Bekijk het origineel

Met hart en mond

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Met hart en mond

Ds. C. Harinck: "Je doet belijdenis met de kerk van alle eeuwen, maar het zal tegelijk een persoonlijke belijdenis moeten zijn"

19 minuten leestijd

Door het hele land beginnen binnenkort weer de belijdeniscatechisaties. Jonge mensen bereiden zich voor op het uitspreken van hun ja-woord voor God en de gemeente. Over de betekenis van die plechtigheid lopen de meningen uiteen. Belijd je ermee Christus persoonlijk als Zaligmaker te kennen, is het een overnemen van de verantwoordelijkheid die je ouders op zich namen bij je doop, of is het een uiterlijk instemmen met de waarheid? Aan alle opvattingen kleven bezwaren, zodat in het algemeen wat vaag blijft wat de openbare belijdenis nu precies inhoudt. In twee afleveringen een poging om duidelijkheid te verschaffen.

Over doop en avondmaal is heel wat gepubliceerd, maar de openbare geloofsbelijdenis heeft maar weinig schrijvers geïnspireerd. Terwijl juist hierover tal van vragen leven, met name bij jongeren. Die wetenschap bracht ds. C. Harinck ertoe een pastoraal getoonzet boek te schrijven over de historie, de betekenis en de praktijk van het doen van belijdenis. Met "Tot belijden geroepen" hoopt de predikant van de Gereformeerde gemeente te Houten „de zielevragen van hen die belijdenis doen te beantwoorden, alhoewel de echte oplossing alleen bij de Heere te vinden is." Met deze verantwoording in zijn voorwoord geeft hij aan dat het uitspreken van het ja-woord voor veel jongeren geen vanzelfsprekende zaak is. Wat dat betreft signaleert hij binnen zijn eigen kerkverband een veranderende mentaliteit. „Toen ik 32 jaar geleden predikant werd, was het nog vanzelfsprekend dat je belijdenis deed, omdat je nu eenmaal de waarheid geloofde. Met name de laatste jaren kom ik regelmatig jongeren tegen die ermee worstelen. Vooral de vraag naar de verhouding tussen belijdenis en avondmaal houdt hen bezig. Hoor ik als ik belijdenis doe ook niet tot het avondmaal te gaan? En omgekeerd, als ik niet ten avondmaal durf gaan, kan ik dan wel belijdenis doen?"

Veranderd inzicht
Hoe verklaart u die veranderde houding?
„In de eerste plaats door het veranderde inzicht onder predikanten. Er zijn er nog maar weinig die stellen dat het doen van belijdenis niet meer is dan instemmen met de leer. Ook in het boekje van ds. Hopgerland, dat onder ons veel gelezen is, staat uitdrukkelijk dat het belijdenis van het geloof behoort te zijn. Daarnaast hoort men door contacten met bijvoorbeeld baptisten dat je om belijdenis te kunnen doen echt bekeerd moet zijn."
In welke mate speelt mee dat het doen van belijdenis in een geseculariseerde samenleving een bewustere keuze is?
„Dat speelt zeker in de steden een rol. Sterker dan op het platteland vind je daar dat jonge mensen niet eentwee-drie belijdenis meer doen omdat vader en moeder dat nu eenmaal graag willen. Dat heeft een positieve kant. Maar er is ook de keerzijde van een stuk subjectivisme. „Ik ga niet naar de kerk uit sleur, zoals ze dat vroeger deden, ik ga als ik er behoefte aan heb. En ik doe belijdenis als ik eraan toe ben." Dat wordt dan een excuus om het doen van belijdenis uit te stellen."

Verbondsleer
In uw boek verbindt u het doen van belijdenis niet in de eerste plaats aan het avondmaal, maar vooral aan de kinderdoop. Kunt u die keuze toelichten?
„Ik deel de opvatting van de oude kerk en de Reformatie dat bij de kinderdoop de ouders plaatsvervangend belijdenis doen voor hun kinderen. Als die kinderen op leeftijd zijn gekomen, zullen ze deze belijdenis over moeten nemen. Naar jonge mensen toe maak ik dat altijd concreet door te zeggen: „Je bent niet vrij om belijdenis te doen of niet, want je bent gedoopt. Dat betekent dat het niet aan jou wordt overgelaten of je God of de wereld dient. Vanuit je doop word je opgeroepen om God te dienen en Zijn naam te belijden." Zo probeer je een appèl te doen op jonge harten."
Is deze opvatting direct vanuit de Schrift te onderbouwend
„De verbinding tussen doop en belijdenis is heel duidelijk terug te vinden, maar dan wel in verband met de volwassendoop."
Daar zal een baptist van harte amen op zeggen.
„Inderdaad, maar de wegen gaan uiteen als het aankomt op de verbondsleer. Wij zijn ervan overtuigd dat het verbond niet heeft opgehouden te bestaan en zeggen met de reformatoren dat onze kinderen er in de nieuwe bedeling niet op achteruit gegaan zijn."

Moeilijke situatie
„Dat brengt ons wel, zo eerlijk moet je zijn, in een wat moeilijke situatie. Je doopt die kindertjes en je laat de ouders in hun plaats belijdenis doen, maar wat ga je dan verder doen met de kinderen? Die vraag is niet nieuw. Daar is ook ten tijde van de Reformatie over gedacht. Sterk is toen de nadruk gelegd op de noodzaak van onderwijs. Dat hoort allereerst thuis plaats te vinden. Zo biedt de kinderdoop een handvat om ouders op te wekken hun kinderen te onderwijzen in de leer der godzaligheid. En het is een middel om tegen jonge mensen te zeggen dat ze onder een heilige verplichting liggen. Wel moet ik een baptist eerlijk toegeven dat wij, op grond van onze verbondsleer, de bijbelse volgorde van belijdenis en doop enigszins omkeren."
Op grond van doop toespraken krijg je wel eens de indruk dat we ook in de gereformeerde gezindte niet zo goed raad weten met de kinderdoop.
„Daar hebt u denk ik gelijk in. Als predikanten moet wij ons echt bezinnen op de betekenis van de kinderdoop. Door mijn bezoeken aan Rusland heb ik nogal eens gesprekken gehad met baptisten en dan valt het nog niet mee om je standpunt te verdedigen. Niet alleen om hen te overtuigen, maar ook om je eigen visie van harte te blijven steunen. Nodig is dat je een helder zicht hebt op de betekenis van het verbond als de kern van de doop: dat wat God ons belooft! > Want het wijzen van ouders op de verantwoordelijkheid die ze hebben, kan een baptist even goed."

Gemengde gevoelens
Betekent dit dat een onjuist zicht op de doop per definitie ook een onhelder zicht geeft op het doen van belijdenis?
„Helemaal waar. Bij een overtrokken nadruk op de doop zie je een automatisme van doop via belijdenis naar avondmaal. Aan de andere kant bestaat het gevaar dat de doop enkel wordt beschouwd als een plechtige ceremonie, waarbij Gods beloften en de heilige verplichting van de gedoopten buiten beschouwing blijven. Met gevolg dat ook het doen van belijdenis een formaliteit wordt, of dat men maar lijdelijk afwacht tot men bekeerd is."
Voorheen was het in de gereformeerde gezindte bijna vanzelfsprekend dat je na het doen van belijdenis niet aan het avondmaal ging. Daarin lijkt momenteel ook binnen uw kerkverband verandering op te treden. Hoe waardeert u dat?
„Ik zie dat met gemengde gevoelens aan. Vroeger werd bij ons heel erg opgezien tegen de avondmaalsgang. Je moest er dan absoluut van overtuigd zijn dat je bekeerd was en daar ook wat over kunnen vertellen. Het gevaar bestond dat alleen een verzekerd geloof voor een waar geloof werd aangezien en dat het merendeel van de belijdende leden bij een voorbereidingspreek dacht: Daar heb ik niks mee te doen, want ik ben niet bekeerd. Vandaag zie je met name jonge mensen nogal eens doorschieten naar de andere kant. Ze maken de stap naar het avondmaal veel te gemakkelijk. Op ons als predikanten rust de verplichting om daarin leiding te geven. Het spijt me het te moeten zeggen, maar dat gebeurt te weinig."

Avondmaal
„Gelukkig ontmoet ik ook regelmatig jongeren die echt met gevoel belijdenis hebben gedaan. Bij wie je betrokkenheid voelt. Maar dan gebeurt het nogal eens dat ze bij de eerstvolgende avondmaalsbediening, overweldigd door emoties, ten avondmaal komen. Te vroeg. Dat zie ik in de praktijk. Ze komen daarna enorm in de problemen, omdat het avondmaal hen niet gaf wat ze ervan verwacht hadden. Ze bekijken het ook verkeerd. Ze meenden daar iets geweldigs te zullen ervaren en als dat dan niet gebeurt, stort alles in elkaar."
De avondmaalsgang na belijdenis wordt u te vanzelfsprekend?
„Enerzijds ben je blij als je ziet dat we terugkeren naar een meer reformatorisch standpunt. We hebben belijdenis en avondmaal in het verleden te veel losgekoppeld, dat moeten we niet verbloemen. Maar als dat verandert, dreigt meteen weer het gevaar van het automatisme."
Automatisme is nooit goed, maar gezien het opschrift van Faukelius boven zijn Kort Begrip was de band tussen belijdenis en avondmaal voor hem wel vanzelfsprekend.
„Dat is waar. Overigens krijg je uit dat wat je leest de indruk dat degenen die zich in die tijd aanmeldden voor het doen van belijdenis een andere categorie mensen was dan die zich vandaag aanmeldt."
Rechtvaardigt dat het verlagen van de normen ?
„Zeker niet. Wat dat betreft zie ik binnen mijn kerkverband een ontwikkeling ten goede. Vroeger werd alleen maar gemeld wanneer de belijdeniscatechisatie begon. Als je de leeftijd had, kwam je. Nu is bijna overal de praktijk dat met hen die belijdenis willen doen vooraf een gesprek plaatsvindt."

Labadisme
In uw boek legt u er de nadruk op dat de kerkeraad geen hartenkenner is. Blijft zo niet te veel buiten beschouwing datje wel kunt zien of mensen de kenmerken van de wedergeborenen vertonen, zoals Bucerzei?
,Je zit altijd met die spanning, dat geef ik eerlijk toe. Ik heb verschillende keren jongeren vanwege hun levenswijze niet toegelaten tot de belijdeniscatechisatie. Maar ten diepste zou je ook de jongen en het meisje af moeten wijzen die wel netjes in het kerkelijke spoor lopen, maar slechts belijdenis willen doen omdat ze trouwplannen hebben. Toch heb ik dat nog nooit gedaan."
De opvatting van Bucer gaat u te ver?
, Je mag niet minder vragen, maar ik sta in een bepaalde praktijk. Dan durf je niet zo ver als Bucer te gaan. Op grond van een stuk kerkgeschiedenis ben je ook bang om in labadistische vaarwateren terecht te komen."
De Labadie meende het hart te kunnen beoordelen, Bucer stond een beoordeling op grond van de levenswandel voor. Daarin ligt toch eengroot verschil?
„Zeker. Daarom zouden we de opvatting van Bucer toch vast moeten houden en onverschilligen eigenlijk niet toe moeten laten tot het doen van belijdenis." Eigenlijk... „Ik geeft toe dat het in de praktijk soms wel voorkomt."

Zwart-wit
Is het gevaar van verondersteld geloof vandaag niet groter dan het gevaar van labadisme?
„Het eerste zie ik inderdaad ook opkomen. De opvatting: Ik ben gedoopt en ik ben toch niet ongevoelig, dus het kon toch echt wel eens het goede geloof bij mij zijn. Zo krijg je een geloof op grond van redenering. Daar waarschuw ik belijdeniscatechisanten ook voor. Dan zie je nogal eens dat er zijn die zeer zwart-wit denken en heel radicaal zeggen: Dan doe ik geen belijdenis en wacht ik tot ik echt bekeerd bent. In zo'n geval benadruk ik altijd dat het bij het doen van belijdenis in de eerste plaats gaat om dat wat je belijdt. Je doet belijdenis met de kerk van alle eeuwen. Maar dat zal tegelijk een persoonlijke belijdenis met het hart moeten zijn."
Leidt de belijdenispraktijk die u voorstaat op termijn niet logischerwijs tot een vanzelfsprekende avondmaalspraktijk ?
„Dat zou gevaarlijk zijn. In mijn boek heb ik er in aansluiting bij Calvijn op gewezen dat tussen belijdenis en avondmaal de leer van de zelfbeproeving ligt. Je kunt het avondmaal bewaken bij het belijdenis doen. Je kunt het ook bewaken door de voorbereidingspreek. Ik voel meer voor het laatste."

Volwassendoop
Vraagt het doen van belijdenis geen zelfbeproeving?
„Zeker, maar er is wel verschil. Het zelfonderzoek bij de belijdenis is toegesneden op de vraag of ik van harte achter de bijbelse leer sta en mijn leven daarnaar wil inrichten. De zelfbeproeving voor het avondmaal is vooral gericht op de vraag of ik enerzijds mijn zonde en ellende ken en anderzijds dat geloof dat zijn toevlucht neemt tot Christus."
De vragen die worden gesteld bij de volwassendoop verenigen al die elementen. Geldt dat ook niet voor de geloofsbelijdenis ?
„Niet helemaal. De belijdenis na de kinderdoop is van een iets andere orde dan de belijdenis die aan de volwassendoop voorafgaat. Jonge mensen die gedoopt zijn, dragen het teken van het verbond, waarmee aan hun voorhoofd verzegeld is dat God belooft Zijn verbond te houden. Ze zijn daardoor apart gezet. Dat geldt niet voor ongedoopten."
Nu doen twintig jonge mensen belijdenis, van wie er één ook ah vol-wassene wordt gedoopt. Betekent dit dat van die een meer wordt gevraagd dan van de overige negentien ?
„Ik ben zelf als volwassene gedoopt en voelde inderdaad dat van mij meer werd gevraagd. Zo deed ds. Honkoop mij dat ook gevoelen. Ik heb dat niet als onbillijk ervaren, omdat ik heel sterk het verschil gevoelde met mijn gedoopte mede-catechisanten. Ik was maar een heiden. Om binnen dat verbondsvolk te komen, want zo heb ik het echt gezien, was een werk van God nodig. Tegelijk moet je tegen de overige belij deniscatechisanten zeggen dat ze om zalig te worden precies hetzelfde nodig hebben. De doop is een onuitsprekelijk voorrecht, maar het is niet zo dat je daarmee al half bekeerd bent."

Zielevragen
Veel belijdeniscatechisanten ervaren de vragen van Voetius als minder klemmend dan die van Faukelius. Terecht?
„Je kunt in ieder geval vaststellen dat ook in het verleden de vragen van Voetius als minder ingrijpend werden ervaren dan die van Faukelius, waarin heel duidelijk persoonlijk geloof wordt gevraagd. Daarom hebben de Gereformeerde Gemeenten in 1921 besloten om de vragen van Voetius te gaan gebruiken. Ik ben daar niet onverdeeld gelukkig mee. Die vragen worden te veel als een ontsnappingsclausule gezien, om onder de klem uit te komen."
U bepleit in uw boek een grotere plaats voor het bespreken van persoonlijke vragen. Blijft de belijdeniscatechisatie in het algemeen te veelsteken in het "leren voor lid"?
„Ik ben bang van wel. Het mag geen monoloog worden van een predikant of ouderling. En dat wordt het snel, dat bespeur ik ook bij mezelf Ik ben nogal theologisch ingesteld, waardoor je met genoegen de leer uiteen zet. Maar dan gebeurt het wel dat je na afloop denkt: Wat heb ik weinig aandacht besteed aan de zielevragen. Al kan ik gelukkig ook terugzien op uren waarin die wel uitvoerig aan de orde kwamen en waarin je wel eens iets uit je eigen leven kon vertellen. Dat blijken later de uren te zijn die in de herinnering van jonge mensen zijn blijven hangen."

Engte
In de achterliggende tijd hebt u heel wat studie verricht naar de betekenis van belijdenis. Is uw visie daardoor veranderd?
„Tegen een aantal zaken kijk ik inderdaad anders aan dan toen ik begon. Vooral het boek "Rondom het doopvont", van een aantal auteurs uit hervormd-gereformeerde kring, biedt veel informatie die mij aan het denken heeft gezet. Met name over de wijze waarop in de kerkgeschiedenis is geworsteld met de overgang van volwassendoop naar kinderdoop en daaraan gekoppeld de plaats van de belijdenis. Het doen van belijdenis heeft voor mij veel meer gewicht gekregen. En ik zeg er gelijk bij: Het is er niet gemakkelijker door geworden."
U verlangt nog wel eens terug naar de tijd dat belijdenis doen zo eenvoudig was?
„Nee, dat niet. Toen ontbrak de klem te veel. De klem die ons in de nood moet brengen, omdat we bekeerd moeten worden en onszelf niet kunnen bekeren. Professor John Duncan heeft daarvan in een toespraak tot de generale synode in Schotland gezegd: „Wanneer de mens in de engte is gedreven, zodat hij moet en niet kan, blijft alleen de weg van het geloof open." Kijk, daar moet het naartoe."

Volgende keer drs. j. van Beelen: "Net als bij de doop moet ook in het doen van belijdenis niet ons ja, maar het ja van God centraal staan."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 7 september 1994

Terdege | 84 Pagina's

Met hart en mond

Bekijk de hele uitgave van woensdag 7 september 1994

Terdege | 84 Pagina's

PDF Bekijken