+ Meer informatie

„Kinderen worden gewassen met een oude lap of een kledingstuk"

Een Nederlandse verpleegster in Roemenië

8 minuten leestijd

Sinds de revolutionaire ommekeer in Roemenië wordt het land overspoeld met hulpgoederen. Daarnaast wordt op structurelere wijze hulp verleend. Zo biedt de inrichting Groot-Schuylenburg in Apeldoorn ondersteuning in de vorm van personeel aan een tehuis voor verstandelijk gehandicapte kinderen in Sighetu. Gerrie Groothedde werkte er tien weken als vrijwilligster. Impressies van een Nederlandse Z-verpleegkundige.

De contacten tussen Groot-Schuylenburg in Apeldoorn en "Camin Pentru Copii Deficienti Handicapati Sever" in de Roemeense stad Sighetu, ontstonden in maart 1990. Vijf medewerkers van de Apeldoornse leefgemeenschap voor verstandelijk gehandicapten werden bij een bezoek aan het land door een Roemeense kunstenaar op het tehuis geattendeerd.

De toestanden die ze aantroffen waren mensonwaardig. Van de 250 kinderen kwam een deel nauwelijks uit bed. De stumpers lagen ondervoed, onder de zweren en met vergroeide ledematen in hun eigen vuil. Kinderen die nog redelijk ter been waren, werden overdag gedumpt in een met gaas afgezet hok, waar ze meest naakt rondliepen.

De leidinggevenden, voornamelijk oudere dames, hadden geen andere deskundigheid dan het onder de duim houden van de koppel. Bij een aantal kinderen leek de verstandelijke achterstand niet het gevolg van een aangeboren afwijking, maar veel meer van langdurige verwaarlozing.

Noodhulp
Besloten werd om vanuit Groot-Schuylenburg hulp te bieden. In eerste instantie noodhulp. Twee maanden later vertrok al een transport met 160 kubieke meter hulpgoederen, ingezameld door de Christelijke Ondernemersschool te Apeldoorn.

Na leniging van de eerste nood begonnen de onderhandelingen over meer structurele bijstand. De directie van Groot-Schuylenburg bood voor een periode van twee jaar personele ondersteuning aan, om kennis over te dragen en het Roemeense personeel moreel bij te staan. Als voorwaarde werd gesteld dat het aantal Roemeense personeelsleden moest worden uitgebreid en hun salaris verhoogd. Verder was bereidheid tot samenwerking met de Nederlandse hulpverleners bij het opzetten van nieuwe activiteiten vereist. 

Toen alle voorwaarden waren ingewilligd en in Nederland voldoende geld bleek los te komen, kon het project van start gaan. In januari vertrok het eerste tweetal: een Nederlandse Z-verpleegkundige van Groot-Schuylenburg met een Roemeense collega van een andere inrichting, die tevens als tolk kon fungeren.

Vrijwilligers
De vrijwilligers worden voor tien weken uitgezonden. Halverwege de periode wordt gewisseld, zodat degene die blijft de nieuwkomer kan inwerken. Dat waarborgt de continuïteit van de hulpverlening vanuit Nederland. De tienduizend gulden die het project maandelijks kost, onder meer door de noodzakelijke vervanging van de uitgezonden krachten, wordt bijeen gebracht door sponsors.

Ondanks de miserabele arbeidsomstandigheden in Roemenië meldden vijfentwintig verpleegkundigen zich aan. Twintig daarvan kwamen door de selectie op sociale vaardigheden, improvisatievermogen en stressbestendigheid. Een van hen was Gerrie Groothedde uit Teuge. Eind augustus was ze aan de beurt. In de acht maanden ervoor had ze zich de grondbeginselen van de Roemeense taal eigen gemaakt.

De Nederlandse verpleegkundigen worden ingezet op de afdeling voor zestig bedlegerige kinderen, waar de omstandigheden aanvankelijk het beroerdst waren. Toen Gerrie aankwam was de situatie in het tehuis al sterk verbeterd. Het gebouw was opgeknapt, de kinderen liepen niet meer naakt rond, de voedingssituatie was sterk verbeterd, grote groepen waren gesplitst. Voor kinderen met een geringe verstandelijke achterstand was een klasje opgezet. Op de bedafdeling was het aantal personeelsleden gestegen van twee naar tien en werden de kinderen zo mogelijk uit bed gehaald.

Samenwerking
Voor de Roemeense werkers is het een hypermodern tehuis geworden. Naar Nederlandse maatstaven is het volgens Gerrie nog steeds een puinhoop. Op de 250 kinderen werken vijf geschoolde krachten. Die delen injecties uit, verstrekken medicijnen en temperaturen de kinderen.

In de praktijk worden de temperatuurstaatjes voor een maand in het vooruit ingevuld, 's Middags na twee uur zijn er meestal alleen nog verpleeghulpen, die een minimum aan motivatie vertonen. Het maken van een fatsoenlijke dienstlijst is voor de coördinerende verpleegkundigen nog altijd een onmogelijke opdracht.

„Op onze afdeling hadden we vier spelleidsters. Het gebeurde wel dat volgens het rooster de een vrij had, de ander overdag werkte en de overige twee de hele week late dienst hadden. Op de bedafdeling horen 's morgens twee mensen per salon van tien kinderen te beginnen. Zijn er geen twee, dan doe je alle tien kinderen alleen.

Als de twee in de salon naast je klaar zijn, zullen ze je niet komen helpen. Samenwerken kennen ze niet. Dat durven ze ook niet aan, want doe je iets fout op een plaats waar je volgens de planning niet hoort, dan zwaait er wat."

Pottekijkers
Met de vaak nog jonge en ook geschoolde spelleidsters is de verhouding het best. Het gros van de ongeschoolde verpleeghulpen ziet de Nederlandse verpleegkundigen als betweters en pottekijkers. Ze doen wat hen wordt opgedragen, maar daar blijft het meestal bij.

„Omdat warm water alleen in de centrale keuken is te krijgen, werden voorheen tien kinderen in hetzelfde badwater gewassen. Of ze werden helemaal niet gewassen. Inmiddels is dat teruggebracht tot vijf. Als alle kinderen gewassen zijn, wordt het badje schoongemaakt met een chloordoekje, net als de bedden. Dat gebeurde voorheen ook niet.

Geef je opdracht voor iets, dan wordt wel geluisterd. Je vraagt je alleen wel 's af voor wie ze het doen, voor ons of voor de kinderen. Daar ligt volgens mij het grootste probleem. De meeste verpleeghulpen hebben totaal geen oog voor de kinderen zelf. Als er biscuitjes uitgedeeld worden krijgen ze er allemaal een in hun handen, of ze kunnen eten of niet."

Hulpgoederen
De aanvoer van hulpgoederen uit alle mogelijke landen gaat gestaag door. Nog steeds zonder enige coördinatie. „Dan komt er een stel Fransen binnen, dan Zwitsers. Uit Finland zijn ze geweest, Denemarken, Duitsland, Amerika. Allemaal in die twee maanden dat ik er was.

In het tehuis is iedereen dan gespannen. „Er komt een bus! Er komt een bus." De directie loopt zenuwachtig heen en weer. Gordijnen worden recht gehangen, de ramen snel gepoetst, de kinderen goed gezet. De verpleeghulpen staan gereed om de kinderen te aaien, iets wat ze anders nooit doen. Meestal werden wij erbij geroepen als er weer een lading arriveerde.

De een had de wagen vol met speelgoed, de Duitsers kwamen met een serie naaimachines aan. „Kunnen ze die hier gebruiken?" Ik heb gezegd: „Neem maar weer mee, want die worden zo achterover gedrukt." Aan alles merk je dat er geen enkel overleg is. Ze komen met van alles en nog wat en als je zegt dat je het wel kunt gebruiken wordt de hele voorraad afgeleverd.

Die Duitsers hadden nogal wat chocola bij zich, voor de kinderen. Toen ik even later bij de hoofdzuster kwam voor een stempel, zat haar kamer vol met personeel. Niemand kon wat zeggen. Ze hadden allemaal de mond vol, de zakken vol en de handen achter de rug. Zo gaat het met veel hulpgoederen."

Magazijn
Om te voorkomen dat ook kleding voor de kinderen op de zwarte markt terecht komt, zetten de medewerkers van Groot-Schuylenburg er een groot stempel van de kliniek op. Een deel ervan verdwijnt in het magazijn. De man die de sleutel van dit vertrek beheert, weet niet wat er staat. En de medewerker die de binnengekomen goederen inventariseert, bezit geen sleutel.

Door decennia van kadaverdiscipline is het logisch denken en zelfstandig handelen nagenoeg verloren gegaan. Het gevolg is dat er nog geregeld behoefte is aan kleding, terwijl er stapels in het magazijn liggen. Het kledingtekort wordt nog vergroot door het ontbreken van goede droogmogelijkheden. Droogtrommels zijn er niet en hebben ook weinig nut.

Op de meest onverwachte tijden laat de elektriciteit het afweten. „Het gewassen goed gaat vaak vochtig de kast in. Zo krijgen de kinderen het aan. Voor lakentjes en luiers geldt hetzelfde. Dat blijft een probleem."

Washandjes
Washandjes zijn wel gebracht, maar waren toen Gerrie aankwam alweer verdwenen. „De kinderen worden gewassen met een oude lap of een kledingstuk. In januari is het gebruik van handdoeken ingevoerd, maar daar was de klad in gekomen. Er werd weer afgedroogd met hoeslakens. Terwijl in het magazijn stapels handdoeken lagen.

We hebben dat aangekaart en gezegd dat er weer handdoeken moesten komen, ook als servet. Dan is men helemaal van slag. Heel zenuwachtig kwamen ze me vragen: Hoeveel heb je er nodig? Het liefst houden ze alles op mooie stapels in het magazijn. Op den duur gingen we zelf maar op inspectie. Dan vind je nog 's wat."

De medische zorg, die de geneesheer-directeur hoort te verlenen, is van een minimaal peil. „Aan zieke kinderen wordt nauwelijks aandacht besteed. Er staat niks op papier. Een thermometer is nergens te vinden. Kinderen met geelzucht blijven gewoon op zaal liggen. Met dezelfde lepel wordt aan allemaal eten gegeven. Je kunt honderd keer zeggen dat ze die tussendoor moeten afspoelen, maar ze doen het gewoon niet."

Moeizaam gevecht
Hoewel de doorbreking van vastgeroeste gewoonten en patronen een moeizaam gevecht is, zien de verpleegkundigen van Groot-Schuylenburg in de dagelijkse verzorging wel vooruitgang. Kinderen die een jaar terug door verwaarlozing nog geen stap konden zetten, dribbelen nu rond.

Deze zomer werden bedlegerige pupillen bij zonnig weer naar buiten gebracht, iets wat vroeger nooit gebeurde. Zindelijkheidstraining heeft ertoe geleid dat een groot aantal kinderen zich niet meer bevuilt. In de centrale ruimte tussen de salons van de bedafdeling wordt op matrassen op de grond dagelijks een spelprogramma uitgevoerd.

Toch is Gerrie niet onverdeeld optimistisch. „Wat je probeert is de mensen verantwoordelijkheidsgevoel bijbrengen. Ze moeten gaan beseffen dat ze er voor de kinderen zijn en niet omgekeerd. Nu zie je nog dat veel om ons wordt gedaan. Dat is natuurlijk niet de beste motivatie. Je denkt wel 's: wat komt er van terecht als we er niet meer zijn."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.