Bekijk het origineel

KERK EN STAAT IN DUITSLAND NA DE REFORMATIE -1-

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KERK EN STAAT IN DUITSLAND NA DE REFORMATIE -1-

4 minuten leestijd

Inleiding

In ons vorig artikel "Kerk en staat tijdens de Reformatie" zagen we hoe de Reformatie ook met betrekking tot de taak en roeping van de overheid Gods Woord als grondslag nam. Evenwel werd in Duitsland het gezag van de kerk min of meer aan de landsheren geschonken, aangezien er zich vraagstukken voordeden waarbij de overheid alleen een oplossing zou kunnen bieden. De verzoeken om in te grijpen in geestelijke zaken leidden er langzamerhand toe dat de landsheer zichzelf ging beschouwen als opperbisschop in de Evangelische (Lutherse) kerk. In 1529 werd de kerk der Reformatie van hun wil afhankelijk gemaakt. Weliswaar leerde de Reformatie dat een van de eerste plichten van een burgerlijke overheid was zich met de Godsdienst te bemoeien, maar nu kwam de leiding over en in de kerk in handen van afzonderlijke vorsten en ging het onderscheid tussen het geestelijk en wereldlijk recht ontbreken zodat kerkelijke overtredingen met wereldlijke straffen werden gestraft. De leraars (predikanten) hadden slechts een raadgevende stem of hoogstens één stem in het kapittel, mits ze lid waren van de landsheerlijke consistories of raden.

Het duurde tot 1648 eer aan Luthersen en Gereformeerden dezelfde rechten werden verleend. Dit geschiedde door de zogenaamde Westfaalse Vrede, die te Münster gesloten werd. Bij eventuele wisseling van landsheer behield men die rechten. Zodoende kreeg de Evangelische (Lutherse) kerk een vaste staatsrechtelijke grondslag.

Op de Rijksdag was er bij de behandeling van Godsdienstige kwesties sprake van Corpus Catholicum en Corpus Evangelicum. Staatsrechtelijk stonden de roomsen, luthersen en Gereformeerden gelijk (voor de Joden golden andere bepalingen), maar de landsheer bleef wel beslissen: wie van de drie? Zelfs was er toen sprake van "Reformatorisches Recht".

Karei V

Op de rijksdag van 1529 te Spiers werd onder andere vastgesteld dat er geen nieuwigheden meer mochten worden ingevoerd. De roomse partij deed strenge voorstellen, maar de lutherse vorsten (onder anderen de keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen) lieten Melanchton een geschrift over de lutherse leer inleveren. Tevens was het een soort protest tegen de roomse voorstellen met als gevolg dat vanaf die tijd de niet-roomsen 'protestanten' werden genoemd.

Voor de Duitse keizer verloren deze geschillen eventjes hun betekenis toen de Turken zich voor Wenen legerden.

Ook de oorlog met Frankrijk belette hem krachtig op te treden tegen de protestanten. Wel kreeg Karei V onverwachts steun van een afvallige protestant, namelijk Maurits van Saksen. Die had uit haat tegen zijn neef, Johan Frederik, de protestantse kant verlaten.

Na het beleg van Wenen trokken de Turken af. Voor deze verlossing werden dankgebeden opgezonden. Na dit alles kwam het door de dreigende toon van de keizer tot het 'Smalkaldisch Verbond' (1530).

Zestien jaar later brak de Smalkaldische Oorlog uit. De afval van Maurits was verpletterend, maar het leven van de keizer was ook niet zeker. Maurits verbond zich met de koning van Frankrijk. Dat was een oude vijand van de keizer. Deze sloot vrede met Maurits en de protestantse vorsten. Nu kon het protestantisme in Duitsland zich uitbreiden. Over de keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen werd de ban door Karei V uitgesproken. Hij nam ze gevangen. Om er iets van te begrijpen, moeten we weten dat de landgraaf de schoonvader van Maurits van Saksen was.

Na de 'Vrede van Augsburg'

In 1555 werden in Duitsland de zaken omtrent de Godsdienst geregeld door de Godsdienstvrede van Augsburg. Er kwam niet alleen vrijheid van Godsdienst, maar ook politieke gelijkstelling met de rooms-katholieken. Op 8 mei 1558 kozen de keurvorsten Ferdinand tot keizer. Opmerkelijk was dat na deze gebeurtenissen in brieven, boeken en verslagen met geen woord meer gesproken werd over een oorlog om het geloof. Ook werd niet vermeld dat Maurits van Saksen bij een eventuele overwinning de keurvorstelijke waardigheid beloofd was".

Na de slag op de Muhlberg werd keizer Karei weer machtig en werd hij in zijn oude luister hersteld (1547). Maar met de paus kon hij het niet eens worden. Op de

bruiken en verbeterde het predikambt. Ook gebood hij onderwijs te geven uit de Catechismus.

De kerk moest wel veel van haar rechten afstaan. Zijn historieschrijver vermeldde in zijn boek De Gewoonte van de Christelijke Religie dat de soevereiniteit van de staat over de kerk nodig was ter bestrijding van de kerkelijke heerszucht en vrijheidszucht. Hij eiste daarom een door de staat zorgvuldig gecontroleerd kerkelijk leven. Geloofsdwang was bij deze schrijver in strijd met het natuurrecht. Daarmee zou de overheid haar bevoegdheid overschrijden. Echter, zonder geloof aan God en zonder natuurlijke godsdienst is geen staatsorde mogelijk! In de ogen van de schrijver had de overheid dan ook de plicht openbare Godloochening, Godslastering, afgoderij en duivelsverering te straffen.

Noten:

1) P. Rassov, Karei de Vijfde, 1962, p. 74 2) D.J. de Groot, De Reformatie en de staatkunde, 1955, p. 189 3) J.Th. de Visser, Kerk en Staat, dl. 1, z.j., p. 259 4) J.Th. de Visser, a.w., p. 261

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1999

In het spoor | 46 Pagina's

KERK EN STAAT IN DUITSLAND NA DE REFORMATIE -1-

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1999

In het spoor | 46 Pagina's

PDF Bekijken