Bekijk het origineel

De Hussieten in de eeuw vóór de Reformatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Hussieten in de eeuw vóór de Reformatie

Oproerkraaiers? Dwepers? Vechtjassen? Of oprechte christenen?

21 minuten leestijd

De Hussieten waren de volgelingen van Johannes Hus, voorloper van de Reformatie. In Tsjechië, waarvan het grootste deel vroeger Bohemen heette, kom je hun symbolen nog overal tegen. Ze lazen in de Bijbel en stelden tegenover de macht van de Paus "de Wet van God." Daarom verzetten ze zich tegen kerk en koning. Ze verschansten zich in de bergen, trokken vechtend door het land, vierden Avondmaal met brood en wijn en wachtten op de wederkomst van Christus. Oproerkraaiers? Fanatieke dwepers? Wraakzuchtige vechtjassen? Of gewoonweg de eerste protestanten?

Een oude kroniek uit de 15e eeuw vertelt op heel eenvoudige wijze wie Johannes Hus was en wat hij deed: „In het jaar duizend vierhonderd en tien na de geboorte van de Zoon van God stond Meesterjan Hus op, en hij begon te preken. En hij bestrafte de mensen vanwege hun zondige leven. En de geestelijken prezen hem hemelhoog en ze zeiden dat de Geest van God Zelf door de mond van de Meester sprak. Toen begon hij ook te preken tegen de zondigheid van de geestelijken, waarbij hij niemand spaarde, noch de paus op zijn troon, noch de eenvoudige priester in het land. Hij predikte tegen hun hoogmoed en hun hebzucht, tegen hun winstbejag en hun zedeloosheid. En hij zei dat de priesters geen wereldlijke macht moesten uitoefenen en geen wereldlijke bezittingen moesten hebben. Toen werden de geestelijken woedend op hem en ze zeiden dat de duivel zelf in hem woonde en dat hij een ketter was." Wij weten hoe het afliep met Johannus Hus: Hij werd in 1415 door de Rooms-Kathoheke kerk ter dood veroordeeld en in Konstanz als ketter verbrand.

Verzet
Toen het bericht van de dood van Hus Bohemen bereikte, ging er een golf van verontwaardiging door het land. Brede lagen van het volk voelden zich verraden en bedreigd door kerk en overheid. Ze vreesden dat dit het einde betekende van hun hoop op betere tijden, op een rechtvaardiger samenleving, gebaseerd op de Wet van God. Ze weigerden de uitspraak en het vonnis van de kerk over hun geliefde prediker te aanvaarden. Hij was geen ketter en hij had de dood niet verdiend! Op het platteland sloten allerlei groeperingen zich aaneen: arbeiders en handwerkslieden, pachters en kleine boeren, maar ook veel leden van de lage adel. Ze wilden de vrije verkondiging van Gods Woord in de volkstaal in stand houden. En waar de kerken voor hen gesloten waren, kwamen ze bijeen in de open lucht, met duizenden, tienduizenden soms, om te luisteren naar hun voorgangers, om het Heilig Avondmaal te vieren > met brood en wijn en om elkaar te bemoedigen. Bij voorkeur trokken ze daarbij naar hooggelegen plaatsen, denkend aan de woorden van Jezus in Matth. 24:16: „Dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen..."

Oproerige stemming
Niet alleen op het platteland, ook in de hoofdstad Praag ontstond een oproerige stemming. Iedereen daar had Johannes Hus gekend, hetzij als hoogleraar aan de Karelsuhiversiteit, hetzij als prediker van de Bethlehemkapel. Om de gevoelens van woede en wraakzucht in goede banen te leiden kwamen 452 leden van de Tsjechische en Moravische adel in Praag bijeen. Ze stuurden een vlammend protest naar de kerkvorsten die het doodvonnis over Hus hadden uitgesproken en die nog in Konstanz bijeen waren. Bovendien beloofden ze plechtig dat ze de zaak waarvoor Hus gedood was, gezamenlijk zouden verdedigen en ze bepaalden dat voortaan de universiteit van Praag (en niet de paus!) de hoogste autoriteit zou zijn op het gebied van geloofszaken. De inwoners van Praag schaarden zich in overgrote meerderheid enthousiast achter hun leiders. Sommigen gingen zelfs nog veel verder: Gewapende groepen trokken door de stad en omgeving. Ze plunderden kloosters en pastorieën en verjoegen elke priester die weigerde met de ideeën van Hus in te stemmen. Ze vonden een Duitse hulpbisschop, Herman, bereid om nieuwe priesters voor de Hussietische eredienst in te zegenen.

Tweespalt
Het spreekt vanzelf dat de kerkelijke machthebbers in Rome met afschuw en woede kennis namen van de ontwikkelingen in het vaderland van Johannes Hus. Ze probeerden met allerlei tegenmaatregelen het tij te keren. Allereerst werd hulpbisschop Herman ontslagen. Verder werden alle officiële kerkelijke plechtigheden in Bohemen verboden en de nieuwe paus, Martin V, riep op tot een gewapende kruistocht tegen het ketterse land. Dat alles miste zijn uitwerking niet. Vooral de hoge adel en de rijke vooraanstaande burgers keerden zich af van de hervormingsbeweging en onderwierpen zich aan de eisen van de paus. De schrik was hun toch al om het hart geslagen tijdens de plunderingen en vernielingen van kerkelijke goederen door de ongebreidelde volksmassa's. Na lang aarzelen zwichtte ook de koning voor de dreigementen vanuit Rome. Ook hij koos partij vóór de paus en tégen de Hussieten. In het voorjaar van 1419 beval hij dat alle kerkgebouwen weer voor de roomskatholieke eredienst moesten worden ingericht. En pas na heftige protesten van het volk kregen de Hussieten bij wijze van gunst drie Praagse kerken toegewezen. De bekendste daarvan was die van Maria-terSneeuw. Het zaad voor een burgeroorlog in het land was gezaaid. De tegenstellingen tussen de partijen werden steeds scherper en overal broeide en gistte het. Een kleinigheid was voldoende om het geweld in volle hevigheid te doen losbarsten.

Uit het raam gesmeten
Op 30 juli 1419 kwam het in Praag tot een uitbarsting. Een zekere John Zelivsky, voormalig monnik, en nu leider van de Hussieten in de hoofdstad, ging voor in een dienst in de kerk van Maria-ter-Sneeuw. Zijn preek was een felle aanklacht tegen de koning en hij voorspelde dat God weldra de macht in handen zou geven van het volk. „Mijn Praag is nu een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Bohemen, Moravië, Hongarije, Polen en Oostenrijk", riep hij uit, „laat Gods woord van Praag uitvliegen over heel de wereld!" Na afloop van de dienst vormde zich een processie, die onder leiding van Zelivsky naar de St. Stefanskerk trok om de pausgezinde priesters daaruit te verjagen. Voorop werd een zilveren beker gedragen met daarin de heilige hostie, het gewijde brood dat voor de mis bestemd is. Toen de plechtige optocht bij de St. Stefanskerk aankwam, bleken daar alle deuren gesloten te zijn. Maar de menigte slaagde erin de voordeur met geweld open te breken en drong de kerk binnen. De fanatieke Zelivsky beklom de kansel en hield een vurige toespraak tot de toch al opgewonden processiegangers. Op de terugweg hielden ze stil voor het stadhuis, waar de gemeenteraad in vergadering bijeen was. Ze eisten vrijlating van enkele Hussietische gevangenen die daar sinds kort in hechtenis zaten. Maar het stadsbestuur weigerde zelfs een delegatie van de "oproerkraaiers" binnen te laten. Toen iemand vanuit het stadhuis bovendien nog een steen naar beneden gooide in de richting van de zilveren beker met de hostie, drong de woedende menigte het gebouw binnen. stormde de trappen op en gooide de stadsbestuurders die ze daar antroffen één voor één uit het raam naar beneden.

Een stad op een berg
Het stadje Tabor is het Mekka van de Hussieten. Het ligt een kleine honderd kilometer ten zuiden van Praag. Het heeft zich in onze tijd enorm uitgebreid. Maar als je de schaarse borden met het woord CENTRUM blijft volgen, kom je uiteindelijk toch in de middeleeuwse stadskern terecht. Na een fikse klim blijft de auto op een parkeerterrein achter, want het oude Tabor is alleen voor voetgangers toegankelijk. De vrouwelijke parkeerwachter is blij dat er wat te verdienen valt en stopt bedrijvig, al keuvelend in gebroken Duits, een vodje papier onder de ruitewisser. Het is nog vroeg in het seizoen en dus heel rustig. Best tijd voor een praatje. Als ik haar vraag wat Tabor nu eigenlijk met Jan Hus te maken heeft, kijkt ze mij heel verbaasd aan. Dat iemand dat niet weet! Ze wijst in de verte: „Kijk, daar beneden, daar ligt het dorp Usti. Daar kwamen na de dood van Hus de eerste Hussieten bijeen. Maar ze voelden zich in het brede dal niet veilig. Daarom verbrandden ze het dorp en klommen hier naar boven, de berg op, waar een oude verlaten vesting stond. In de tijd daarna stroomden Hussieten van alle kanten hier naartoe, bouwden een nieuwe stad boven op de berg en vroegen Jan Zizka of die met zijn soldaten hen wilde komen beschermen. Wie Jan Zizka was? Dat moet u dan daarginds in het museum maar even vragen, want kijk, daar komt een nieuwe klant. Neemt u me niet kwalijk..."

Dag des oordeels
Het Hussietenmuseum is ondergebracht in het vroegere Raadhuis. We worden rondgeleid door een Engels sprekende gids, die vertelt dat de naam Tabor door de Hussieten aan deze stad is gegeven. Die naam werd ontleend aan de Bijbel, waar de berg Tabor onder andere een rol speelt in de geschiedenis van Debora en Barak (Richt. 4). In het begin woonden de aanhangers van Hus op de berg Tabor hoofdzakelijk in tenten, want ze waren ervan overtuigd dat de dag des oordeels heel nabij was. Waren er geen oorlogen en geruchten van oorlogen geweest en was niet het ene volk tegen het andere opgestaan? Waren er geen hongersnoden en pestilentiën geweest en waren hun leidslieden niet gevangen genomen en gedood? De Hussietische voorgangers preekten bij voorkeur over bijbelgedeelten als Matth. 24, Lukas 21 en de Openbaring van Johannes. Eén van hen wist zelfs de dag van de wederkomst van Christus te voorspellen: in het voorjaar van 1420. Toen er evenwel niets gebeurde, gingen de mensen toch maar huizen bouwen en een muur om de stad aanleggen, een dubbele muur zelfs, compleet met uitkijktorens en verdedigingswerken. Dat gebeurde allemaal onder leiding van Jan Zizka.

Eén van hart en ziel
De stichters van Tabor wilden leven als de eerste christenen, vertelt Véra Rostislav, onze gids, en ze citeert uit het hoofd de tekst uit de Handelingen der Apostelen waarin staat dat de gelovigen na de eerste Pinksterdag één van hart en één van ziel waren en alles met elkaar deelden. Dat was het ideaal van de Taborieten: geen heren, geen slaven; geen rijken en geen armen, maar allen eensgezind in gehoorzaamheid aan God. Bij de ingang van de stad, op de plek waar nu de ingang van het museum is, stond een groot vat, waarin elke nieuwe burger die zich aanmeldde om in de stad te komen wonen, al zijn geld en goed moest deponeren. Hij kreeg ook meteen een taak en een plaats toegewezen temidden van zijn stadgenoten, die voortaan zijn "broeders en zusters" zouden zijn. Op de plek waar nu de kerk staat, stonden in die tijd twee grote stenen tafels, waaraan de inwoners het Heilig Avondmaal vierden in de open lucht. Inmiddels zijn we in het museum langs een groot aantal voorwerpen, maquettes en documenten uit de Hussietentijd gewandeld: wapens, prenten, modellen van monumenten die overal in het land te vinden zijn en dergelijke. Jammer genoeg zijn alle bijschriften alleen maar in het Tsjechisch. Maar volgens Véra Rostislav is men bezig met voorbereidingen om de teksten in het Engels en in het Duits te vertalen. Tenslotte nodigt de gids ons uit voor een rondleiding door "de onderwereld" van Tabor. De rots waarop Tabor gebouwd is, is namelijk doorzeefd met gangen en kelders die in vroeger tijd door de inwoners zijn uitgehouwen in het vrij zachte gesteente. Met de gids voorop dalen we een steile trap af Een jeugdige helper sluit de rij om te zorgen dat niemand in het donker afdwaalt of achterblijft.

In de onderwereld
Het gaat met een sneltreinvaart. Linksaf, rechtsaf; trapje op, trapje af Binnen de kortste keren heb je alle gevoel voor diepte en richting verloren. Zomer en winter heerst hier een temperatuur van 7 a 8 graden Celsius. Heerlijk als je op een hete zomerdag naar beneden gaat, maar na enige tijd wel wat koud als je er niet op gekleed bent. In een iets grotere, verlichte ruimte wacht gids Véra tot de hele groep gearriveerd is. „We zitten nu op het diepste punt van onze onderaardse tocht", zegt ze, „dertig meter onder de grond en recht onder het postkantoor. Is er iemand die weet waarvoor deze kelders en gangen gegraven zijn?" Het antwoord lijkt niet zo moeilijk en een mannenstem achteraan zegt hardop wat iedereen denkt: „Als schuilplaats voor de Hussieten in oorlogstijd." „Mis!" roept Véra, die natuurlijk van tevoren wist dat het antwoord fout zou zijn. „Als wapenopslagplaats misschien?" probeert iemand nog. Maar ook dat is het niet. Het heeft met oorlog niets te maken, maar met brand. In de middeleeuwen en nog lang daarna waren de huizen in Tabor niet van steen, maar van hout. En omdat er binnen de muren van de stad maar weinig ruimte was, stonden de huizen dicht op elkaar. Als er dan in één huis brand uitbrak, stond vaak in korte tijd de hele straat, of zelfs de hele wijk in lichterlaaie. Het had geen zin te proberen door de nauwe straatjes het vuur te ontvluchten. Je stikte in de rook en de hitte. Alleen onder de grond was je veilig. Oorspronkelijk waren er ook geen gangen. Elk huis had zijn eigen kelderruimte. Die werd > natuurlijk ook gebruikt om voedsel koel te bewaren en... om bier te brouwen. Pas later werden de kelders met elkaar verbonden, zodat er vluchtwegen ontstonden.

Strijdwagens en Psalmen
Het is even knipperen met de ogen als je weer buiten staat in het felle licht. Aan de overzijde van het grote plein staat het postkantoor en links het standbeeld van Zizka, de legendarische legeraanvoerder van de Hussieten. Schuin tegenover het Hussietenmuseum van Tabor staat een beroemd monument van Jan Zizka. Elke schoolklas en elke groep toeristen die de stad aandoet, moet op de foto met het standbeeld van Jan Zizka op de achtergrond. Bij ons zou deze man onherroepelijk afgekeurd zijn voor de militaire dienst, want als schooljongen was hij, bij een vechtpartij met een van zijn makkers, een oog kwijt geraakt. Later verloor hij bij de belegering van de vesting Rabi in Zuid-Bohemen ook nog zijn andere oog. Maar zelfs blind bleef hij onbetwist de militaire leider van het gevreesde Hussietenleger. Jan Zizka was de eerste in Europa die zijn manschappen leerde hoe je strijdwagens in een gevecht kon gebruiken. Het waren eigenlijk versterkte boerenkarren. Ze trokken ermee van her naar der en als er slag geleverd moest worden, deden ze dienst als verdedigingsmuur tegen de vijandelijke ruiterij. De Hussieten hadden ook nog een ander merkwaardig strijdmiddel: hun psalmen. Als Zizka en de zijnen ten strijde trokken, begonnen ze bij het naderen van de vijand luidkeels hun geloofsliederen te zingen. Daarmee schiepen ze zo'n onwerkelijke sfeer, dat de tegenstanders het dikwijls op hun zenuwen kregen en soms al op de vlucht sloegen voordat het gevecht begonnen was. Een voorbeeld van zo'n zogenaamde Hussietenpsalm was: Gij, die strijders zijt van God en zijn Wet, Bidt om Gods hulp en gelooft in Hem, Om door zijn bijstand steeds te overwinnen.

Zilvermijnen
De anti-Hussitische krachten in het land werden vooral gevormd door de weigestelden an aanzienlijken, die zich oriënteerden op kerk (d.w.z. de paus) en koning. Een van hun steunpunten is een tijdlang de stad Kutna Hora geweest, oostelijk van Praag. Hier bevonden zich in de middeleeuwen talrijke zilvermijnen. Ze worden allang niet meer gebruikt, maar ze vormen nog wel een trekpleister voor toeristen. En de stad Kutna Hora maakt daar dankbaar gebruik van, want toerisme is voor velen het zilver van de moderne tijd. Daarom heeft men een gedeelte van zo'n vroegere mijn opengesteld voor het publiek. Anna Schniedova is er een van de gidsen. Ze raadt mij aan mijn fototas niet mee te nemen naar beneden. „U zult er alleen maar last van hebben", zegt ze, „want de gangen zijn erg nauw." „Eén camera dan?" „Ja, dat kan", antwoordt ze, „maar dan pak ik toch even een andere lamp voor u." In plaats van de zware mijnlamp die iedereen in de handen gedrukt krijgt, gespt Anna mij moederlijk een riem met een smalle accu om m'n middel en ze demonstreert hoe ik de daarbij behorende handlamp aan en uit kan doen. Ze zoekt een stevige helm voor me uit en ik moet een witte zeildoek jas aantrekken. „Nee, niet los laten zwieberen", waarschuwt ze, „zo strak mogelijk om je heen. Dan heb je er de minste last van." Ik laat me gewillig inpakken en als de laatste knoop gelegd is, voel ik me als een vlinder in zijn cocon tegen de tijd dat hij zich eruit moet wringen.

Gruwelverhaal
De tocht naar het inwendige der aarde valt een beetje tegen. Veel kou, veel water, nauwe gangetjes en gladde vlondertjes. Wel overal prachtige kleuren en glinsterende kristallen, maar geen korreltje zilver. De gids vertelt hoe de zilvermijnen in de middeleeuwen grote welvaart hadden gebracht in Bohemen. En tijdens de Hussietenoorlogen was het bezit van Kutna Hora van groot belang. Want wie zilver had, had geld. En wie geld had, kon soldaten huren. En wie soldaten had, had macht. De eigenaars van de mijnen, veelal Duitsers, moesten niets hebben van de aanhangers van Johannes Hus, in wie ze een bedreiging zagen voor hun machtspositie in de stad. Daarom werd iedereen die van hussitisme werd verdacht, onherroepelijk ter dood gebracht. Vaak zonder dat er een rechter aan te pas kwam. Ook uit andere delen van het land werden gevangen genomen Hussieten naar Kutna Hora gesleept om daar te worden terechtgesteld. Op 't laatst kon de stadsbeul het werk niet meer aan. Geen nood! Er waren genoeg oude verlaten mijnschachten in de buurt. Men zocht een van de diepste uit en noemde die spottend Tabor. Daar werden de hulpeloze slachtoffers in gegooid. En of ze nu dood of levend beneden aankwamen, dat interesseerde de moordenaars niet. Er was toch geen enkele mogelijkheid om ooit weer naar boven te komen.

Hussietenkelk
Wat hield het geloof van de Hussieten nu precies in? Daar waren ze het onderling lang niet altijd over eens. Maar tegenover de buitenwereld hadden ze hun ideeën samengevat in vier artikelen. In de eerste plaats moest „overal in Bohemen het Woord van God verkondigd en vrijuit gepredikt worden." Door de prediking in de volkstaal (en niet in het Latijn) centraal te stellen, werden andere onderdelen van de roomse liturgie minder belangrijk en dikwijls afgeschaft, bij voorbeeld de altaardienst en het gebruik van liturgische gewaden. Verder handelden twee artikelen over de wereldlijke rijkdom van de priesters en de monniken en over de bestraffing van ernstige zonden die in het openbaar waren bedreven. Maar veel belangrijker was het artikel over de mis. In de Rooms-Katholieke kerk was het, net als vandaag, niet toegestaan dat gewone kerkgangers dronken van de avondmaalswijn. Die was alleen voor de priesters. Maar de Hussieten wilden dat brood èn wijn aan de gelovigen zouden worden uitgedeeld. Voor God is iedereen toch gelijk? Dit punt was voor hen zó belangrijk, dat de avondmaalsbeker, in de vorm van een kelk, het symbool van hun geloof werd. Ze borduurden het op hun vaandels, schilderden het op hun huizen, sneden het uit in hun wapens, tekenden het op hun brieven en pamfletten. En ook vandaag nog komt men de Hussietenkelk overal in Tsjechië tegen.

Avonturiers of protestanten?
Wie zich in de geschiedenis van het voor-Reformatorische Bohemen verdiept, wordt getroffen door de meedogenloze wreedheid waarmee de strijdende partijen elkaar te lijf gingen. Maar hij komt ook onder de indruk van de onwankelbare overtuiging van de Hussieten dat ze streden voor een rechtvaardige zaak: de "Wet van God" die uitgaat boven de wet van de wereld en zelfs boven de wet van de kerk. En wat die Wet van God inhield, dat hoefde de kerk hun niet te vertellen, dat lazen ze rechtstreeks in de Bijbel. En hierin herkennen wij duidelijk een van de pijlers van het latere protestantisme. Natuurlijk waren er ook avonturiers en profiteurs die zich om twijfelachtige redenen bij de Hussieten aansloten. Maar ze kregen nooit de kans de boventoon te voeren. De Hussieten hebben in de 15e eeuw hun doel niet bereikt. Gedwongen door onderlinge verdeeldheid moesten ze op den duur een groot deel van hun invloed prijs geven. En uiteindelijk werd in Bohemen een soort van compromis gesloten, waarbij de Hussieten een beperkte vrijheid van godsdienst werd verleend. Later, bij de Reformatie vanuit Duitsland, sloot een deel van hen zich daarbij aan, terwijl een ander deel terugkeerde naar de Rooms-Katholieke kerk. Een enkele stroming is evenwel, zij het in een heel andere vorm, tot op de dag van vandaag blijven voortbestaan, namelijk die van de Boheemse en Moravische Broeders. Maar dat is een verhaal op zichzelf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 september 1993

Terdege | 64 Pagina's

De Hussieten in de eeuw vóór de Reformatie

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 september 1993

Terdege | 64 Pagina's

PDF Bekijken