+ Meer informatie

Ludwich Inger Nommensen

Apostel van de Batakkers

15 minuten leestijd

„ o, gij land in het meer! Ik hoor klokken luiden over heel uw gebied Ik ziescharen uwer bewoners vullen Uwe kerken en scholen. Nog weerstreeft GijKoningjezus, maar het woord van den Eeuwige (zal) tot Ukomen, noch tekeeren, noch te weren..."Dat waren woorden van een bewogen zendingsman,toen hij tijdens een expeditie nog één keer terugzag op het schitterendeTobameer met het eiland Samosir. In het hart van het Batakland bleek zijnvisionaire uitspraak te worden bewaarheid. Twintig jaar later was het grootstedeel van centraal Sumatra gekerstend. Portret van een zendingspionier die 75jaar geleden overleed.

Midden-Sumatra is het land van de Bataks. In gedachten verplaatsen we ons naar het begin van de negentiende eeuw, wel eens de zendingseeuw genoemd. In Nederlands-Indië hebben de Engelsen het Nederlands beheer ontwricht, maar in 1824 wordt het koloniaal bezit van onder meer Sumatra hersteld. Op dat grote eiland is nog maar nauwelijks zendingswerk verricht. In 1820 reist de Engelse zendingsman en baptist Burton voor de eerste keer door het gebied, maakt daarbij ook een tocht naar SiLindung in het binnenland en werkt vanaf 1824 enige tijd te SiBolga. Maar verder blijft het Batakland vrij van missionaire bemoeienis. De plaatselijke vorsten en priesters kunnen hun gang gaan. Verering van vooroudergeesten is erg belangrijk. Er komt kannibalisme voor. Het Tobameer is heilig. Geen buitenstaander mag er ongestraft een blik op werpen. Er is veel onderlinge strijd tussen de hoofden van de diverse gebieden in het centrum van het grote eiland. Bovendien proberen vanuit het zuiden de Padri's, een groep moslim-fundamentalisten, met geweld de islam uit te breiden. Vrouwen en kinderen worden weggeroofd, dorpen en rijstvelden in brand gestoken. Voor de Nederlands-Indische regering is dat reden om de zuidelijke delen van Sumatra onder haar bewind te brengen.

Sluiswachterszoon
In 1834 vertrekken de Amerikaanse zendelingen S. Munson en H. Lyman vanuit SiBolga naar het binnenland. Vlakbij SiLindung worden ze overvallen, vermoord en opgegeten. De eerste martelaren in het Batakland. Op de plaats van het onheil wordt later een gedenkteken opgericht. Dat zelfde jaar wordt aan de verre Duitse Noordzeekust een jongen geboren. Ludwig Ingwer Nommensen, zoon van de sluiswachter op het Marscheiland Nordstrand, dat bij Sleeswijk-Holstein behoort. Ludwigs vader heeft een zwakke gezondheid. Wellicht is hij mede daardoor in de gelegenheid zijn kinderen verhalen te vertellen, die diepe indruk op hen maken. De jonge Ludwig mijmert op zijn zwerftochten langs het strand liever over de verhalen van zijn vader na, dan dat hij de school bezoekt. Al jong is hij actief als schaapherder, leidekkersleerling en beginnend boerenknecht, maar op 12-jarige leeftijd krijgt hij een ongeluk, waardoor hij met twee gebroken benen op bed komt te liggen. De jongen gaat lezen in de Bijbel die zijn vrome moeder hem geeft en put daaruit kracht en geduld. Kerst 1847 doet de zieke Ludwig de belofte om, na genezing van zijn ziekte, het zendingswerk in te gaan. Hij heeft gelezen uit Johannes 14 vers 14: „Zo gij iets begeren zult in Mijn naam, Ik zal het doen." Op de vraag van de jongen of alles wat in de Bijbel staat waar is, antwoordt moeder Nommensen bevestigend. Niet lang daarna is hij hersteld. Vader Nommensen is inmiddels overleden. Ludwig belooft een tijd lang voor het huishouden te zorgen, maar wil later naar de heidenen gaan om hen het Evangelie te verkondigen.

Opleiding
Op zijn twintigste verlaat Nommensen daadwerkelijk het sluiswachtershuis om naar de heidenen te gaan, om hen zonde en Evangelie aan te zeggen. Met Bijbel, liederenboek en catechismus begeeft hij zich naar de haven om zich aan te bieden als matroos en zo naar een heidenland te vertrekken. Maar geen schipper laat hem aanmonsteren. Noodgedwongen gaat Ludwig opnieuw bij een boer werken. Door zelfstudie weet hij zijn kennis te verbreden; hij wordt hulponderwijzer. In die functie leert hij te Gotteskoog ds. Versman kennen. Hij vertelt de predikant van zijn plannen om zendehng te worden. De dominee geeft hem onderwijs en adviseert hem zijn kennis te gaan vergroten op de Zendingsschool. Opnieuw moet Ludwig leren geduldig te wachten op Gods tijd. De brief aan de Zendingsschool te Barmen, met daarin zijn levensloop, wordt niet eens beantwoord. Nommensen besluit dan maar te gaan en zich aan te melden. Er is geen plaats. Wel bemiddelt de directeur bij het vinden van een functie als hulponderwijzer te Elberfeld, dicht bij Barmen. Na anderhalfjaar kan hij op de opleiding komen, in 1857. Hij leert daar als arm student temeer om te vertrouwen op Gods hulp in alle levensomstandigheden. Tijdens Ludwigs studie, in 1858, overlijdt zijn moeder, die zo veel voor hem betekend heeft. Na de afronding van de opleiding meldt hij zich bij Rheinische Missionsgesellschaft te Barmen.

Uitgezonden
Het Rijnse Zendingsgenootschap zoekt op dat moment naar een ander werlcterrein. Men heeft inmiddels kennis genomen van het werk van de Nederlandse taalgeleerde H. Neubronner van der Tuuk, die inde jaren 1851-1858 in de zuidelijke Bataklanden de grondslag heeft gelegd voor het vertaalwerk. Bovendien is in 1856 G. van Asselt uit Ermelo als eerste Nederlandse zendeling, in dienst van de regering, op Sumatra aangekomen. Vanwege zijn slechte gezondheid moest hij al spoedig weer terugkeren naar het vaderland, maar zijn kennis bleef bewaard. In 1860 besluit de Rijnse Zending dat het Batakland op Sumatra het nieuwe zendingsgebied zal zijn. Een jaar later wordt Nommensen naar dit gebied uitgezonden. Na een korte taaistudie bij dr. Van der Tuuk in Amsterdam reist hij per schip naar Padang. Op zee legt hij een schriftelijke gelofte van toewijding af Het laat opnieuw zien hoe hij zich bewust is van Gods leiding in zijn leven. Op 14 mei 1862, na een reis van ongeveer vijf maanden, komt Nommensen in Padang aan. Aanvankelijk willen noch de regering, noch de andere zendingsmensen hem toestemming geven om naar het hart van het Batakgebied te vertrekken. Daarom blijft hij eerst in het Angkola-gebied. Zijn werk daar geeft al inzicht in de methode die hij ook later zal volgen; de taal of het dialect leren, een school oprichten, lesgeven. En steeds gaat zijn homeopathische-medicijnkist mee.

Binnenland
Tegen de zin van collega-zendelingen vertrekt hij na verloop van tijd toch naar het binnenland en maakt een reis naar SiLindung en SiPoholon. Na een moeilijke tocht door het oerwoud raakt Nommensen niet alleen onder de indruk van het schitterende uitzicht over het SiLindung-dal, maar wijdt tevens het gebied aan God. „Levend of stervend onder dit volk, hetwelk Gij, o Jezus, met Uw dierbaar bloed gekocht hebt, wil ik blijven en Uw Woord en rijk uitbreiden!" > Zo vestigt Nommensen zich in 1864 op een moerassige zandbank in de rivier en begint zelfstandig het werk onder de Batakbevolking. Hij leeft als Batakker, trekt dorpen rond, koopt slaven vrij en doet met zijn medicijnkist "wonderen". Langzamerhand wint hij het vertrouwen van sommige hoofden. Eén van hen. Radja Pontas, wordt een persoonlijke vriend, die later tot bekering komt en hem vele diensten bewijst.

Gevaar en tegenstand
De eerste tijd in SiLindung is er een van hard werken. Nommensen leert de taal, probeert zonder succes een school op te richten, spreekt het Woord van God op markten en bij feesten. Allerhande tegenwerking is zijn deel. Men weigert hem eten op de markten, gooit zijn huis tijdens zijn afwezigheid in het water. Men vernedert hem, probeert hem te vergiftigen, doet pogingen hem te vermoorden. Maar door wonderlijke bewaring kan hij zijn werk voortzetten. Hij blijft vriendelijk en hulpvaardig, schenkt zelfs vergiffenis aan de man die hem wilde vergiftigen. Dat maakt indruk. Op Nommensens eilandje wordt na anderhalfjaar met de doop van de eerstelingen een kleine gemeente gesticht. De bezittingen van de dertien dopelingen worden door heidense priesters verwoest, waarna Nommensen hen moet onderhouden. Hij vestigt de bekeerlingen in zijn christelijke dorp Huta Dama (Vredeshuis), startpunt voor verder werk. In 1866 komt zijn verloofde Katherina Gutbrodt uit Hamburg over, vergezeld door P.H. Johannsen, voortaan een trouwe collega van Nommensen. Later zullen nog vele anderen door de Rijnse Zending worden uitgezonden.

Moedig
Nommensen is niet alleen vriendelijk, maar bezit ook ook grote moed. Als bekend wordt dat Bataks hem op een feest willen vermoorden, waarschuwt zijn vriend Radja Pontas hem om daar niet te verschijnen. Maar Nommensen gaat toch, na een "afscheidsbrief aan Barmen geschreven te hebben. „Voor het geval deze briefde laatste zou zijn, die het ons vergund wordt aan u te schrijven, (...) wreek dan ons bloed door de uitzending van hele scharen boodschappers van het heil..." Onder de eertijds op de boot geschreven toewijdingsbrief wordt in deze gevaarvolle omstandigheden ook de naam van Nommensens vrouw vermeld. Maar ook bij deze gelegenheid wijkt het gevaar, voor de Nommensens een teken van Gods trouw. Ondanks de moeite en ontberingen mag de zendeling spoedig wasdom zien. Eind 1866 is de groep christenen tot 220 personen gegroeid. Er is verhoring op het gebed om zegen. Men begint te luisteren, roept hem bij zieken en melaatsen. Zijn medische verrichtingen maken indruk en wekken vertrouwen, zijn praktische kennis op allerlei gebied blijkt zeer waardevol. Een tweede poging om een school te bouwen slaagt.

Voortgang
Dat betekent niet dat er geen tegenstand meer is. Hij heeft te strijden tegen de heidense priesters, tegen slavernij, kannibalisme, dobbelen en andere ergerlijke verschijnselen. Bovendien breekt een pokkenepidemie uit. Ook zijn medewerker Johannsen wordt door de ziekte getroffen. Er breekt een moeilijke, drukke tijd aan. Ondanks de epidemie blijft Nommensen bezig met de vertaling van het Oude Testament in het Bataks. Als hij met zijn collega's besluit het moerasgebied te verlaten, stelt Radja Pontas elders grond ter beschikking. In 1873 wordt de eerste kerk te Pearadja in gebruik genomen, waarmee de pioniersfase van het zendingswerk is afgesloten. In de omgeving worden nu zendingsposten gesticht, beheerd door inheemse christenen. Nommensens verantwoordelijkheid wordt daardoor groter. De opleiding van onderwijzers en evangelisten moet ter hand worden genomen. In SiPoholon wordt een theologisch onderwijsinstituut gesticht. Na zo'n twintig jaar is het grootste gedeelte van de bewoners van de SiLindung-vlakte gekerstend. Tijdens een verlof in Duitsland legt Nommensen nieuwe plannen tot uitbreiding van het zendingswerk ter goedkeuring voor aan het Zendingsbestuur.

Zendingsleider
In 1881 keert hij naar Sumatra terug, nu als algemeen leider van het zendingswerk. De opmars naar het Tobagebied begint. Al in 1876 hebben Nommensen en Johannsen een eerste tocht in de de Toba-regio gemaakt met goedgezinde volksleiders. Het was op deze reis dat Nommensen de woorden uitsprak waarvan aan het begin van dit artikel een gedeelte is weergegeven. Vanaf 1881 vestigen zich zendelingen in het Tobagebied. Enige tijd later volgt Nommensen zelf Hij vestigt zich eerst te Laguboti, vanaf 1890 te SiGumpar in een sober maar functioneel huis. Hij zal daar tot zijn dood blijven wonen. Eén van de meest kenmerkende eigenschappen van Nommensen is zijn Godsvertrouwen. Dat geeft hem ook in persoonlijke moeilijkheden kracht. Een kind van hem sterft in het moeras van Huta Dama. Op een verlofreis heeft hij zijn ongeneeslijk zieke vrouw in Duitsland voorgoed moeten achterlaten. In 1892 maakt Nommensen zijn derde verlofreis, samen met Johannsen. Hij hertrouwt en keert met zijn tweede vrouw naar het Batakland terug. Het werk wordt met kracht verder uitgebouwd. Vanaf 1903 is Nommensen de grote stimulator achter de voortzetting van het werk in oostelijke richting, tot men de oostkust van Sumatra bereikt. Als zendingsstrateeg wil hij de islam voor zijn. Hij is een bezield en geniaal leider, die zijn medewerkers door zijn geloof en moed tot voorbeeld is. Bovendien een man die de zendingsexpansie kon overzien, gezegend met organisatievermogen en mensenkennis. Nadat in 1907 heel Batak onder rechtstreeks regeringsbestuur gebracht is, wordt de zendingsarbeid uitgebreid tot de Bataks die zich in Kota Tjane (Atjeh) hebben gevestigd.

Ompu sterft
Tot zijn sterven blijft de grote zendingsleider actief, de laatste jaren in soms moeilijke omstandigheden door de Eerste Wereldoorlog. Op 23 mei 1918 sterft "Ompu" (grootvader) Nommensen in zijn woonplaats, te midden van het volk dat hij op zo bijzondere wijze diende en liefhad. Het volk is in grote rouw gedompeld. Ook zijn medewerkers zijn van oordeel dat Nommensen een nauwelijks te vervullen lege plaats achterlaat. Zijn graf wordt gedolven in SiGumpar, vlak bij het Toba-meer. Nu, 75 jaar na zijn dood en zo kort na Pinksteren, is het uiteraard van belang om op te merken dat de "apostel van de Bataks" met velen heeft samengewerkt. Zo'n grote arbeid had hij niet alleen kunnen verrichten. Anderen hebben het werk voortgezet, in de prediking, in het onderwijs, op medisch gebied. Het Nederlands Zendeling Genootschap werkte vanaf 1890 onder de Karo-Bataks, ten noorden van het Tobameer. Het eiland Samosir in het Tobameer was sinds 1926 arbeidsterrein van de Zending van de Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland.

Gevolgen
Nommensens arbeid heeft grote gevolgen gehad. De Batakkerk is de grootste protestantse kerk van Indonesië geworden met over de duizend gemeenten. Het is de verdienste van Nommensen dat hij niet alleen de kerk stichtte, maar die ook organiseerde. Zo bereidde hij tijdens een verlofreis, altijd werkzaam, nog een kerkorde voor. Nommensen wist zich dienaar van God en schuldenaar der mensen, zo zegt een biograaf Dat bleek in zijn omgang met mensen, van gouverneur tot lokale boer. Hij had een helder verstand, verbonden met een eenvoudige geest. Hij was origineel in plannen en aanpak, voortvarend, maar nooit te gewaagd. „Verheffender echter is 't schouwspel, dat een levenshistorie oplevert, zoo die, met het oog des geloofs gezien, opgevat wordt als de geschiedenis van Gods leiding met een mensch", lezen we in een levensbeschrijving (Muller, blz. 203). Twee dingen zijn daarin te zien: de mens met zijn gaven en ook zijn zonden en tekorten, en daarboven Gods weg door Zijn Geest in en door middel van die mens. Nommensens leven en arbeid leggen daarvan een duidelijk getuigenis af.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.