+ Meer informatie

Rentmeester over aalmoezen

16 minuten leestijd

Jaarlijks worden door de gereformeerde gezindte enkele honderden miljoenen guldens samengebracht. Een fors deel is nodig voor de instandhouding van de eredienst, een kleiner deel wordt besteed via kerkelijke deputaatschappen. Daarnaast ontstonden de achterliggende 25 jaar tal van particuliere stichtingen die op een breed terrein actief zijn. De besturen staan voor de taak naar eer en geweten gelden aan te boren, om die vervolgens op verantwoorde wijze te besteden. Dat vraagt niet alleen bewogenheid, maar ook eerlijkheid, nuchterheid en kennis van zaken. Drie vertegenwoordigers van vier stichtingen over hun hoge opdracht: rentmeesterschap over geld van God.

Een hulpvraag van een weeshuis in India, gericht aan stichting "In de Rechte Straat", leidde in 1973 tot de oprichting van Woord en Daad. Ds. H.J. Hegger, toenmalig directeur van IRS, was van mening dat deze vorm van hulpverlening niet binnen de doelstelling van zijn stichting paste en om een specialistische organisatie vroeg.

Het was de fruithandelaar I. 't Lam die de handschoen oppakte. Van meet af aan stond hem een brede, interkerkelijke organisatie voor ogen. Een ideaal dat ook is verwezenlijkt. Binnen reformatorische kring geniet Woord en Daad grote bekendheid als organisatie die hulp verleent in de Derde Wereld. In 1980 werd de stichting geprofessionaliseerd.

De bestuursleden Puttenstein en 't Lam werden respectievelijk directeur en publiciteitsman. Om de zaken zuiver te houden, moesten ze hun plaats in het bestuur opgeven. Naast de twee voormalige bestuursleden werden een secretaresse en een administrateur aangesteld. De geldstroom bleef in de jaren erna gestaag aanwassen, tot bijna zestien miljoen gulden in 1993.

Openheid
Tot voor kort gingen gevers binnen de gereformeerde gezindte er bijna voetstoots van uit, dat giften aan "eigen organisaties" op verantwoorde wijze werden besteed. Dat blindelingse vertrouwen is door de Zeeuwse-rusthuizenaffaire aan het wankelen gebracht. Ook de ideële instellingen moeten erop rekenen dat de controle op de besteding van gelden zal toenemen.

Woord en Daad verkeert wat dat betreft in een gunstige situatie. Het is altijd een doorzichtige stichting geweest, die op financieel gebied de openheid van een vereniging heeft. De boeken van de Gorinchemse stichting worden jaarlijks gecontroleerd door Roza, de accountant die ook de boekhouding van de Zeeuwse rusthuizen controleerde.

„Het is voor ons altijd vanzelfsprekend geweest dat we met een accountant uit eigen kring werken", zegt secretaris J. Dankers. „Wij hebben daar tot nu toe prima ervaringen mee. Uiteraard is die affaire voor ons wel een zaak van diepgaande bezinning. We zijn bevestigd in onze opvatting dat je nooit genoeg openheid in financiële zaken kunt verschaffen.

We zijn al jaren aangesloten bij het Centraal Bureau voor Fondsenwerving, een neutrale organisatie die toezicht houdt op de geldwerving. Binnenkort gaat het CBF de aangesloten organisaties nog eens grondig doorlichten en alleen als de zaken tot in de puntjes in orde zijn krijg je een keurmerk. Dat waarderen wij positief."

Spiegelfunctie

Ook voor de stichting Kom Over En Help, die dit jaar het tweede decennium vol maakt, had de rusthuizen-affaire een spiegelfunctie. „Je neemt naar aanleiding van zo'n bericht je eigen organisatie nog eens onder de loep", zegt voorzitter D. van den Noort.

„Ons declaratiebeleid, dat al strak was, wordt nog strikter. Bij de gedeclareerde kilometers moet nu ook worden aangegeven waarom een bepaalde plaats werd bezocht. Verder hebben we besloten ons aan te melden bij de Raad voor Financiële Betrouwbaarheid, een onafhankelijk orgaan dat het financiële beleid van de aangesloten organisaties controleert. Als je niets te verbergen hebt, is dat geen enkel bezwaar."

Voor de val van het IJzeren Gordijn hield de interkerkelijke hulporganisatie zich bezig met lectuursmokkel en in mindere mate het lenigen van materiële nood in Oost-Europa. Die doelstelling is na de omkeer in het Oostblok niet wezenlijk veranderd. Het belangrijkste verschil is dat het werk nu openlijk en op veel grotere schaal kan worden uitgevoerd.

Een bijkomend voordeel van de nieuwe situatie is volgens Van den Noort, dat de bestedingen beter gecontroleerd kunnen worden. „Daar zijn we uiterst formeel in geworden. Vooraf willen we een begroting zien en achteraf een verantwoording. De Oosteuropese mentaliteit is wat rommelig. Je moet goed waken voor corruptie. Als je te goed van vertrouwen bent, kan er heel wat geld verdwijnen."

Deskundigheid
Zeker zo belangrijk als financiële betrouwbaarheid, is deskundigheid op het terrein van de hulpverlening. De praktijk leert dat hulp verlenen een vak is. Met goede wil en bevlogenheid alleen kom je er niet. Zeker niet in een wereld die steeds complexer wordt. Als Dankers van Woord en Daad oude notulen doorbladert, kan hij een glimlach vaak niet onderdrukken.

„Het heeft toch wel een jaar of twaalf geduurd, eer we werkelijk zicht kregen op de Derde-Wereldproblematiek. Het is een ingewikkelde materie, die je je niet in een paar weken eigen maakt. Op dit moment hoeven we ons dacht ik niet meer te generen voor het niveau van onze kennis. Maar desondanks zijn we er zeer gelukkig mee, dat we in onze nieuwe directeur een man hebben gekregen die de Derde-Wereldproblematiek van binnenuit kent."

Daarnaast is de steun van spilfiguren in de landen waar wordt gewerkt volgens de secretaris van Woord en Daad onmisbaar voor het goed functioneren van zijn organisatie. Tegelijk ligt daar een risico. Als om wat voor reden kortsluiting optreedt, zijn de gevolgen ingrijpend. Woord en Daad ondervond dat bij de ingrijpende breuk met ds. Point du Jours op Haïti.

„Ook nu hebben we een paar organisaties overzee die heel sterk gebonden zijn aan één persoon met een sterke uitstraling", erkent Dankers. „Het bezwaar daarvan zien wij heel duidelijk, maar je kunt het niet altijd voorkomen. Zeker in zulke landen heb je steunpilaren nodig. Wel hebben we bewust aan risicospreiding gedaan, door in verschillende landen te werken. Tegelijk moet je ervoor oppassen dat je je kracht niet te veel versplintert. Dan raak je de grip kwijt."

Centrumfiguren
Voor Van den Noort is het een herkenbare situatie. Ook Kom Over En Help is bij de uitvoer van het werk aangewezen op spilfiguren ter plaatse. „Daarin schuilt inderdaad een reëel gevaar, al is het niet zo dat deze mensen volledig autonoom zijn. Ze doen hun werk in overleg met anderen.

Dat neemt niet weg dat er een enorm stuk kennis verdwijnt als zo'n centrumfiguur letterlijk of figuurlijk wegvalt. Maar de bezwaren die kleven aan het werken met een veelheid aan individuele predikanten zijn nog veel groter."

Het blijft volgens de voorzitter van KOEH nodig om als bestuur de vinger constant aan de pols te houden. Regelmatig moet het werk worden getoetst op kwaliteit en rendement. Daarbij heeft hij net als Dankers van Woord en Daad ontdekt, dat hulpverlening in een totaal andere cultuur niet iets is wat je in een paar maanden leert.

„Ik zit nu vijftien jaar in dit werk en toch zie ik nog bij elke reis dingen waarvan ik zeg: O, werkt dat hier zo. Het leren proeven van een andere mentaliteit vraagt jaren. Daarom vind ik het zo gevaarlijk dat tal van mensen die een vluchtig contact in Oost-Europa hebben gehad, menen daarmee de kennis in huis te hebben om een gemeente te gaan steunen. Met name in Roemenië hebben we de gevolgen daarvan gezien.

Voor ons is de warboel die erdoor ontstaan is zelfs een belangrijke reden om het werk in dat land af te bouwen."

Persoonsgebonden
Naast de kerkelijke hulpverleningsorganen en de interkerkelijke particuliere organisaties zijn de laatste jaren nogal wat stichtingen ontstaan met een sterk persoonsgebonden karakter. Zo werden aparte stichtingen opgericht voor evangelisatie in Hoorn en Horst. Drijvende kracht daarachter zijn enkele predikanten uit de rechterflank van de Hervormde Kerk, die zich de geestelijke nood in deze gebieden aantrokken.

Ook voor de hulpverlening in het buitenland ontstonden nieuwe stichtingen. Naast de al bestaande reformatorische Oost-Europaorganisaties ontstond Macedonië. Woord en Daad kreeg een kleine "concurrent" in de vorm van Stéphanos. Aan de wieg van beide stichtingen stond ds. K. Veldman. Macedonië werd opgericht ter ondersteuning van het lectuurwerk van de Joegoslavische predikant Simo Ralevic, die ds. Veldman op de Engelse Leicester-conferentie had ontmoet.

Stéphanos kwam van de grond na een reis van de hervormde predikant en een bevriende collega naar Malawi. Tussen beide organisaties en de stichter bestond lange tijd een sterk persoonlijke binding. Dit kwam bij Stéphanos onder meer tot uiting in het feit dat zijn dochter en schoonzoon twee jaar voor deze organisatie in Malawi werkten. Zelf verrichtte hij met financiële steun van Stéphanos anderhalfjaar zendingswerk in Zuid-Afrika.

Achteraf
Voorzitter van het bestuur van zowel Macedonië als Stéphanos is ds. W Pieters, hervormd predikant in Genemuiden. Omdat hij niet tot de mannen van het eerste uur behoort, is hem niet geheel duidelijk waarom het werk niet bij bestaande organisaties is ondergebracht.

„Ik denk dat het gedeeltelijk hieraan ligt, dat de contacten zo persoonlijk waren. De hulpverlening krijgt dan ook een persoonlijk cachet. Hetzelfde zie je bij de stichting Charité, het vroegere Comité Vrienden van Minsk. Enerzijds blijft in zo'n kleine organisatie, die volledig met onbezoldigde vrijwilligers werkt, geen cent aan de strijkstok hangen. Aan de andere kant geef ik toe dat een warwinkei van stichtingen is ontstaan, waar de achterban geen enkel zicht meer op heeft.

Achteraf zie je vaak helderder dat sommige beslissingen beter anders genomen hadden kunnen worden. Lang niet alles wat geestelijk is, is ook verstandig. De kerkhistorie leert dat je in de wijngaard des Heeren ongewild kromme wegen kunt gaan. Hoewel ze bij God vandaan toch recht zijn. Maar dat ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid. Naarmate je wat verder kijkt en wat langer meeloopt, zul je minder snel een nieuwe stichting oprichten. Ik tenminste wel."

Problemen
De hulpverlening van Macedonië verloopt voor het overgrote deel via ds. Ralevic, die het absolute vertrouwen van de stichting geniet. „Alles staat of valt met de vraag of wij zijn bekwaamheid en integriteit goed inschatten", zegt ds. Pieters. „Maar wij zijn van mening dat je alleen vruchtbaar kunt werken op basis van vertrouwen."

Het werk van Stephanos is veel gevarieerder en daardoor minder gemakkelijk te coördineren en controleren. De stichting steunt de zwarte voorganger bisschop Frank Ntshuntsha in Zuid-Afrika, een landbouwproject van het door de baptistengemeente van Andijk uitgezonden zendingsechtpaar Groot in Ivoorkust en enkele kleine projecten in Malawi. Momenteel wordt gewerkt aan de realisering van een weeshuis in dit land.

Door het werk in Afrika kreeg Stephanos te maken met de bekende problemen bij ontwikkelingswerk. „De hulpverlening in de Derde Wereld is veel moeilijker dan ik aanvankelijk had gedacht", erkent ds. Pieters. „Dat ontdek je als je achter de schermen kijkt. We hebben ons verkeken toen we dachten dat je kunt werken met inlanders.

Op het gevaar af dat ik nu val onder de anti-discriminatiewet: Een zwarte is een zwarte en geen blanke met een zwarte huid. Je kunt inlanders geen verantwoordelijkheid geven. Gelukkig hebben we nu bekwame adviseurs in de persoon van twee mensen die Malawi door en door kennen. Die zijn voor ons van onschatbare waarde."

Omweg
De verhouding tussen de interkerkelijke particuliere organisaties en de kerkelijk gebonden hulpverleningsorganen is in het algemeen wat stroef. De laatste zijn geneigd om de prioriteit van hulpverlening via kerkelijke kanalen te beklemtonen. Dankers van Woord en Daad denkt daar anders over.

„Er zijn diakonale taken, natuurlijk. Maar het werk dat wij verrichten is zo groot en veelomvattend, dat diakonieën dat niet aan kunnen. Ik zie dan veel meer een parallel met wat er gebeurt op het gebied van het onderwijs. De opvoeding is een taak van de ouders, begeleid vanuit de kerk.

Maar dat neemt niet weg dat er grote reformatorische scholengemeenschappen zijn gekomen. In hetzelfde vlak zie ik het hulpverleningswerk overzee. Daarvoor is te veel expertise vereist om dat als kleiner kerkverband zelfstandig aan te kunnen pakken."

Van den Noort deelt die mening. „Kerken kunnen hun diakonale taak op dergelijke terreinen beter via specialistische organisaties uitoefenen. Daarbij hebben ze een eigen verantwoordelijkheid in het bepalen met welke organisatie ze in zee gaan.

In de praktijk zie je dat deputaatschappen die stimuleren dat het geld via kerkelijke kanalen wordt besteed, uiteindelijk toch weer bij particuliere oganisaties terecht komen om het ingezamelde geld uit te geven. Dan vraag ik me af: Is die omweg noodzakelijk?"

Diakonale organisatie
Ds. Pieters is er daarentegen van overtuigd dat al het werk dat is opgepakt door particuliere stichtingen, uiteindelijk bij de diakonieën thuis hoort. De ideale situatie is in zijn ogen een interkerkelijke diakonale organisatie.

„Voor mij bestaan er geen kerkmuren. Als je dezelfde grondslag hebt, kun je gezamenlijk projecten ter hand nemen. In de uitvoering daarvan zal dan weinig verschil bestaan met een organisatie als Woord en Daad, maar het diakonale werk blijft wel direct aan de kerk verbonden."

De predikant uit Genemuiden beseft overigens dat het waarschijnlijk een ideaal zal blijven. In de weerbarstige werkelijkheid is hij, waar mogelijk, een voorstander van samenwerking tussen kerkelijke en particuliere organisaties. Zo zal de uitvoering van het werk van Stéphanos in Zuid-Afrika na het vertrek van ds. Veldman worden overgenomen door de zending van de Christelijke Gereformeerde Kerken, die in dit land werkzaam is.

Het verdriet ds. Pieters ook dat de verhouding tussen de MBuma-zending en Stéphanos zo stroef is. Persoonlijk zou hij het positief waarderen als de mogelijkheid werd onderzocht om zowel Macedonië als Stéphanos onder te brengen bij grotere stichtingen. „Zoals ik ook de fusie van de Eben-Haëzerzending en de MBuma-zending heb gestimuleerd. Voorwaarde daarbij is wel dat onze projecten niet mogen ondersneeuwen in alles wat zo'n grotere stichting al aan het hoofd heeft."

Directeur
Zeker bij specialistische vormen van hulpverlening is een brede deskundigheid gewenst. Woord en Daad heeft er in de loop der jaren dan ook bewust naar gestreefd om binnen het bestuur mensen met uiteenlopende kwaliteiten aan te trekken, variërend van een financieel expert tot een jurist. Waarbij steeds gewaakt is tegen vermenging van belangen.

Geen enkel bestuurslid van Woord en Daad levert ook zakelijke diensten aan de organisatie. Minder eenvoudig is het vaststellen van de exacte grens tussen dat wat op bestuurlijk terrein ligt en dat wat onder verantwoordelijkheid van de directeur valt.

„Zijn de persoonlijke verhoudingen goed, dan is dat geen bezwaar", is de ervaring van Dankers. „Maar zodra er argwaan ontstaat, komen er problemen. Te voorkomen is zoiets nauwelijks. Het is een kwestie van het aanvoelen van een cultuur binnen een organisatie, de omgang met elkaar, de grenzen van je verantwoordelijkheid. Met de een gaat dat vanzelf, met de ander niet.

Nodig is in ieder geval dat je als bestuur goed op de hoogte blijft van wat er speelt. Gaat een directeur het alleen weten, dan mis je op een gegeven moment de informatie om gefundeerd besluiten te kunnen nemen. Die kant moet het niet op."

Narigheid
Het is met name dit punt dat Kom Over En Help ervan weerhouden heeft een algemeen directeur aan te stellen. Een voorstel dat heel concreet op tafel heeft gelegen, nu de stichting een jaarbudget heeft van bijna twee en een half miljoen gulden.

Toch werd besloten om op de oude voet door te gaan met de 45 vrijwilligers die de stichting telt, verdeeld over verschillende secties. Wel is een secretaresse aangesteld, om de administratieve werkzaamheden te kanaliseren. Bij deze beslissing speelden volgens Van den Noort verschillende factoren een rol.

„We hebben zo veel narigheid gezien bij stichtingen die een directeur aanstelden, dat we niet echt enthousiast daarvoor waren. Zo'n man gaat zich oriënteren, overvleugelt op een gegeven moment het bestuur, je krijgt spanningen... En zodra er interne spanningen zijn, komt ook de hulpverlening onder druk te staan.

Je kunt natuurlijk tegenwerpen wat een van de bestuursleden ook zei: die man wordt net zo sterk als het bestuur zwak is. Dat is zo. Maar iemand die op zo'n baan solliciteert, is een vent met karakter. Dat betekent dat hij veel werk naar zich toe zal trekken, dat nu door het bestuur wordt verricht. Daar zit je als bestuurslid ook niet direct op te wachten, dat geef ik eerlijk toe."

Zure appel
Ds. Pieters herkent dezelfde houding bij hen die aan de wieg van Macedonië en Stéphanos stonden. „Ik heb de geboorteweeën niet meegemaakt. Dan sta je er toch wat afstandelijker tegenover. Ik ben meer een pleegvader, om het zo te zeggen. Maar iemand die vanaf het begin bij zo'n organisatie betrokken is, heeft er een sterke emotionele binding mee en is niet zomaar verzoend met het idee dat hij zich terug moet trekken.

Voor mij ligt dat anders. Ik heb nooit zitten wachten op bestuurlijke baantjes. Als beide stichtingen elders ondergebracht kunnen worden, tot tevredenheid van beide partijen, ben ik bereid dezelfde dag op te stappen. Geen enkel probleem.

Tegelijk begrijp ik dat het voor mensen die zich vanaf het eerste uur met al hun inzet voor zo'n organisatie hebben gegeven, een zure appel is om te leren dat een ander het net zo goed of misschien zelfs beter kan dan zij."

Kerkelijke kaart
Naarmate de achterban van een organisatie smaller is, kost het in het algemeen meer moeite om een vacature binnen een bestuur op verantwoorde wijze in te vullen. Het aanbod van beschikbare deskundigen is dan geringer.

De brede, interkerkelijke organisaties, zitten met een andere belemmering: het feit dat vaak grote waarde wordt gehecht aan een zo getrouw mogelijke afspiegeling van de verschillende kerkverbanden binnen het bestuur. Met name in het reformatorisch onderwijsveld wordt op dit punt de vinger nauw aan de pols gehouden.

Bij de besturen van de bekende hulpverleningsorganisaties ligt dat soepeler. Volgens Dankers staan bij Woord en Daad deskundigheid en een principiële houding voorop. „Het kerkverband waartoe iemand behoort is voor ons van secundair belang." Ook bij KOEH wordt die lijn aangehouden, al wordt daar de kerkelijke kaart iets meer in het oog gehouden.

Predikanten
De invloed van predikanten ziet Van den Noort overigens afnemen. „Een zang- en orgelavond van KOEH moest vroeger per definitie geleid worden door een dominee. Tegenwoordig zegt menig predikant: Doe het alsjeblieft zelf, ik heb al zo veel aan m'n hoofd. Hetzelfde zie je als het om de daadwerkelijke hulpverlening gaat.

Ik moet de eerste dominee in ons comité van aanbeveling nog tegenkomen, die rekenschap vraagt van wat we gedaan hebben. Er is zeker geen sprake van een irritante dominantie. Predikanten zijn naar buiten toe kleurbepalend, maar in de praktijk wordt het werk door anderen verricht."

Ds. Pieters deelt die visie. „Wij zijn publieke figuren en als voorganger heb je ook wel eens een voortrekkersrol. Aan de andere kant moet je als voorzitter, zoals in mijn geval, vooral niet denken dat je ook secretaris en penningmeester bent. Dat leer je trouwens vanzelf af.

Ik bemoei me uitsluitend met het technisch voorzitterschap. Het werk zelf laat ik volledig over aan mensen die daar verstand van hebben. Je moet je grenzen kennen, ook als predikant."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.