klein en groot, want staat er: En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en

vermenigvuldigt en vervult de aarde en onderwerpt haar en hebt heerschappij over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt (Gen. 1:28). Ook schikte de Heere Zelf aan ieder geschapen wezen zijn voedsel toe, opdat de een de ander niet zou benijden of beschadigen: En God zeide: Zie, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze. Maar aan al het gedierte der aarde en aan al het gevogelte des hemels en aan al het kruipend gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo (Gen. 1:29, 30). Hoe harmonieus, hoe vredig was het toen onder al het geschapene! Geen oorlog tussen mensen, geen strijd van de mens tegen het gedierte of van het gedierte tegen de mens, maar wederzijdse liefde en erkenning. Geen zuchten van het ganse schepsel tegen elkaar vanwege de dienstbaarheid der verderfenis, waar het nu aan onderworpen is en wat wij dagelijks ervaren. Er waren geen plantenziekten, er was geen gewasbescherming nodig, want God de Heere beschermde het ene schepsel tegen het andere door Zijn liefde en goedertierenheid uit te laten tot het geschapene. Ja, toen was het in waarheid: Ziet, hoe lief dat zij elkander hebben. Deze schepselen waren gewillig onderwoipen aan Adam, die door de Heere aangesteld was tot hun hoofd. Zij waren dienstbaar gesteld aan Adam én Eva, want die twee waren toen nog waarlijk één, in liefde tot God en in liefde tot het ganse schepsel Gods, klein en groot. Dit blijkt ook uit Genesis 1:31a, waar de Heere zegt: En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.

Schiep God in zes dagen alle organismen?

Menigeen vraagt zich nu af: zijn in die zes dagen dan alle schepselen, klein en groot, geschapen? Ook die organismen die ziekten bij mens, dier en plant veroorzaken? Och, geliefde lezer, vragen opwerpen tegen Gods Woord dat doet Satan nog altijd, gelijk hij ook bij Eva deed, toen hij tot haar zei: Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs (Gen. 3:1a)?

Nadrukkelijk wijzen wij u erop dat God gezegd heeft: Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir (Gen. 2:1). Dat is: alle levenloze en levende schepselen zijn op een enkel machtswoord van de Heere voortgebracht; of uit niets of uit het door God geschapen stof. Zo werd de mens voortgebracht uit het stof der aarde. Ook het kleine en geringe, het niet of nauwelijks zichtbare, waardoor Hij grote zaken kan werken en gehele volkeren kan straffen, zoals virussen, bacteriën en schimmels zijn toen geschapen. Ook de dierlijke organismen zoals luizen, sprinkhanen en rupsen, en alle andere kleinere en grotere, kruipend en vliegend gedierte, tot de vogels toe zijn door God geschapen en op de aarde gesteld om hun werk te doen in dienst van hun Schepper en tot nut en verlustiging van de mens.

Onze val is de oorzaak van alle ellende

Was vóór de val dus alles in harmonie en waren plant en dier - in opdracht en tot verheerlijking van hun Schepper - onder andere dienstbaar tot welzijn en verlustiging van de mens, na de val is die harmonie diepgaand verstoord en zijn plant en dier in zekere zin - ook in opdracht en tot verheerlijking van hun Schepper - gekeerd tegen de mens en de mens tegen hen! Laat er dus onder ons geen twijfel zijn waar de oorzaak ligt van alle ellende op deze aarde! Door de val van de mens is alles in disharmonie geraakt, zucht het ganse schepsel en is te zamen als in barensnood tot nu toe (Rom. 8:22).

God had de mens verboden om te eten van die ene boom, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten: want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen. 2:16-17). De mens heeft echter God niet in erkentenis gehouden, zoals Genesis 3 ons leert. Hij is op aanraden des duivels moed- en vrijwillig van God afgevallen. Daarom is Adam, ons verbondshoofd, uit het Paradijs verdreven. Daardoor is hij in een nameloze ellende gestort en heeft hem de Heere het koningschap over de aarde ontnomen. God sprak tot hem: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens (Gen. 3:17b).

Die vervloeking van het aardrijk openbaart zich onder meer daarin dat na de val ook de planten aan ziekten en plagen onderworpen zijn! En wat onder meer die smart inhoudt, wordt ons duidelijk gemaakt in de daaropvolgende verzen: Ook zal het u doornen en distelen (onkruiden!) voortbrengen, en gij zult het kruid des

velds eten (dat was eerst niet tot voedsel voor de mens gegeven, maar voor de dieren; Gen. 1:29-30). In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren (Gen. 3:18-19).

In onze val ligt dus de oorsprong van de plantenziekten en ook de noodzaak tot gewasbescherming, want als God het gewas nu niet beschermde, dan zou er door de uitwerking van de vloek geen eten voor de mens meer kunnen groeien. Dat is gewasbescherming van de eerste rang.

Niet te evenaren door de middelen welke wij bedenken en die zich zo menigmaal tegen ons keren!

De zonde heeft een doorwerkend karakter

Ook blijkt het doorwerkend karakter van de zonde en de vloek daarover in de straf die de Heere uitspreekt over Kaïn als hij zijn broeder Abel doodgeslagen heeft. De Heere straft hem op deze gruwelijke broedermoord onder meer in het werk zijner handen, zeggende: En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen. Als gij den aardbodem bouwen zult (hij was landbouwer en Abel schaapherder), hij zal u zijn vermogen (dat is de opbrengst die er nochtans was na de val onder Gods zegen op het houden van Zijn geboden) niet geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde (Gen. 4:11-12).

Eveneens zien we dat de Heere vanwege de zonden en ongerechtigheid van de eerste wereld bijna alle leven op aarde door water heeft doen vergaan. Na de zondvloed richtte God met Noach en zijn nakomelingen, en in zekere zin met de gehele schepping, een verbond op dat Hij niet nogmaals alle leven op de aarde zou verderven: Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht niet ophouden (Gen. 8:22).

Waarom niet? Om Gods eer en der uitverkorenen wil, want: Hij zocht een zaad Gods om Hem eeuwig te verheerlijken!

Voorbeelden van plantenziekten uit Gods Woord

Vele voorbeelden van plantenziekten worden in Gods Woord genoemd zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. We zullen ons voornamelijk beperken tot het Oude Testament.

In het begin van het boek Exodus (hfdst. 7-12) vinden we de bekende 'tien plagen' over Egypte beschreven. Met betrekking tot ons onderwerp willen we u met name wijzen op de zevende en achtste plaag. Als zevende plaag zond de Heere namelijk een zware hagel in Egypteland, waardoor een groot deel van het veldgewas en de boomvrucht vernietigd werd, maar niet in het land Gosen, want de Heere begon een scheiding te maken tussen die twee volkeren omdat Hij Israël had verkoren om Zijn volk te zijn. Vervolgens liet de Heere een sprinkhanenplaag volgen. Die sprinkhanen aten al het kruid des lands op en al de vruchten der bomen, die de hagel had overgelaten (Ex. 10:15b).

In deze en de andere plagen over Egypte komt tot uiting hoe streng de Heere de onderdrukkers van Zijn volk straft. Daarom, geliefde lezer, als een volk of een persoon genade in de ogen des Heeren mag hebben gevonden, blijf er dan van af en doe het of hem geen kwaad, opdat de toorn en wraak des Heeren u niet zullen treffen. Paulus zegt: Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is cle wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen (Hebr. 10:30)!

Nog een voorbeeld: de wormen erin!

Velen van u zullen weten dat granen niet alleen op het veld door allerlei plaagorganismen aangetast kunnen worden, maar ook op de plaatsen waar deze opgeslagen worden als de oogst heeft plaatsgevonden. Een wel heel bijzonder voorbeeld daarvan vinden we beschreven in Exodus 16.

De Heere gaf de Israëlieten in de woestijn niet alleen water uit de rotssteen, maar ook hemels brood, het man of manna genaamd, dat 's nachts als dauw op de aarde

viel in het leger van Israël en wat geleek op korianderzaad en zoet was als honingkoek. Mozes beval hun dat ze daarvan niet zouden overlaten tot de morgen, want de Heere gaf het zes dagen lang iedere dag vers. Doch zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot den morgen. Toen wiesen er wormen in en het werd stinkende; dies werd Mozes zeer toornig op hen (Ex. 16:20).

De Heere gebood dat ze op Zijn sabbat zouden rusten. Op de zesde dag zouden zij dubbel vergaderen, voor de sabbat erbij: En al wat overblijft, legt het op voor u in bewaring tot den morgen. En zij legden het op tot den morgen, gelijk als Mozes geboden had; en het stonk niet en er was geen worm in (Ex. 16:23b-24). Kennelijk beschermde de Heere het korianderzaad tegen bederf!

Overigens, hoe wonderlijk toch spijsde de Heere in de woestijn het volk Israël, gelijk een zeker onbekend dichter treffend zegt:

O wonderbare God! Die zoveel volk kan spijzen, In het onvruchtb're land, in 't woeste, dorre plein, Waar niet en wies noch was, wie kan genoeg U prijzen ? Dit overgroot getal is hiertoe veel te klein.

Maar hoe hardnekkig bleek dat volk van Israël te zijn, gelijk ook wij, want er staat zo: En het geschiedde aan den zevenden dag, dat sommigen van het volk uitgingen om te verzamelen; doch zij vonden niet. Toen zeide de Heere tot Mozes: Hoe lang weigert gijlieden te houden Mijn geboden en Mijn wetten (Ex. 16:27- 28)?

Misoogsten zijn straffen op de zonde

De mens zondigt echter niet goedkoop, o neen! Luister maai- wat Mozes uit Gods Naam op een andere plaats zegt tot het volk van Israël om het te waarschuwen: Daarentegen zal het geschieden, indien gij der stem des HEEREN uws Gods niet zult gehoorzaam zijn om waar te nemen dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied; zo zullen al deze vloeken over u komen en u treffen. (...). De HEERE zal u slaan met tering en met koorts en met vurigheid, en met hitte, en met droogte en met brandkoren en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt. (...). Gij zult veel zaad op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren. (...). Uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen. (...). Al uw geboomte en de vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten (Deut. 28:15-42).

Misoogsten in Kanaan door rupsen, sprinkhanen, grote droogte of donder- en hagelbuien waren dus, zowel als thans, een antwoord van de Heere op de zonden van de Israëlieten; om hen te straffen (de goddelozen onder hen) of te kastijden (de Zijnen onder hen) op hun zonden.

Hierdoor werden zij, evenals wij nu, opgeroepen weder te keren tot de Heere, hun Schepper en Formeerder!

Het bestrijdingsmiddel

Het voornaamste middel ter bestrijding van een plaag - zonder daarmee overigens het gebruik van andere middelen ter bestrijding uit te sluiten - is dan ook boetedoening en berouw en breken met de zonden. Duidelijk komt dit tot uiting in het gebed van Salomo tijdens de inwijding van de Tempel te Jeruzalem. Luistert u maar: (...). Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zij in deze plaats bidden en Uw Naam belijden en van hun zonde zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben, hoor Gij dan in den hemel en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israël, als Gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in denwelken zij wandelen zullen, en geef regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.

Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land zijner poorten hem belegeren zal, of enige plaag of enige krankheid wezen zal; alle gebed, alle smeking, die van enig mens, van al Uw volk Israël geschieden zal, als zij erkennen, een ieder de plaag zijns harten, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal, hoor Gij dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef en doe, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen; opdat zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land dat Gij onzen vaderen gegeven hebt (1 Kon. 8:35-40). Waarop pleit hier Salomo? Op des Heeren soevereine, vrije welbehagen en verkiezing van Israël van eeuwigheid, zeggende: Want Gij hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd uit alle volken der aarde, gelijk als Gij gesproken hebt door den dienst van Mozes, Uw knecht, als Gij onze vaderen uit Egypte uitvoerdet Heere HEERE (1 Kon. 8:53). God had Israël lief, daarom dreef Hij de Kanaanieten uit het land en plantte Zich een wijngaard daarin, namelijk Zijn volk Israël. God beschermde Zijn wijngaard tegen droogte, hagel, ziekten en allerlei insectenplagen. Hij gaf vele

geestelijke en natuurlijke zegeningen aan Zijn wijngaard. Hoelang? Zolang zij de Heere gehoorzaamden en wandelden in Zijn geboden! In Psalm 81:15 en 18 (ber.) wordt er zo waarschuwend van gezongen:

Och, had naar Mijn raad Zich Mijn volk gedragen! Och, had Isrels zaad Op Mijn effen paan IJv 'rig willen gaan, Naar Mijn welbehagen!

'k Had u dan tot spijs Vette tarw' doen groeien, En u, ten bewijs Hoe Ik u kon voên, Honigbeken doen Uit de rotsen vloeien.

De mens leefde toen meer afhankelijk

In de tijd van de Bijbel was er nog geen sprake van actieve gewasbescherming tegen onkruiden, insecten of schimmels, hetzij door chemische dan wel door biologische hulpmiddelen. Mede daardoor leefde de mens toen in het algemeen gesproken meer in afhankelijkheid van Zijn Schepper, Die alles in de weg Zijner voorzienigheid onderhoudt en regeert, gelijk de Heidelbergse Catechismus zo kostelijk uitdrukt in de tiende zondagsafdeling, vraag en antwoord 27:

"Vraag: Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods? Antw.: De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen."

Wij denken alles zelf te kunnen!

Als er nu plantenziekten uitbreken, kunnen wij vaak de Heere zo aan Zijn plaats laten. We denken het zelf wel te kunnen oplossen.

Het 'wereld-voedsel-vraagstuk', waarover wij vaak spreken, is dat niet een gedurige aanklacht vanwege onze trouweloosheid tegenover een getrouwhoudend Verbonds-God, Die nimmer laat varen de werken Zijner Goddelijke handen? Als wij ons met al onze problemen als een afgematte ziel die gans ontbloot is, tot de Heere zouden wenden, zou er dan geen oplossing voorhanden zijn?

O ja, geliefde lezer, luister maar naar de dichter van Psalm 114:4 (ber.): Beef, aarde, beef voor 's Heeren aangezicht, Voor Jakobs God, Die uit het eeuwig licht Zijn Isrel hulp wou zenden; Hij is 't, Wiens macht de rots verand'ren kon In enen vloed, den keisteen in een bron, Voor Isrels matte benden.

De Heere is almachtig. Alleen in Hem is zegen te verwachten, maar nimmer buiten Hem. Hij schenkt de Zijnen die zegen in en door Christus, om Hem te leren kennen als de Bronader van alle natuurlijke en geestelijke zegeningen voor tijd en eeuwigheid beide.

Onderwijzen

Speciaal in relatie tot de opvoeding van onze kinderen thuis en op de catechisatie, maar ook voor het onderwijs aan de scholen, van basisschool tot universiteit toe, willen we met betrekking tot ons onderwerp u nog wijzen op de woorden waarmee de profeet Joël zijn profetie begint, namelijk: Hoort dit, gij oudsten, en neemt ter ore, alle inwoners des lands. Is dit geschied in uw dagen of ook in de dagen uwer vaderen? Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht. Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten (Joël 1:2-4). De profeet zet er ons dus toe aan dat wij de bijzondere tekenen van Gods toorn die wij gezien en gehoord hebben, zoals plagen en pestilentiën, aan ons nageslacht vertellen, opdat het zal leren Hem gehoorzaam te zijn en ontzag te hebben voor God en Zijn oordelen! Ook ds. L.G.C. Ledeboer tracht ons daartoe te brengen als hij met betrekking tot de zevende plaag van Egypte dicht:

Water, aarde, lucht en vuur, Zijn gereed ter eiker uur, Hem te dienen in Zijn wegen, 't Zij tot oordeel of tot zegen! Zalig dien het brengt tot God, Wee die met Zijn oordeel spot!"

Ten besluite

In het Nieuwe Testament komen we verscheidene toespelingen op Gods voorzienigheid omtrent de vruchtbaarheid des lands tegen, doch dan vrijwel altijd in relatie tot de gerechtigheid geopenbaard in Christus' komst in het vlees. Al met al geeft de Bijbel ons dus meer informatie inzake ons onderwerp dan wij op het eerste gezicht zouden denken!

Eindigen we tenslotte deze tweede aflevering over plantenziekten en gewasbescherming met de veelzeggende woorden welke we lezen in de Openbaring aan Johannes: Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn. En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is. Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen (Openb. 22:18-21).

Noten:

1) L.G.C. Ledeboer, Enige gedachten over de tien plagen van Egypte, 1976, p. 15

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1999

In het spoor | 42 Pagina's

PLANTENZIEKTEN EN GEWASBESCHERMING -2-

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1999

In het spoor | 42 Pagina's

PDF Bekijken