Bekijk het origineel

Een opperzangmeester die niet vergat te danken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een opperzangmeester die niet vergat te danken

5 minuten leestijd

„En Matthanja, de zoon van Micha, de zoon van Zahdi, de zoon van Asaf, washet hoofd, die de dankzegging begon in het gebed."Nehemia 11:17a

En Matthanja (gave des HEEREN), de zoon van Micha (Wie is gelijk de HEERE), de zoon van Zabdi (de HEERE schenkt), de zoon van Asaf (de HEERE voegt toe) was het hoofd, die de dankzegging begon in gebed.
Wie is deze Matthanja?
Zijn naam is niet zo bekend. Dat moet ons niet verwonderen, want hij zal wel in Babel geboren zijn. Nu vinden we hem met vele anderen, die terug mochten keren in Jeruzalem. Hij behoort tot de Levieten. Hun werk was het om de priesters terzijde te staan in de tempeldienst. Hij werd benoemd als hoofd van de zangers. Opperzangmeester dus.
Zijn overgrootvader is de bekende Asaf De schrijver van de psalmen 50 en 73 t/m 83. Deze Asaf was ook opperzangmeester geweest. Psalm 50 van Asaf heeft tot inhoud: „Offert Gode dank en betaalt de Allerhoogste uw gelofte." Dat is het wat God wil, dat Hem de lof en de dank wordt toegebracht.
Matthanja komt dus uit een zangersfamilie met schone stemmen. Maar ze gebruiken die stemmen niet tot eigen eer, maar stellen ze in dienst van God om Hem de dank te brengen. Hij ziet zijn stem als "gave des HEEREN".
Zijn overgrootvader heeft dat voorgeleefd. Matthanja heeft het gehoord, dat bij zijn overgrootvader de psalmen werden gezongen met een dankbaar hart.
Asaf, Hij voegt toe. De HEERE heeft Asaf kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen toegevoegd, die dat voetspoor willen volgen.
Matthanja heeft wel een tijd in Babel gewoond, maar heeft het zingen daar niet vergeten. Hij mag nu zijn plaats innemen in de tempel als opperzangmeester, die de dankzegging begon met gebed.

Danken is gedenken, terugdenken aan al de weldaden ons geschonken. Danken is niet jezelf verheerlijken zoals de Farizeeër, die staande bij zichzelf bad: „O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit."
Het zijn bij hem zelf verdiende zegeningen. Dit is niet het danken dat God bedoelt.
Heeft Matthanja dan alleen maar te danken? Nee, dat zal straks in de hemel geschieden.
Daar zal het een ontelbare schare zijn, die het danklied zal aanheffen. Maar als Matthanja de psalmen die zijn overgrootvader Asaf geschreven heeft moet nazingen in de tempeldienst, dan leest hij, dat het gebed ook nuancering kent. Asaf spoort de mensen ook aan het aangezicht des Heeren te zoeken in grote nood. Dat doet Asaf in Psalm 50: „Roep Mij aan in de dag der benauwdheid en Ik zal u er uit helpen en gij zult Mij eren." Matthanja leest het in Psalm 74, dat er ook op de voorbede wordt gewezen, namelijk voor het verwoeste heiligdom en voor het herstel van Israël.

Gebed houdt zo veel in. Het gebed is de toegang tot God, tot Zijn genadetroon in Christus Jezus.
Is het geen dankzegging waard, dat God die genadetroon openstelt voor een ieder en niemand uitsluit?! Hij beveelt het zelfs: „Bidt en u zal gegeven worden." Want in de Heere Jezus is het Middel gegeven om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen. Zei Asaf ook niet in Psalm 81: „Opent uwe mond; eist van Mij vrijmoedig, op Mijn trouwverbond; al wat u ontbreekt, schenk Ik zo gij 't smeekt, mild en overvloedig?" Al onze tijdelijke noden als ziekten, zorg, armoede mogen wij Hem bekend maken, alsook onze eeuwige nood.

Ondankbaarheid wordt door God hoog opgenomen. Klaagt de Heere niet als er van de tien melaatsen slechts één terugkomt om Hem te danken: Waar zijn de negen? Waarom zijn zij niet teruggekeerd om Mij de dank te brengen? Wat komt de Heere Jezus de dank van deze ene melaatse rijkelijk te belonen. Hij geneest hem ook nog van de melaatsheid van zijn ziel. Wat hebben die negen andere, ondankbare melaatsen toch veel gemist.
Wat kan het voor ouders verdrietig zijn als kinderen nooit eens dankbaar zijn en alles maar gewoon vinden. Weet u niet te danken? Hebt u geen dankbaar hart? Klaag het aan onze grote Voorbidder en vraag of Hijzelf de dank in uw hart wil leggen. Wat moet het ons benauwen, dat er zoveel vloeken opstijgen uit ons land. Wat wordt Gods Naam daarmee onteerd.
Laat het ons gebed wezen aan de troon der genade of Hij de vloekers wil veranderen in bidders en hen wil leren de dankzegging te beginnen in het gebed. De Dankdag van 4 november nadert, maar laat het toch niet eens per jaar dankdag zijn.
Laat 365 dagen per jaar het danken in uw gebed niet ontbreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 4 november 1992

Terdege | 72 Pagina's

Een opperzangmeester die niet vergat te danken

Bekijk de hele uitgave van woensdag 4 november 1992

Terdege | 72 Pagina's

PDF Bekijken