Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

SGP-VROUWENLIDMAATSCHAP EN HET TONEEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

SGP-VROUWENLIDMAATSCHAP EN HET TONEEL

19 minuten leestijd

Inleiding

Een vreemde titel? Wat heeft SGP-vrouwenlidmaatschap nu met het toneel te maken? Op het eerste gezicht inderdaad helemaal niets, maar toch is er een verband. Voordat we echter daarop willen ingaan, zullen we eerst in het kort de geschiedenis van het SGP-vrouwenlidmaatschap ophalen en laten zien dat het vrouwenlidmaatschap niet in overeenstemming is met de Bijbelse gezagsverhouding tussen man en vrouw.

Geschiedenis

Vanaf de oprichting in 1918 tot 24 juni 2006 wees de SGP het vrouwenlidmaatschap af. Lange tijd is dit zelfs zo vanzelfsprekend geweest dat er niet eens aan gedacht is om dit standpunt concreet te verwoorden in de algemene statuten van de partij. Met name in de jaren tachtig van de vorige eeuw is door het over de schreef gaan van de SGP-kiesvereniging in Den Haag - die met medeweten van het SGP-hoofdbestuur (zie kader) vrouwen ging toelaten als lid, onder wie mevrouw H. Grabijn-van Putten - over dit standpunt binnen de partij discussie ontstaan.

Van het toenmalige SGP-hoofdbestuur was ds. H.G. Abma voorzitter, de heer C.G. Boender secretaris en de heer J. Pijl penningmeester. Alle drie waren dit voorstanders van het SGP-vrouwenlidmaatschap. Van hen was dus sowieso op dit punt geen krachtdadig optreden tot handhaving van dit beginsel te verwachten. In de periode dat ds. D. Slagboom voorzitter was (1985-1992), is de kwestie Den Haag en de discussie over het vrouwenlidmaatschap blijven voortsudderen. Vervolgens zijn in 1993 twee landelijke huishoudelijke vergaderingen over deze kwestie gehouden: Putten I en II. Door het hoofdbestuur werd toen erkend dat er fouten gemaakt waren. Op de beide vergaderingen wees de partij - tot blijdschap van de bezwaarden - het vrouwenlidmaatschap zonder meer van de hand.

Uit het feit dat het regeerambt Bijbels gezien toebetrouwd is aan de man, trok het hoofdbestuur en de partij namelijk terecht de conclusie dat een kiesvereniging daarom geen vrouwen als lid behoort toe te laten. De rechten en activiteiten van een lid van een kiesvereniging zijn immers niet los te zien van het regeerambt. Tot de regeertaken van een lid rekende het hoofdbestuur onder andere: het afgevaardigd kunnen worden naar hogere vergaderingen waaronder de algemene (huishoudelijke) vergaderingen, het recht om op de vergaderingen van de kiesvereniging en als afgevaardigde op hogere vergaderingen aan de besprekingen, discussies

en stemmingen deel te nemen, het kiezen van de leden van het hoofdbestuur, provinciaal bestuur en plaatselijk bestuur, het kiezen van de eerste kandidaat van de Tweede Kamerverkiezingen en het meehelpen aan het samenstellen van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraad.

Met het genomen besluit om geen vrouwen als lid op de kiesvereniging toe te laten, waren niet allen binnen de partij het eens. Tegenover hen die over dit besluit nog wat bleven namorren, beklemtoonde SGP-voorzitter ds. D.J. Budding namens het hoofdbestuur in De Banier van 21 oktober 1993 nogmaals dat:

.. als een vrouw ook onze partij wil besturen, als zij er daadwerkelijk invloed op wil uitoefenen door wie onze partij bestuurd wordt en wie door onze partij gekozen worden als vertegenwoordigers in de Tweede Kamer, dan oefent zij indirect zeker regeermacht uit. (...) Daarom is het besluit, vrouwen niet toe te laten als lid, een consequente toepassing van het Bijbelse principe dat het regeerambt niet aan de vrouw toekomt. Dit besluit heeft dus wel degelijk een Bijbelse basis".

Vervolgens werd daarom ook in 1996 bewust in artikel 4 van de algemene statuten van de SGP het woord 'mannen' opgenomen: "Leden van de partij zijn mannen die de grondslag en doelstelling van de partij onderschrijven. ..". Helaas zijn én het hoofdbestuur én de partij niet bij dit Bijbelse standpunt gebleven.

180 graden gedraaid

In de loop van 2006 is, zoals we weten, het SGP-hoofdbestuur met een voorstel naar buiten gekomen om vrouwen voortaan wel als partijlid toe te laten. Deze draai van 180 graden verdedigde het hoofdbestuur met het argument dat het regeerambt betrekking heeft op het publieke terrein, terwijl een politieke partij - in juridische zin althans - geen publieke, maar een privaatrechterlijke organisatie is. Dit zou volgens het hoofdbestuur betekenen dat het intern functioneren van een politieke partij niet tot het terrein van het regeerambt gerekend kan worden. Vanaf de oprichting in 1918 tot vorig jaar juni, bijna negentig jaar lang, had de SGP dit kennelijk verkeerd gezien! Na de lancering van zijn voorstel in april 2006 heeft het hoofdbestuur binnen de partij voor deze nieuwe zienswijze zeer actief propaganda gevoerd, waarbij op de keper beschouwd het RD het hoofdbestuur niet weinig geholpen heeft. Uiteindelijk is op 24 juni 2006 in een algemene huishoudelijke vergadering over dit voorstel gestemd. Nota bene drieënzeventig procent van de afgevaardigden stemde voor het voorstel van het hoofdbestuur. Daarmee was de openstelling van het partijlidmaatschap voor vrouwen een feit, althans in de landelijke statuten. Vervolgens moesten de statuten van de plaatselijke kiesverenigingen hiermee nog in overeenstemming gebracht worden. Inmiddels hebben al heel wat kiesverenigingen dit gedaan. Een beperkt aantal kiesverenigingen heeft besloten om toch het woord 'mannen' in hun statuten te handhaven. Naar we zo hier en daar vernomen hebben, lijkt het hoofdbestuur dit (vooralsnog) door de vingers te zien.

Bepalend voor het gehele maatschappelijke leven

Het is enerzijds onbegrijpelijk en anderzijds ook tekenend dat het SGP-hoofdbestuur feitelijk met zo'n simpel nietszeggend argument als dat een politieke partij in juridische termen een private organisatie is en daarom het functioneren in de partij niet tot het terrein van het regeerambt gerekend kan worden, heel veel partijleden die eerst tegen het vrouwenlidmaatschap waren, nu heeft kunnen overhalen. Dat een politieke partij juridisch als een private organisatie wordt gezien, heeft voor het beginsel weinig of geen betekenis. Voor het beginsel is veel meer van belang de vraag of er sprake is van gezagsuitoefening door vrouwen over mannen. Is daarvan sprake, dan behoort die functie of die positie in principe niet tot het terrein van de vrouw. Gezagsuitoefening van vrouwen over mannen strijdt immers met het Bijbelse gegeven dat de man het hoofd is van de vrouw. Doch ik wil dat gij weet dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus (1 Kor. 11:3). Uit de formulering in de grondtekst blijkt dat Paulus hier niet specifiek alleen de verhouding van man en vrouw binnen het huwelijk bedoelt, maar hij houdt het algemeen: het mannelijk geslacht is het hoofd van het vrouwelijk geslacht. Deze gezagsorde geldt dus voor het gehele maatschappelijke leven. Dit betekent concreet dat een vrouw niet alleen door zitting te nemen in raden en staten tegen deze orde ingaat, maar ook door het aanvaarden van bijvoorbeeld een managementfunctie in het bedrijfsleven, een directiefunctie in het onderwijs en een bestuursfunctie binnen een willekeurige vereniging (uitgezonderd dan een vereniging waarvan praktisch alleen vrouwen lid zijn). Zulke functies zijn voor de vrouw niet te rijmen met een Bijbelse houding van onderdanigheid ten opzichte van de man.

Ook het vrouwenlidmaatschap van de SGP valt daarmee om verschillende redenen niet te rijmen. Zoals we al aangehaald hebben, heeft ieder lid het recht en ook de taak om aan de besprekingen, discussies en stemmingen, kort gezegd: aan de besluitvorming, binnen de kiesvereniging en binnen de partij als geheel deel te nemen. In het bijzonder het deelnemen aan stemmingen is in de geschiedenis van de SGP altijd als een daad van regeren gezien. Daarom stond er en staat er nog in het beginselprogram van de SGP dat het vrouwenkiesrecht, zowel het actieve als het passieve, in strijd is met de roeping van de vrouw. In het nieuwe beginselprogram is dit wel dubbelzinnig geformuleerd, maar het staat er nog wel (zie kader).

Verder is het zo dat in principe ieder lid van de partij in het bestuur van een plaatselijke kiesvereniging en in de besturen van hogere organen binnen de partij gekozen kan worden en ook namens de kiesvereniging afgevaardigd kan worden naar hogere vergaderingen. Wanneer een gekozen lid nu een vrouw is, dan ontstaan er heel duidelijk gezagsverhoudingen die haaks staan op de Bijbelse orde. Een vrouw komt dan boven en over mannen te staan. Kortom, aan het lidmaatschap van een politieke partij is voor een vrouw onlosmakelijk verbonden dat zij gezag gaat uitoefenen over mannen en dat komt haar niet toe.

Politiek buitenshuis is voor de man

Dat het lidmaatschap van een politieke partij niet passend is voor de vrouw is ook als volgt in te zien: een politieke partij is een politieke organisatie die zowel intern als extern politieke beslissingen neemt en die alzo in haar geheel als partij een wezenlijk onderdeel vormt van het politieke stelstel ter besturing en regering van ons land en volk. Concreet betekent dit dat een vrouw die lid wordt van een politieke partij daarmee het terrein van het regeerambt betreedt en daarmee de haar van God gegeven plaats verlaat. Het zij hierbij ook opgemerkt dat de deugdelijke huisvrouw uit Spreuken 31 niet in de poort aanwezig was, noch adviserend noch besturend. Zij nam geen deel aan het politieke leven buitenshuis. Zij was met recht een huiswrouw. Niet in die zin dat zij zich niet op straat mocht vertonen zoals dat onder de mohammedanen wel voorkomt. Nee, maar zij zorgde voor haar huis, voor haar man en voor haar kinderen; de zorg voor haar huisgezin stond bij haar centraal, terwijl haar man - niet zij! - bekend was in de poort. Zo behoort het te zijn. Het politieke terrein buitenshuis is het terrein van de man. De man vertegenwoordigt daar als hoofd van het gezin mede zijn vrouw. Die lijn vinden we ook terug in artikel 8 van het SGPbeginselprogram waarin gepleit wordt voor "een organisch kiesrecht (...) dat rekening houdt met het gezin als cel van de samenleving". Dit kiesrecht roept sterke associaties op met het huism< ms'kiesrecht of gezinshoofdenkiesrecht, waarbij alleen gezinshoofden - mannelijke wel te verstaan - hun stem mogen uitbrengen.

Feitelijk is dus het besluit van de SGP om vrouwen als lid toe te laten ook in tegenspraak met haar eigen beginselprogram.

Spreken in openbare vergaderingen

In 1 Timotheüs 2:11-12 schrijft Paulus: Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil dat zij in stilheid zij. Paulus wil dus niet toelaten dat vrouwen "in de openbare vergaderingen" anderen leren of onderwijzen, gelijk hij ook uitdrukt in 1 Korinthe 14:34, waar we lezen: Dat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, dat is: "openlijk in de gemeente iets te leren of voor te stellen" (zie kanttekening 13), maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de Wet zegt. Het is haar bevolen onderworpen te zijn "aan de mannen, om van hen onderwijzing te ontvangen", aldus de kanttekenaren. Het spreken van vrouwen in openbare vergaderingen waarin ook mannen aanwezig zijn, acht Paulus kennelijk in strijd met de vereiste onderdanigheid van de vrouw aan de man. Waarom dan? Wel, "die een ander in openbare vergaderingen onderwijst, heeft daardoor enige autoriteit over of boven dengene die onderwezen wordt" (zie kanttekening 14). Een vrouw verheft zich dan door te spreken boven de ter vergadering aanwezige mannen en keert daarmee de door God gestelde gezagsverhouding tussen man en vrouw om. Maar... wil Paulus hier niet slechts het houden van een rede door een vrouw tegengaan of het optreden van een vrouw als predikante? Nee, want uit het volgende vers blijkt duidelijk dat Paulus ook in het algemeen het openlijk spreken en vragenstellen van vrouwen op openbare vergaderingen wil tegengaan. Hij schrijft namelijk in het 35 e vers: En zo zij iets willen leren, dat is, zo zij ergens in onderwezen willen worden (zie kanttekening 16), laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken.

Als nu Paulus zelfs al het spreken van vrouwen - in aanwezigheid van mannen - in openbare vergaderingen niet wil toelaten, hoeveel te meer zou hij dan niet het actief deelnemen van vrouwen aan de besluitvorming over allerlei politieke zaken en vraagstukken op de vergaderingen van een kiesvereniging hebben afgekeurd! En hoeveel te meer zou hij dan niet het zitting nemen van vrouwen in besturen van de SGP en van allerlei andere verenigingen en stichtingen - om daaraan mede leiding te geven - , hebben afgekeurd! Want daarbij is nog veel duidelijker sprake dat vrouwen over mannen gezag uitoefenen.

Sprekende vrouwen op het toneel

Onze Gereformeerde vaderen hebben aan de hand van Gods Woord met tal van redenen het toneelspel als ongeoorloofd afgekeurd. Eén van de redenen die zij tegen het toneel aanvoerden, was dat vrouwelijke toneelspelers door op te treden en te spreken voor een gezelschap van mannen en vrouwen de Bijbelse houding van onderdanigheid en eerbare schaamte die er bij vrouwen behoort te zijn, afleggen (zie ook kanttekening 18 bij 1 Korinthe 14:35). Hierop wijzen onder meer de Gereformeerde predikanten D. Amya, P. Hollebeek, G. de Mey, A. de Leonards, S. Borstius en R. Rulaeus, gedeputeerden van de synoden van Zuid- en Noord-Holland, in hun gezamenlijke werk, getiteld: Schriftuur- en redelijke bedenkingen over de huidendaagsche comediën (1682, p. 11). Zij merken op dat zo vrouwelijke toneelspelers - die op het toneel maar zeggen en uitbeelden "wat hun wordt voorgeschreven" tot onkuise liefde toe - "de regels van de vrouwelijke plichten in enige achting wilden nemen", dat is: met enige opmerkzaamheid wilden beschouwen, dat ze dan "daaruit zelf zouden leren dat er niets meer strijd met de stilheid die hun inzonderheid in openbare vergaderingen toekomt en zo hogelijk wordt aangeprezen (ziet 1 Kor. 14:34-35; 1 Tim. 2:9), dan deze hun onderneming" of optreden op het toneel. Let erop dat deze leraars hierbij uitdrukkelijk verwijzen naar 1 Korinthe 14:34-35. Dit doet ook prof. G. Amesius wanneer hij in zijn Vijfhoeken van de consciëntie (1896,

p. 360) tegen de toneelspelen aanvoert dat er vrouwen op het toneel worden gebracht "om de oneerbaarheid met onbeschaamdheid te vertonen, terwijl zij toch zelfs in de gemeenten zwijgen moeten (1 Kor. 14:34) en bedekt moeten worden (1 Kor. 11:10; Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil)".

En ds. G. Saldenus gaat in zijn werk De overtuigde Dina of korte en nodige waarschuwing tegen het gaan zien van spelen in de schouwburg zelfs uitvoerig op het aspect van het 'openlijk spreken van vrouwen op openbare bijeenkomsten' in. Zijn werk bestaat uit een samenspraak tussen een predikant (Apollos) en een jonge juffrouw (Dina) die aanvankelijk het toneelspel verdedigt. Ongeveer halverwege deze samenspraak laat ds. Saldenus Apollos en Dina het volgende zeggen (1996, p. 38-39; herspeld):

Apollos: "Maar het wordt tijd dat ik met mijn rede tegen de komedies voortga. En bij hetgeen reeds daarover werd gezegd, voeg ik nog dat die zowel tegen de eerbaarheid en ingetogenheid van een Christen als tegen zijn deftigheid en zedigheid botsen. Dit blijkt wel in het bijzonder hierin dat daarin niet alleen vrouwen worden vertoond, maar dat deze, die met schaamte behoorden bekleed te zijn, metterdaad optreden. Zij komen zeer vrijmoedig voor de dag, spelen hun rol, ja, durven zelfs lange redevoeringen [te] houden. Alles in lijnrechte tegenspraak met het woord van de heilige apostel die wil dat de vrouwen in de gemeente zwijgen zullen; 'want het staat lelijk', zegt hij, ' voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken'. Terecht hebben onze overzetters daarbij aangetekend dat zulks strijd met de eerbare schaamte die [er] bij de vrouwen behoorde te zijn. Dina: Maar Apollos, wat heeft deze uitspraak met de komedies te maken? Die is daarop toch niet van toepassing; de komedies zijn toch de gemeenten niet? Apollos: Dat is waar; zij staan er niet zozeer mee in verband. Maar als men de bedoeling van Paulus in deze uitspraak goed opvat, dan blijkt dat hij daarmee wil te kennen geven dat het strijdig is met de eerbare schaamte van de vrouw dat zij zich in zulk een grote vergadering van mensen in het openbaar laat horen. Ja, als de apostel wil dat de vrouwen in de 'gemeente' zullen zwijgen, hoeveel te meer zal het zijn wil zijn dat zij in de komedies niet spreken. Want strijdt het tegen haar eerbare schaamte wanneer een vrouw in het openbaar voor zulke lieden als er in de gemeente komen, spreekt, dan is het daarmee zeker in strijd, indien zij voor een gemengde verzameling van allerlei slag van mensen waaruit de komedie bestaat, het woord zou voeren.

Dina: Maar Paulus ziet in deze uitspraak toch niet zozeer op het spreken als zodanig? Doelt hij niet veeleer op het 'leren' in de gemeente door de vrouw, zodat hij niet wil dat de vrouwen in het openbaar in het prediken en onderwijzen zouden voorgaan? Apollos: Dat is niet juist gezien, Dina. Want hij wenst zelfs niet dat zij in de gemeenten iets zouden vragen of onderzoeken, maar hij verwijst hen naar hun mannen, om thuis aan hen hun moeilijkheden voor te leggen".

Zo zien we dan hier dat onze oudvaders de onder meer in 1 Korinthe 14:34 en 35 voorgeschreven onderdanige en eerbare houding van de vrouw ten opzichte van de man ook buiten het huwelijk, de kerkelijke gemeente en het terrein van de politieke vertegenwoordigingen - de komedie als zodanig behoort immers niet tot het politieke terrein - van toepassing hebben geacht!

Op grond van met name 1 Korinthe 14:34-35 concluderen zij dat als Paulus zelfs het in het openbaar spreken van vrouwen in een eerbare omgeving of vergadering zoals de bijeenkomsten van de Christelijke gemeente zijn, niet wil toelaten, hoeveel te meer zal hij dan bezwaar hebben gehad tegen het in het openbaar spreken van vrouwen in een 'wereldse' vergadering of omgeving. Hoeveel te meer zal hij dat voor een vrouw lelijk, onbetamelijk, kwalijk passend, hebben gevonden. Met in het openbaar in een gemengd gezelschap sprekend op de voorgrond te treden, zoals op het toneel,

verlaat een vrouw de haar van God gegeven plaats; legt zij af haar versiersel van een zachtmoediger! en stillen geest (1 Petr. 3:4; 1 Tim. 2:9-12). Zij toont dan geen nederige, eerbare en bescheiden houding meer ten opzichte van de man. Zij legt dan af die eerbare schaamte die er in het openbaar bij vrouwen behoort te zijn (zie kanttekening 18 bij 1 Kor. 14:35). En dit alles is nu ook het geval als vrouwen lid worden van een politieke partij en vervolgens hun mond gaan roeren op de vergaderingen van de kiesvereniging of als zij zitting nemen in besturen van allerlei instellingen, stichtingen en verenigingen om ook bestuurlijk hun 'zegje' te kunnen doen. Als we eerlijk zijn, zal eenieder dit toch wel moeten erkennen.

Ten besluite

Ondanks vele welmenende ernstige waarschuwingen en indringende oproepen om het niet te doen, heeft de SGP toch tegen de Schrift in de deur voor het lidmaatschap van de vrouw opengezet. Nota bene meer dan twee derde van de afgevaardigden hebben op de algemene huishoudelijke vergadering van 24 juni 2006 er voorgestemd. Alleen het zittingnemen van vrouwen in raden en staten acht de meerderheid in de SGP nu nog ongeoorloofd. Nu nog, want het is een illusie om te denken dat de discussie hierover in de partij nu zal stoppen. Zij die tot einddoel hebben om alle beperkingen voor het functioneren van vrouwen in de SGP opgeheven te krijgen, gaan door totdat dit doel bereikt is. Stapje voor stapje. Tekenend in dit verband is toch wel het feit dat het inmiddels gebeurt dat de CU-vrouw in de Eerste Kamer ook namens de SGP optreedt (RD, 26 september 2007). Dit optreden vormt een regelrechte aanfluiting van het SGP beginsel dat het regeerambt voorbehouden is aan de man. En niet alleen van dit beginsel, want ook zoveel andere wezenlijke Staatkundig Gereformeerde beginselen worden in het algemeen door de CU-vertegenwoordigers niet (meer) gedeeld. Maar het lijkt wel of velen binnen de SGP hiervoor ziende blind zijn. Op grond van de in deze bijdrage gegeven informatie en op grond van wat eerder over het vrouwenlidmaatschap in dit blad geschreven is, onder andere in het februari-, mei-, juli- en oktobernummer van vorig jaar, kunnen we moeilijk anders concluderen dan dat hij die de grondslag van de SGP verwoord in de algemene statuten, namelijk Gods Woord en de Drie Formulieren van Enigheid, serieus neemt, het niet eens kan zijn met het bewust openstellen van het partijlidmaatschap voor vrouwen enkele artikelen verderop in diezelfde SGPstatuten. Het éne artikel in de statuten spreekt dus het andere tegen. Een tegenstrijdigheid die inmiddels ook al in veel plaatselijke SGP-statuten aanwezig is. Dat is de werkelijkheid anno 2007.

Tot pakweg enkele jaren terug achtten velen van ons het onwaarschijnlijk dat binnen de SGP met betrekking tot het SGP-vrouwenlidmaatschap reeds in 2006 radicaal een wissel zou omgaan. Nu wordt door velen het onwaarschijnlijk geacht dat de SGP binnen afzienbare tijd vrouwen in raden en staten zal toelaten. Maar is dit inderdaad zo onwaarschijnlijk? Uit een in 2003 gepubliceerde enquête bleek dat toen al maar liefst 58 procent van de jongeren die bij de verkiezingen SGP zouden stemmen, geen bezwaar (meer) had tegen een vrouwelijk SGP-Kamerlid (zie: Meerwaarde van een minderheid, p. 34). En wanneer we hierbij in ogenschouw nemen dat waarschijnlijk een fors deel van de dames dat nu nog lid van de SGP-jongeren is, bij het ouder worden lid van de SGP zal worden, is het dan zo irreëel om te verwachten dat de groep die ook die laatste drempel in de SGP met betrekking tot het functioneren van de vrouw wil slechten, de komende tijd binnen de SGP extra hard zal gaan groeien? Meestal geldt: wie eenmaal op een helling aan het glijden is, die glijdt door. En als we niet uitkijken, dan glijden wij allen mee. Dat is de werkelijkheid anno 2007.

Daarom, de Heere mocht ons nog bewaren bij het aloude beginsel en daar waar we ervan afgeweken zijn, nog een terugkeer schenken. Ja, als dat nog mocht gebeuren, dan zou dat wel een onverdiend, onverwacht en ongedacht wonder zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2007

In het spoor | 50 Pagina's

SGP-VROUWENLIDMAATSCHAP EN HET TONEEL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2007

In het spoor | 50 Pagina's

PDF Bekijken