Bekijk het origineel

Met hart en mond

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Met hart en mond

Drs. J. van Beelen: "Net als bij de doop moet ook in het doen van belijdenis niet mijn ja, maar het javan God centraal staan"

18 minuten leestijd

In de kerk van de Reformatie waren doop, belijdenis en avondmaal nauw aan elkaar verbonden. De catechese had tot doel de gedoopten te brengen tot persoonlijke geloofsbelijdenis, waartoe ze bij hun doop nog niet in staat waren. Tegelijk werd door het doen van belijdenis de weg tot het avondmaal geopend. Onder invloed van de nadere reformatoren, die vooral de avondmaalstafel heilig wilden houden, werd de binding tussen belijdenis en avondmaal geleidelijk minder sterk. Een ontwikkeUng die zich in een deel van de kerken van de Afscheiding voortzette. Toch zijn er ook in bevindelijke kring die hun vragen hebben bij deze situatie. Drs. J. van Beelen pleit voor een herbezinning op de oorspronkelijke, reformatorische lijn.

Een herderlijk schrijven van de hervormde synode, waarin werd gesteld dat ambtsdragers per definitie avondmaalgangers dienen te zijn, prikkelde}, van Beelen tot studie over dit onderwerp. De theologiestudent uit Katwijk, die inmiddels predikant is van de hervormde gemeente te Randwijk, kon zich niet in deze opvatting vinden. Vooral bij de argumentatie had hij zijn vragen. In overleg met de Leidse hoogleraar dogmatiek en bijbelse theologie A. van de Beek besloot hij het onderwerp verder uit te diepen. in de vorm van een promotie-onderzoek. Dat is inmiddels in een ver gevorderd stadium. Binnen niet al te lange tijd hoopt de Randwijkse predikant zijn dissertatie te kunnen presenteren, om zo zijn bevindingen aan een breder publiek kenbaar maken. Nu wil hij nog niet vooruit lopen op de uiteindelijke conclusies. Wel is duidelijk dat Van Beelen, die zich thuis voelt in de rechterflank van de Hervormde Kerk, door zijn onderzoek op verschillende punten tot andere gedachten is gekomen. Met de kerk van de Reformatie pleit hij weer voor een nauwe band tussen doop, belijdenis en avondmaal.

Belijden
De huidige belijdenispraktijk is volgens Van Beelen vooral vanuit de kerkhistorie te verklaren en niet direct terug te voeren op de Schrift. „Als je een concordantie opslaat en het woord belijden opzoekt, dan valt op dat het meestal voorkomt in het verband van het belijden van Christus' naam voor hen die buiten de gemeente zijn: de heidenen, de overheden. Of als het belijden van zonden. Openbare belijdenis afleggen in de gemeente kom je niet direct tegen. Een tekst die er wellicht indirect naar zou kunnen verwijzen, is Romeinen 10 vers 9: „Indien gij met uw mond zult belijden de Heere Jezus, en met uw hart geloven dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden." Al heb ik de indruk dat het ook daar vooral gaat om het belijden naar buiten toe. Daarnaast kun je denken aan de geschiedenis van Filippus en de moorman. Je zou kunnen zeggen dat daar een heel kleine gemeente is. Twee mensen zijn bijeen in de naam van Christus en een van hen doet belijdenis om gedoopt te kunnen worden. Je ziet ook in de kerkhistorie dat er altijd een nauwe samenhang is geweest tussen geloofsbelijdenis en doop. Maar het blijft een wat magere onderbouwing van de hedendaagse belijdenispraktijk."

Geen sacrament
Wilt betekent dat voor u als het gaat om de waarde ervan?
„Dat die voor mij toch wat betrekkelijk is. Vanuit de oorsprong is in ieder geval duidelijk, dat je de belijdenis nauw bij de doop moet houden. Het is niet, zoals vaak gedacht wordt, een aanvulling op de doop. Iets dat er nog eens bij komt. Dan wordt het een soort derde sacrament, zoals de confirmatie in de RoomsKatholieke kerk. Het doen van belijdenis mag nooit een zelfstandige plaats krijgen. Het is een amen zeggen op je doop. Je kunt daarbij denken aan het formuher voor de kinderdoop, waarin wordt gezegd dat in elk verbond twee partijen begrepen zijn. De doop roept op tot een antwoord. In dat licht bezien kan het goed zijn om dat antwoord op een bepaald moment in het midden van de gemeente hardop uit te spreken. Niet om de betekenis van dat moment te overtrekken, alsof dat het nu is, maar als een soort hulpmiddel voor onszelf."
Het maggeen derde sacramentworden. U hebt de indruk dat het voor velen in de gereformeerde gezindte wel die gevoelswaarde heeft?
„Inderdaad. Mensen kunnen er hoog tegenop zien. Je krijgt dat als het doen van belijdenis zo wordt losgemaakt van de doop, dat men denkt dat de belijdenis verder op de weg van het heil ligt en daarom extra genade behoeft. Daarmee kun je het rijke van de doop kwijtraken."

Geen formulier
„Anderzijds zie je dat bij het doen van belijdenis de mens die ja zegt in het middelpunt kan komen te staan. Besef je dat je belijdenis een antwoord is op je doop, op Gods gave, dan staat ook in het doen van belijdenis niet mijn ja, maar het ja van God centraal. Hij is de eerste. Als mijn ja niet door Zijn ja werd gedragen, kon ik het nooit uitspreken. Je visie op het doen van belijdenis heeft dus consequenties voor de waarde die je toekent aan de kinderdoop. Geef je de openbare belijdenis een zelfstandige plaats, dan wekt dat de indruk: Ik was al wel gedoopt, maar nu komt mijn ja daar bij. Dat gaat dan de kinderdoop verdringen, alsof die nog niet zo belangrijk was. De volgende stap is: Waarom dopen we eigenlijk kinderen? Dan kom je bij het baptistische standpunt terecht."
In de geschiedenis zijn allerlei opvattingen over het doen van belijdenis ontstaan. Zou dat minder het geval zijn als destijds een belijdenisformulier was opgesteld, dat in alle reformatorische kerken werd gebruikt?
„Dat betwijfel ik. Hoe veel standpunten zijn er niet over de doop, terwijl we toch een degelijk formulier hebben. Nederland kennende moet je van zo'n formulier geen wonderen verwachten. Het is een hulpmiddel."

Vertrouwen
Hoe bezwaarlijk is voor u het verschil in opvattingen over het doen van belijdenis?
„In zoverre is het een bijzaak, dat je visie op belijdenis doen niet bepaalt of je zalig wordt of niet. Zoals dat ook geldt voor de doop. Maar het is wel verwarrend als de ene predikant zegt dat je belijdenis doet van de waarheid, terwijl een ander zegt dat het om het waar, zaligmakend geloof gaat."
Ligt voor u bij het doen van belijdenis de nadruk op hetgeloofofop de inhoud van wat beleden wordt?
„Beide. Je ontkomt niet aan de indruk dat men er in de 16e eeuw ook zo over dacht. Men heeft niet, zoals in later jaren wel is gebeurd, die twee van elkaar losgemaakt of zelfs als tegenpolen gezien. Enkele generaties later sluit Voetius zich daarbij aan als hij de bekende vraag stelt: „Belooft gij, door de genade Gods, in de belijdenis van de zaligmakende leer standvastig te zullen blijven en in haar te zullen leven en sterven?" Dat is toch meer dan deze leer verstandelijk voor waar houden? Hij heeft het over de enige troost in leven en sterven. Dat geldt ook voor de derde vraag: „Belooft gij, overeenkomstig deze leer, trouw, eerlijk en onberispelijk steeds uw leven te zullen inrichten en uw belijdenis met goede werken te zullen versieren?" Daarmee zitten we midden in het stuk van de dankbaarheid. Dat vraagt toch persoonlijk geloof? Jacobus Koelman bevestigt die gedachte. Hij geeft in zijn boek "De punten van nodige reformatie" aan, dat predikanten na beantwoording van de vragen van Voetius de wens uitspraken „dat God, Die dat goede werk door Zijn genade begon en dus verder gebracht heeft, haar (de lidmaten - HdV) daarin bevestige en dezelve meer en meer voltrekke tot de dag van Christus." Dat lijkt me niet voor tweeërlei uitleg vatbaar."

Overvloedige vruchten
„Ook de handehngen van de Dordtse synode maken duidelijk dat men geloof en kennis nauw op elkaar betrokken heeft. Zo worden de predikanten die in ijver en getrouwheid catechiseren verzekerd, dat er "geenszins aan te twijfelen is, of in korte tijd zullen de overvloedige vruchten van deze arbeid, zowel in de voortgang des geloofs als in de heiliging des levens, tot Gods eer en voortplanting der christelijke religie door Gods zegen voor alle mensen blijken, en onze kerken gunst en aanwas veroorzaken." Wij zeggen dan: Wacht even, dat gaat zomaar niet. Maar deze mensen hebben, vanuit de doopbelofte, in dit vaste vertrouwen christelijk onderwijs gegeven en Gods zegen verwacht. Dat vertrouwen missen wij veel te veel."
Er werd ook een nauwe koppeling aangebracht tussen belijdenis en avondmaal. Die band is later verlorengaan. Dat vindt u een verarming?
„Ja, het avondmaal heeft een te geïsoleerde plaats gekregen. Wat ik al aangaf met betrekking tot het doen van belijdenis, geldt ook voor het avondmaal. Het is in de eerste plaats een gave van God, zoals ook de doop Zijn gave is."

Reactie
Alle gedoopten horen belijdenis te doen en alle belijdende leden zouden ook ten avondmaal moeten gaan?
"Daar komt het op neer ja. De geschriften van de 16e eeuw spreken die opvatting ook uit."
Al in de 17e eeuw zie je de teleurstelling opkomen vanwege het ontbreken van de vruchten van geloof bij velen. Je ziet dan dat men strakker de wacht gaat betrekken bij het avondmaal. Was dat niet een verdedigbare houding om het avondmaal heilig te houden?
„Het is een begrijpelijke reactie, waarbij je je wel kunt afvragen of men daarin niet doorgeslagen is. Door de eisen rond het avondmaal steeds verder aan te scherpen, zijn doop en avondmaal uit elkaar getrokken. Zo verlies je, met alle goede bedoelingen, toch te veel van wat de Heere aan de gemeente heeft gegeven."
U voelt zich meer thuis bij de reformatoren dan bij de nadere reformatoren ? „Op dit punt, zeker. Ik deel met de nadere reformatoren de nadruk die ze willen leggen op persoonlijke betrokkenheid tegenover een dode orthodoxie. Maar als Smytegelt, vrij geciteerd, haast als vanzelfsprekend stelt dat iedereen belijdenis hoort te doen, maar niet ieder aan het avondmaal kan gaan, zeg ik nee."
Had hij in de belijdenispraktijk strakker moeten zijn of in de avondmaalspraktijk ruimer?
„Ik neig naar het laatste."

Wedergeboorte
Welke plaats heeft in uw opvatting nog de noodzaak van wedergeboorte, ook voor kinderen van het verbond?
„Die noodzaak moet je voluit vasthouden. Het gaat in de Heilige Schrift immers om een levend geloof in Christus, het nieuwe leven dat de Heilige Geest in ons werkt. Maar we mogen als het gaat om het doen van belijdenis de Dordtse synode volgen, die adviseerde hen toe te laten „die enige merkelijke hoop van vrucht van zich geven en met de zaligheid hunner zielen bekommerd zijn." Die kregen catechetisch onderwijs, waarmee ze werden voorbereid op de deelname aan het avondmaal. Die lijn wil ik aanhouden. Wij kunnen niet iemands geestelijke staat beoordelen. Wel kun je in het leven van mensen iets zien dat wijst op geloof, een betrokkenheid op de Heere en Zijn dienst. Zowel in de prediking als in de catechese moeten we in de eerste plaats wijzen op wat God heeft gezegd en in Christus heeft gedaan. Hoe hij ons dat ook door de doop heeft verzegeld en ons door dat alles opwekt om in geloof tot Hem te gaan."

Persoonlijk gesprek
Hoe geeft u deze opvatting concreet gestalte in de belijdenis- en avondmaalspraktijk?
„Ik zie de belijdeniscatechisatie als een voortzetting van de voorafgaande catechisaties. Ook die kan ik niet los zien van het uiteindelijke doel. Tegelijk ga ik er niet per definitie van uit dat ieder die belijdeniscatechisatie volgt, dat jaar ook daadwerkelijk belijdenis doet. Zo rond maart heb ik een persoonlijk gesprek met de catechisanten, waarin de vraag naar voren komt of ze door willen gaan. Dit jaar had ik drie belijdeniscatechisanten, die alle drie graag nog een jaar terug wilden komen. Dat respecteer ik. Als het om het avondmaal gaat, leg ik in de voorbereidingsprediking de nadruk op wat het geloof in Christus inhoudt. Wat in Hem te vinden is. In de hoop dat mensen begrijpen waar het om gaat en hun eigen leven ernaast leren leggen."
Zou u ook weer terug willen naar de situatie dat belijdende leden die niet ten avondmaal gaan onder censuur worden gezet?
„Daar zou ik heel voorzichtig mee zijn. Niet alleen omdat je een traditie niet zomaar om kunt buigen, maar ook omdat je niet de indruk moet wekken dat het je erom te doen is iedereen zonder meer aan het avondmaal te krijgen. Het gaat erom dat mensen vallen voor Gods Woord en het is de prediking die dat doet."

Inconsequent
In de Hervormde kerk is het mogelijk kinderen ten doop te houden zonder belijdenisgedaan te hebben. Is dat niet inconsequent?
„Voorop staat dat het kind, vanuit de genade van Gods verbond, recht heeft op de doop. Het behoort gedoopt te worden, ook als de ouders geen belijdenis hebben gedaan. Vroeger werd dat probleem opgelost door het inschakelen van getuigen, die verantwoordelijk waren voor de opvoeding van het kind. In de praktijk kwam daar niet veel van terecht. De opvoeding hoort bij de ouders. Die zul je in het dooponderricht dan ook moeten wijzen op hun inconsequentie als ze geen belijdenis willen doen, maar wel hun ja uitspreken bij de doop."
Dat pleit voor het in afgescheiden kring gebruikelijke standpunt, datje alleen je kinderen kunt laten dopen als je belijdenis hebt gedaan.
„In zekere zin, al heeft ook dat z'n bezwaren. Wanneer beide ouders geen vrijmoedigheid hebben om belijdenis te doen, betekent dit dat het kind niet gedoopt kan worden. Of je krijgt het tegenovergestelde, wat je veel vaker ziet: Iedereen doet belijdenis en de band tussen belijdenis en avondmaal verdwijnt."

Halverwege
„Met het eerste hebben de Noordamerikaanse puriteinen geworsteld. Daar werd bij het doen van belijdenis sterk de nadruk gelegd op het persoonlijk geloof Het was de gewoonte om mensen in de vergadering van de gemeente te ondervragen, waarbij niet alleen de kennis werd getoetst, maar ook dat wat er innerlijk leefde. Al was iemand als Thomas Hooker daar voorzichtiger in dan zijn collega John Cotton. Toen na verloop van enkele generaties meer kinderen niet dan wel werden gedoopt, kwam men tot de oplossing van het zogenaamde "halfway-covenant", een "halverwege lidmaatschap". Daarmee kon je meespreken in de vergadering en je kinderen ten doop houden, maar je was nog geen lid in volle rechten en kon daarom niet deelnemen aan het avondmaal. Volwaardig lid werd je pas na het doen van belijdenis. Terecht is deze constructie door latere generaties afgewezen als een verlegenheidsoplossing. Tegelijk kun je je afvragen of het niet vergelijkbaar is met de praktijk die je onder ons vaak tegenkomt. Mensen doen wel belijdenis, maar gaan niet ten avondmaal. Wat dan onderbouwd wordt met de opmerking dat je met het doen van belijdenis wel een kerkelijk, maar geen goddelijk recht hebt. Maak je dan van het doen van belijdenis ook niet een soort halfwaycovenant?"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 21 september 1994

Terdege | 80 Pagina's

Met hart en mond

Bekijk de hele uitgave van woensdag 21 september 1994

Terdege | 80 Pagina's

PDF Bekijken