Bekijk het origineel

Een kunstzinnige kluizenaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een kunstzinnige kluizenaar

11 minuten leestijd

Rusteloos zwierf Teun Gijssen rond. Voortgedreven door de drang om de wereld om zich heen vast te leggen. De wereld zoals hij die zag. Italië schonk hem de hoogste onderscheidingen. Amerika eerde hem als een groot kunstenaar. Hij had miljonair kunnen zijn, maar bleef een zwerver. Ongevoelig voor eerbetoon en aards goed. Zijn leven kende slechts één passie. Een deprimerend bezoek aan een kunstzinnige kluizenaar.

Van twee kanten wordt Riel belaagd. Aan de ene kant rukt Eindhoven op, aan de andere kant Geldrop. De buurtschap is al volledig ingeklemd. Maar nog niet opgeslokt. In de directe omgeving van de industrieterreinen van Daf houdt het stand, als monument van een landelijk verleden. Met boerderijen waar de mest nog op het erf ligt en kippen verontwaardigd kakelen bij het naderen van een automobiel.

Het doel van m'n tocht is nabij. Toch ben ik al een kwartier vruchteloos aan het zoeken. Ook de Brabantse boerin die op de fiets haar boodschappen gaat doen, kan me niet verder helpen. Ze heeft nimmer van de schilder Teun Gijssen gehoord. Pas na enige toelichting toont ze herkenning. „O, ge bedoelt de zwerver in dat kippenhokse!"

Kluizenaar
Het treffend getypeerde bouwsel ligt verscholen achter een bosje eeuwenoude eiken. Om ongewenste inkijk te voorkomen, heeft de bewoner coniferen om z'n erf geplant. Een fatsoenlijk pad ontbreekt. Springend over kluiten en greppels bereik ik het domein van de bejaarde kunstenaar. Een kreupele hond wacht me nerveus blaffend op. Naast hem staat Teun Gijssen, roerloos.

Een wonderlijke figuur, vreemd aan deze tijd. Het lange, grijsgrauwe haar gaat over in een patriarchale baard, die zijn borst bedekt. „Ik stond al op je te wachten", zegt hij. Uit een van de eiken stijgt een duif klapwiekend omhoog. De hond begint opnieuw te blaffen. „Hou je kalm, Miet", maant zijn baas. Het beest gehoorzaamt onmiddellijk. Op een goede dag kwam hij aanlopen, zwaar verwaarloosd, met een gewonde poot. De kluizenaar verbond hem en gaf hem te eten. Sindsdien waakt het dier over zijn beschermer en diens schatten.

Noodwoning
De houten noodwoning, vervaardigd voor gedupeerden van de Zeeuwse watervloed, verkeert na veertig jaar weer en wind in droeve staat. Het verval wordt enigszins gecamoufleerd door het veelkleurige mozaïek dat de eigenaar met verf op de planken heeft aangebracht. Eronder woekert de houtrot voort.

De chaos rond de gammele keet laat zich niet beschrijven. Stapels afvalhout, karkassen van fietsen, tandwielen, een oude radiator, twee afgeschreven gasfornuizen, dakpannen en geschonden huisraad zijn zonder enig overleg neergedumpt. Aan roestige spijkers hangen oude lantaarns en grillige houtstronken, waarin sprookjesachtige gestalten zijn te ontwaren. Gevormd door de natuur en opgemerkt door het altoos zoekende oog van de kunstenaar.

Op klanten zit hij niet te wachten. "Verkoop geen schilderijen", melden witte hanepoten op het groezelige raampje naast de deur. Maar een oprecht geïnteresseerde bezoeker is altijd welkom. Achter de grijsaard stap ik de drempel over, een duistere ruimte in.

Eens was het een keuken. Nu staat het er vol schilderijen. Om het fornuis te bereiken, moet eerst een voorraad doeken opzij gezet. De beroete pannen glimmen door het aangekoekte vet. Vet dat ook is neergeslagen op de houten lijsten van de schilderstukken eromheen.

Bed
„Kom verder", noodt de 85-jarige schilder, die al in het volgende vertrek is aangeland. Een hok dat zo mogelijk nog voller staat. Niets dan schilderijen, een overstelpende hoeveelheid. Recent en oud werk door elkaar. Op linnen, op board, op triplex, op meubelplaat. Met en zonder lijst.

Deels los, deels samengebundeld met varkenstouw. In plastic en onder oude kleden, die zijn geannexeerd door de zwerfkatten die hier een thuis hebben gevonden. Het enige venster biedt uitzicht op een maïsveld. Aan de tafel voor het raam is een groot deel van Gijssens doeken geboren.

Het meubel is een maaksel van eigen hand: een deur op stutten. Lange tijd was het tegelijk het ledikant waarop de schilder 's avonds zijn bed spreidde. Die tijd is voorbij. Langzaam maar zeker verft hij zichzelf het huis uit.

Het grootste deel van de tafel is al verdwenen onder schilderijen. Het enige meubelstuk dat de grijsaard nog ter beschikking heeft, is de simpele houten stoel achter het stukje tafel dat onbedekt is. Precies genoeg om te schilderen.

Een ezel heeft hij niet nodig. Hij schildert zoals een ander schrijft, zijn werk vlak op tafel. Slapen doet hij in het smalle pad dat hem rest op de planken vloer. Het deert hem niet. „Ik heb nooit op een bed geslapen."

Wassen
Z'n jasjes hangen her en der aan spijkers, de rest van zijn bescheiden garderobe bewaart de kluizenaar in plastic zakken. Aan wassen komt hij zelden toe. Het is ook een hele operatie wanneer je je moet behelpen met een koud-waterkraan, een keteltje en een verroeste teil. Als hij zichzelf onder handen neemt, is dat in de kleine uurtjes. „Dan heb je tenminste geen pottekijkers."

Overdag verzorgt hij z'n dieren, scharrelt wat rond en helpt zo nodig de buurman met koeien verkampen. Schilderen doet hij het liefst 's avonds. Of 's nachts. Want hij wil ongestoord werken. Al zijn werk is in één keer op doek of hout gezet. „Als je na een nacht slapen of een dag niks doen weer verder gaat met schilderen, dan ben je binnenin een beetje anders. Dan lukt het niet meer."

M'n vragen dringen nauwelijks tot de wonderlijke kunstenaar door. Hij is volledig geobsedeerd door de schilderijen die hij toont. Z'n verweerde hand streelt het doek waarop een vrouw in boerendracht is afgebeeld. Geschilderd in sombere tinten, omgeven door een nevelige nacht. Voor haar voeten scharrelt een zwarte hond.

„Die loopt ook maar wat, weet je wel", grinnikt de kluizenaar. „Misschien komt-ie straks wel iemand tegen. Zo heb ik ze gezien. Ik heb ze zien lopen, ik kan nog jaren vooruit met wat ik allemaal gezien heb."

Onafhankelijk
De bejaarde kunstschilder, zoon van een Zeeuwse schipper, groeide op in een gezin met dertien kinderen. Al jong viel hij uit de toon. Als zijn broertjes speelden, zat Teun te schetsen. De zee met z'n rusteloze golfslag, gekromde boerenarbeiders op de vette Zeeuwse klei, het stemmig geklede kerkvolk van de schuurtjeskerken, volk waartoe hijzelf behoorde.

En toch ook niet. Zij hadden genoeg aan het Zeeuwse land, hij voelde de einder trekken. Zijn liefde voor de schilderkunst werd versterkt door Vlaamse kunstenaars die naar Zeeland waren uitgeweken, om het geweld van de Eerste Wereldoorlog te ontvlieden. Hij droeg hun schilderspullen, keek de kunst af en zette zijn eerste eigen doek op.

Vaster dan ooit wist hij dat hij aan dit werk zijn leven zou wijden. Tot verdriet van zijn vader. „Die was nogal tegen dat soort dingen. Daarmee ging je de verkeerde kant op." Op z'n zestiende jaar verliet hij het ouderlijk huis en ving z'n zwerversbestaan aan. Hij schilderde, bezocht exposities, verdiepte zich in het werk van anderen, maar werd niemands leerling. Volkomen onafhankelijk wilde hij zijn.

Zwerftochten
In '39 vestigde hij zich in Brabant. Op het land van een Rielse boer mocht hij een simpel onderkomen zetten, in ruil voor hand- en spandiensten. Het werd een bouwsel van betonplaten. Voor Gijssen was het meer dan voldoende. Het aardse goed heeft nooit enige aantrekkingskracht op hem gehad.

Als kind ontdekte hij al de onvergelijkbare rijkdom van de schepping. Een rijkdom die vrij verkrijgbaar is voor ieder die er oog voor heeft. Na de Tweede Wereldoorlog strekte hij zijn zwerftochten uit tot ver over de grens. Hij doorkruiste Frankrijk, Zwitserland en Italië. Vooral het laatste land beroerde zijn kunstenaarsziel.

In vlammende kleuren zette hij zonnige landschappen op het doek, uitbundig geklede mensen, imposante kathedralen. En het land van de kunst herkende de meester. In twaalf jaar tijd ontving hij acht hoge onderscheidingen, waaronder de kunstmedaille van Rome.

Halverwege de jaren zestig werd hij naar Amerika en Canada genodigd. De lovende kritieken leverden exposities op in steden als Washington, San Francisco, Vancouver en Seattle. Het geplande verblijf van drie maanden liep uit tot drie jaar.

Maar vroeg of laat keerde hij altijd weer terug naar Riel. Meestal even onverwacht als hij vertrokken was. Beladen met doeken, die hij opsloeg in de betonnen stulp naast de houten noodwoning die hij inmiddels had aangeschaft.

Expositie
De laatste jaren reist hij nauwelijks meer. Niet dat hem daarvoor de vitaliteit ontbreekt. Zijn kracht is ongebroken, maar hij durft zijn schilderstukken niet meer onbeheerd achter te laten.

Om diefstal te voorkomen heeft de schilder de deur van het belendende schuurtje dichtgetimmerd met een lat, die hij zo nodig met een klauwhamer verwijdert. Na een paar krachtige rukken laten de spijkers los. Als ook het ondersteboven gemonteerde slot is geopend, kan hij naar binnen.

De schilderijen liggen er opgeslagen als oud papier, in forse bundels, gestapeld tot het dak. „Het wordt een probleem", erkent Gijssen. „Er komt nog steeds bij. De laatste tijd schilder ik weer veel." Terwijl ik aan de rand van het maïsveld wacht, hoor ik hem in het schuurtje stommelen. Hij struikelt letterlijk over zijn werk.

Met het spinrag in de baard keert hij terug, zet de uitgezochte werkstukken tegen zijn onderkomen en gaat nieuwe voorraad halen. Een gratis mini-expositie voor één bezoeker, in de open lucht. Landschappen, stadsgezichten, stoeten mensen in de meest uiteenlopende omstandigheden. Geëxposeerd werk, maar ook schilderstukken die nimmer zijn vertoond.

Stichting
Z'n eerste woning doet al jaren dienst als opslag. Tussen de opgetaste kunstwerken staan en hangen versleten schoenen, een oude kerktas, laarzen, een stallantaarn, een ijzerzaag, een kartonnen doos waarin eens "24 zakjes stroopwafels" verpakt zaten... Zelfs de krottige bestelwagens waarmee de kunstschilder door Europa trok, staan vol.

De hele collectie moet duizenden schilderijen omvatten. Nog afgezien van de talloze opgerolde schetsen en aquarellen, waarmee hoeken en gaten zijn opgevuld.

„Ze hebben me aangeboden om naar een tehuis in de buurt van Utrecht te komen", vertelt de maker. „Daar kon ik een grote kamer krijgen, maar daar heb ik niks aan. Dan word je verzorgd als een klein kind en over je schilderijen heb je niks meer te vertellen. Die heren regelen alles voor je en jij mag er alleen naar kijken. Net als Jopie Huisman. Daar voel ik weinig voor."

De beheerder van het kasteel in Geldrop, een van de weinigen met wie hij geregeld contact onderhoudt, adviseerde hem dringend de kunstschat in een stichting onder te brengen. De acte was al opgesteld. Maar op het laatste moment weigerde de schilder zijn handtekening te zetten. Hij kan niet scheiden van zijn werk.

„Als ik het opnieuw indeel, kan ik nog wel wat hebben. Wat nu op tafel ligt, moet ik ergens achter zien kwijt te raken."

Diefstal
De roem heeft nooit vat op Gijssen gekregen. Het gebrek aan erkenning in eigen land evenmin. Hij schildert ten diepste voor zichzelf. „Ik ben heel anders dan de zogenaamde mannen van de kunst. Die laten zich te veel leiden door kritiek. Ik maak alleen wat ik zelf mooi vind."

Over de prijzen die hij gewonnen heeft, rept hij met geen woord. Wel diept hij uit een plastic zak een lijvige catalogus op. Volledig in kleur uitgevoerd, gepubliceerd in ZuidKorea. „Dure reclame", grijnst hij.

„Ik zou daar gaan exposeren. Dat werd allemaal geregeld door een Koreaans vrouwtje, dat ik heb leren kennen. Haar tante is een hoge in de kunstwereld van Korea. Maar nu is ze heel erg ziek. Ik weet niet of het nog wel doorgaat." Of het hem spijt, weet hij zelf niet. Het idee dat hij zijn bezit voor een maand achter moet laten, trekt hem allerminst.

Terwijl hij de doeken weer in het schuurtje bergt, begint hij een verward relaas over zwendelaars en bedriegers die hem schilderijen hebben ontvreemd. Brand lijkt, gezien de staat van de bedrading, een reëler gevaar. En waar zal alles blijven wanneer hij er niet meer is?

„We gaan allemaal naar het kistje", bevestigt hij gelaten en drukt me de afscheidshand. Op m'n advies om God niet te vergeten, blijft het even stil. Dan kijkt hij met onpeilbare blik in de verte en antwoordt: „Da's waar. Want daar komen we allemaal terecht." Hetzelfde moment keert hij zich om en loopt naar zijn keet terug. Vannacht zal hij weer schilderen, met Miet aan zijn voeten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 18 oktober 1995

Terdege | 80 Pagina's

Een kunstzinnige kluizenaar

Bekijk de hele uitgave van woensdag 18 oktober 1995

Terdege | 80 Pagina's

PDF Bekijken